Kerstverhaal: Wilbert
It’s coming on Christmas
They’re cutting down trees
Joni Mitchell – River
De avond dat Wilbert van Dillebroek van de brug sprong ijzelde het op de wegen rond de stad. In lange slingers had het visitevolk zich over de gladde wegen een weg terug naar huis gebaand. Wilbert had zijn handen op de koude stalen leuning gelegd en getwijfeld of hij nu aan het ijzer zou likken of over de reling zou springen.
Tot die tijd had Wilbert nooit van ijzel en vrieskou gehouden, want vijf dagen in de week moest hij op pad in zijn Daihatsu Charade om in winkels en kiosken tijdschriften over koken en wonen aan de man te brengen. Als hij zijn ruiten krabde, dan krabde hij alsof de duivel hem op de hielen zat.
Maar de duivel zat hem niet op de hielen.
Zijn vrouw had hem op een ochtend willen helpen door een emmer heet water over de voorruit te gooien. Ze had hem aangekeken alsof alleen Wilberts autoruit kon breken bij wat heet water.
‘Sorry Wil’, had ze gezegd.
Ze had vanaf de oprit gezwaaid toen hij zonder voorruit door de snijdende wind stapvoets naar de garage om de hoek was gereden. Dat was zeven jaar geleden en het is er sindsdien niet beter opgeworden.
Die middag had hij met zijn vrouw en zoontje door de stad gewandeld en gekeken naar de kerstetalages en de levende kerststal op het pleintje met de bruine kroegen. Het gelach en de geur van bier trok over het plein.
Wilbert kocht geen cadeaus voor zijn zoontje, ook al moest zijn vrouw het jong aan zijn oor bij de ramen van de speelgoedwinkel vandaan trekken. Schreeuwend had zijn zoontje zich vastgehouden aan de kozijnen van de etalage en zijn vrouw had zo hard getrokken dat de nagels over de lak van het hout krasten voordat het jongetje eenmaal losliet.
Die middag keek Wilbert naar zijn zoontje en besefte hij dat het was mislukt. Hij had een lelijk kind met een rattekop op de wereld gezet. Zijn vrouw was met de jaren dikker geworden en hulde zich tegenwoordig alleen nog maar in taps toelopende spijkerbroeken en truien die beertjes of bloemen of koeien op de voorkant hadden gestikt.
Zijn vrouw had geen boezem meer, maar een voorkant.
‘Je moet het doen met wat je toebedeeld krijgt’, had Wilberts moeder hem gezegd toen hij een brommer voor zijn zestiende verjaardag had gevraagd.
Hij kreeg uiteindelijk een nieuwe boekentas, een trui en een boek voor in die boekentas (Vijf weken in een luchtballon van Jules Verne).
Sindsdien wachtte hij tot zijn leven zou beginnen. Hij hoefde niet veel, niets groots en meeslepends, geen avontuur. Hij begreep het heus wel. Wanneer je als mens een brommer wilde, dan kreeg je logischerwijs een boek toebedeeld.
Hij wachtte op de dag dat hij zelf eindelijk eens anderen de dingen kon toebedelen, de dag dat iedereen eens zou zien wat hij in zijn mars had.
Zijn zoontje had een scheef voortandje en een fronsje tussen zijn wenkbrauwen. Wilbert bekeek hem aandachtig tijdens het eten. ‘Wat wil je van de Kerstman?’ vroeg Wilberts vrouw. Wilbert legde het bestek neer. ‘Ik krijg van hem daar toch nooit wat ik wil’, antwoordde het zoontje. ‘Sla eens niet zulke taal uit. En al helemaal niet tegen de Kerstman. Jij hoeft nergens meer op te rekenen.’
Waarheid als een koe, had Wilbert gedacht.
Je kunt niet vroeg genoeg beginnen.
De dag nadat Wilbert was gesprongen werd er bij de familie van Dillebroek aangebeld door twee agenten. Het was middag en de vrouw van Wilbert kroop ‘s nachts al jaren niet meer tegen haar man aan in bed. Ze was dan ook erg verbaasd om twee geüniformeerde mannen te zien, in plaats van een collectant of iemand uit de straat.
‘Hij is nogal een jangat. Onhandig als een vrouw’, zei mevrouw van Dillebroek tegen de agenten toen ze eenmaal hadden verteld dat Wilbert van Dillebroek dood tussen het riet was gevonden.
‘Mevrouw, we hebben een sterk vermoeden dat Jan gesprongen is.’
‘Dat Wilbert gesprongen is.’
‘Juist. Wil.’
‘Juist, Wil-bert.’
‘Juist. En niet gevallen, mevrouw.’
‘Die zou nog van de aarde afvallen, als die niet rond was.’
‘Uw man is niet gevallen.’
‘’n Jangat.’
‘Evengoed.’
Mevrouw van Dillebroek sloot de voordeur en snoot daarna in de keuken haar neus in een theedoek. Ze was verder gegaan met de administratie, had de papieren van de uitvaartverzekering opgezocht en ze dronk thee en at peperkoek met roomboter.
Toen de rattekop van school kwam was ze avondeten gaan koken.
Het was niet stiller in huis geworden.
Het zoontje zat voor de kerstboom en keek naar de lichtjes die door de takken schenen en in de ballen weerkaatsten. Wilberts vrouw deed de grote lamp boven de tafel uit.
Een kinderhand is gauw gevuld.
Waarom het altijd Wil werd en niet Bert, dat had hij zelf nooit begrepen. Zijn vrouw noemde hem alleen ‘Wilbert’ (‘O, Wíl-bert…’) als ze geërgerd was door iets wat hij
had gedaan.
Hij had zijn handen op de leuning en dacht aan de keer dat hij zijn vrouw voor het eerst had gezien. Hoeveel hij van dat meisje met haar krullen hield, en hoe ze kon lachen om wat hij zei. Hoe hij het liefst naar haar keek als ze niet wist dat hij keek en hoe mooi zijn vrouw had kunnen blozen als ze het ineens wel doorkreeg, dat kijken.
Wilberts handen werden koud van het staal. Hij wilde niet meer terug.
Hij klom over de reling, strekte zijn armen en suisde door de wind.
Dit zou ze leren: iedereen die hem niet zag, iedereen die ‘Hé snor!’ naar hem geroepen had in het verkeer. Maar bovenal zou dit het rattekopje en degene die zijn vrouw opgegeten had, leren.
Ze zouden zich schamen en zouden hem herinneren door deze daad.
Toen hij het water in plonsde voelde hij de kou door zijn lijf trekken.
Zijn hart kromp samen, zijn grimas bevroor en eindelijk, eindelijk, na al die jaren, voelde Wilbert zich thuis.
Tekst: Hanneke Hendrix
Illustratie: Marieke Meijer
Klik hier voor alle artikelen van ANS december 2008







Pingback: ANS-Online » overig » Verse ANS in de bakken
Pingback: ANS-Online » Nieuws » Verse ANS in de bakken
Pingback: Het meisje dat op dinsdag het bier schenkt » Blog archief » Hoe Wilbert de pijp aan Maarten gaf