ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Hans van Manen – Dans tot de dood

Van kappersjongen tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Choreograaf Hans van Manen wordt wereldwijd gevraagd om met zijn muzen dansvoorstellingen uit te voeren. Zijn agenda zit nu al vol tot 2010. ‘Misschien ben ik dan allang dood.’

Tekst: Anne Elshof en Sjors Overman
Foto: Sjors Overman

Met een gedistingeerd loopje gaat Hans van Manen (75) ons voor in zijn Amsterdamse appartement. Zijn typische bewegingen kenmerken een van de grootste artiesten in de Nederlandse danswereld. De woonkamer lijkt een miniatuurmuseum voor moderne kunst: een scala aan schilderijen en andere kunstobjecten siert de donkere kamer. Een gloeiend hete kachel verwarmt de ruimte tot bejaardenhuistemperatuur. Van Manen neemt plaats in zijn fauteuil; de audiëntie kan beginnen. Nog voordat er een vraag is gesteld, begint de choreograaf een monoloog over de bijzondere leerstoel Kunst en Cultuur die hij een jaar lang bekleedde.
‘In 1988 werd ik tot bijzonder hoogleraar benoemd aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen. Dat vond ik echt een erkenning van mijn werk en van de intellectuele kant van de danskunst. De benoeming was voor mij een mogelijkheid bij te dragen aan de emancipatie van dans. Nu kon ik mensen zich laten verdiepen in deze kunstvorm. Gelukkig vonden studenten mijn colleges boeiend. Ik begon met 120 studenten en eindigde met 148. Het verbaasde me dat de zaal niet was leeggelopen.
‘Mijn inaugurele rede heette Dans drukt dans uit en verder niets. Dat heb ik geweten. Tot op de dag van vandaag word ik daarop aangevallen door critici en dansers. Toch sta ik er nog steeds achter. Veel choreografen proberen een verhaal te vertellen met hun werk; voor hen schiet de dans blijkbaar tekort. Verhalen moeten worden overgelaten aan de literatuur, die hebben mijn interesse niet. Bij mij is dans nooit pantomime geworden.’

Wat wilt u wél laten zien met dans?
‘Erotiek is verschrikkelijk belangrijk. In mijn werk spelen kijkrichtingen van de dansers een grote rol, die kunnen een heel erotische lading aan een beweging geven.’

Blijft seksualiteit belangrijk, ook nu u 75 bent?
‘Erotiek blijft van groot belang, dat wordt niet minder naarmate ik ouder word. Het is iets anders dan seks of porno. Ik ben homoseksueel, maar ik kijk net zo goed naar mooie vrouwen. Je denkt toch niet dat ik naar de bomen kijk als ik door de stad loop? Ik kijk naar blikken, naar mooie jongens en meisjes. Dat is erotiek.’

Vormt die erotiek voor u een inspiratiebron?
‘Ik hou niet van het woord inspiratie. Picasso en Stravinsky hadden daar al een hekel aan, die antwoordden dan: “I steal wherever I can.” Dat is een treffende omschrijving. Het betekent niet dat ik plagiaat pleeg; mijn choreografieën zijn geen exacte kopieën, die ik vervolgens als eigen werk presenteer. Het gaat om de toevoegende waarde die je als kunstenaar hebt. Ik kan overal mooie dingen tegenkomen waarmee door mij iets extra’s kan worden gedaan. Ook dansers geven me zulke ideeën. Verschillende danseressen zijn muzen voor me geworden.’

Zijn dansers meer dan alleen figuranten in uw werk?
‘Wil je dat woord nooit meer gebruiken! Dansers zijn uitvoerende kunstenaars, die worden bewust gekozen. Ik kies dansers die mij begrijpen en die een eigen persoonlijkheid hebben. Die risico’s durven te nemen. Wie risico’s vermijdt is terughoudend en kan dus niet tot het uiterste gaan. Ik zoek mensen die fouten durven te maken. Van die dansers wil ik graag een interpretatie van mijn choreografie zien.
‘Als een beroemd violist een werk van Beethoven speelt zonder een noot te veranderen staat die muzikant nog steeds als artiest op het toneel. Ik probeer de noten op papier te zetten voor een danser die op het podium staat. Met mijn choreografie kan ik sterkwaliteiten bij iemand naar boven laten komen. Daarom zijn dansers absoluut geen figuranten.
‘Pas in de studio begin ik met het improviseren van de passen. Ik verzin mijn choreografieën niet achter een bureau. Samen met de dansers ontstaat een geheel en dan sta je als 75-jarige voor zo’n groep artiesten echt in je hemd. Ik doe alle passen voor, niet expressief en krachtig, maar klein en precies op de muziek. Dat kan ik nog prima. Daarna kunnen de dansers hun interpretatie van het werk tonen.’

Bent u bereid tot een compromis wanneer een danser een andere visie heeft?
‘Ja hoor, ik hou wel van discussie. Maar dan moet diegene wel van goeden huize komen.’

En concessies aan het publiek?
‘Daar hou ik me nooit en te nimmer mee bezig. Dan zou ik pretenderen te weten waar het publiek van houdt. Ik ga er vanuit dat mijn publiek intelligent is en zelf kan uitmaken wat het wel of niet mooi vindt. Natuurlijk is het fijn als mijn werk wordt gewaardeerd. Maar wanneer ik met een choreografie bezig ben, zijn er bij mij geen zorgen over wat toeschouwers ervan zullen vinden. Als ik zou denken: “Ik maak wel iets wat men leuk vindt”, is dat een rare kijk op mijn publiek. Dan wordt het commerciële televisie.’

U bent autodidact. Hoe kijkt u tegen het belang van een dansopleiding aan?
‘Er bestaan fantastische balletopleidingen. Wat dansers tegenwoordig kunnen, dat bestond twintig jaar geleden niet. Door de Tweede Wereldoorlog heb ik zelf geen opleiding kunnen volgen. Ik heb mijn lagere school niet eens kunnen afmaken. Mijn opleiding heeft zich eigenlijk afgespeeld binnen balletgroepen. Ik ben meteen in een groep begonnen en heb altijd geweldige mensen om me heen gehad. Zij hebben me ontzettend veel geleerd.’

Gelooft u in talent?
‘Ja, maar leren is noodzakelijk om te ontdekken waar je talenten liggen. Je moet zoveel mogelijk doen en je mond houden. Pas als je weet wat je talent is, heb je recht van spreken. Ik heb werk gemaakt dat stand heeft gehouden. Mijn choreografieën, hoe oud ze ook zijn, worden nog altijd over de hele wereld uitgevoerd. Ik heb de dans als kunstvorm een schop onder de reet gegeven en meegewerkt aan de emancipatie van dans. Ik weet dus dat ik het goed heb gedaan.
‘Mijn benoeming tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw is een erkenning van mijn verdiensten. Niet dat ik dat lint ooit zal omdoen, maar ik ben er wel blij mee. Het is een mooie benoeming die wordt gegeven aan oude mensen, liefst vlak voordat ze doodgaan. Die onderscheiding betekent dat ik iets wezenlijks heb bereikt voor de dans. Onlangs zijn voor mijn 75e verjaardag dertig balletten gedanst op het Hans van Manen Festival. Alle dansers en andere medewerkers hebben dat gratis gedaan, alleen hun vervoer en hotel is betaald. Dat is fantastisch.’

Wat bedoelt u met emancipatie?
‘Ik heb de dans gepopulariseerd, de choreografieën die ik heb gemaakt zijn niet alleen voor kunstliefhebbers maar voor iedereen. Helaas hebben de dansgroepen veel geld moeten inleveren. Door de verminderde subsidie kunnen avondvullende voorstellingen niet meer worden uitgevoerd. Het grote succes dat ik heb bereikt is alleen mogelijk geweest dankzij subsidies en sponsoring. Eigenlijk interesseert het me niet waar het geld vandaan komt, als het maar komt.’

Heeft dans wel bestaansrecht, als het volledig van subsidies afhankelijk is?
‘Natuurlijk, kunst is altijd afhankelijk geweest van subsidies. In het verleden werkten kunstenaars als Bach en Goya aan het hof. Dankzij de koningen en andere adellijken kon de kunst bestaan, dat kan ook als subsidie worden gezien. Ik ben blij dat in Nederland steeds meer bedrijven willen investeren in kunst. Dat zijn de nieuwe mecenassen, de nieuwe weldoeners voor de kunst.’

Is dans iets populairs; kan het ook iets buiten het theater betekenen?
‘Ballet is voor mij altijd een podiumkunst gebleven. Streetdance en hiphop kennen hun oorsprong op straat en horen daar thuis. Het is geweldig om te zien wat die mensen kunnen, maar het hoeft niet op een podium. Laat staan dat er een boodschap in moet worden verwerkt, wat steeds vaker wel gebeurt. Verschrikkelijk.’

U bent bijna aan het eind van uw carrière. Vernieuwt u nog altijd?
‘Het is voor mij geen doel om te vernieuwen. Progressie gaat stap voor stap, er zijn zoveel dingen die kunnen worden uitgebreid en verbeterd. Het is niet nodig om steeds weer met iets nieuws te komen. Picasso bracht telkens totale vernieuwing en nu hij dood is zegt men van al zijn werk: typisch Picasso. Ik kan toch nooit onder mezelf vandaan komen; iemand die mijn voorstellingen kent zal altijd zeggen: “Dat is een Van Manen.” Ik zal best een en ander hebben vernieuwd, maar ik ben nooit bewust bezig geweest met het maken van een noviteit.’