De afvalrace
Het is begrijpelijk dat je die beertender in een sixpack wil veranderen, maar er zijn ook studenten voor wie elke calorie eraf er één te weinig is. Sportanorexia sloopt naast hun lichaam ook hun leven.
December betekent eten. Veel eten. De maand start met pepernotenpret, wordt vervolgd door ellenlange kerstdiners en wordt afgesloten door uitbuiken met oliebollen. Voor sommigen is dit een ramp: al deze calorieën moeten er ook weer af. Wat voor de één een gezond streven is, is voor de ander een dwangmatige bezigheid die uiteindelijk zijn gehele leven gaat beheersen. Wanneer daarbij meer dan fanatiek wordt gesport spreekt men van sportanorexia, dat verder dezelfde moeilijkheden als anorexia nervosa kent. De patiënten ontkennen hun problemen en zelfs wanneer zij daarop worden gewezen, blijven zij met oogkleppen op sporten. In het Universitair Sportcentrum (USC) is een campagne gestart om ongezond sportgedrag uit te bannen. Peter Gijsberts, coördinator van de fitnessdocenten in het USC: ‘Het probleem ligt bij de mensen zelf. Je moet hun ogen openen.’
Psychiatrische aandoening
Anorexia athletica, de wetenschappelijke term voor sportanorexia, is net als anorexia nervosa een aanhoudende aversie jegens voedsel. In tegenstelling tot de bekendste vorm van anorexia wordt het niet officieel erkend als psychiatrische stoornis. Het toonaangevende handboek waarin alle psychiatrische aandoeningen zijn beschreven, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, rept er met geen woord over. Anja Ammerlaan, onafhankelijk voedings- en bewegingsadviseur, beschrijft de kwaal als ‘een zekere dwangmatigheid bij het sporten, met als doel het verbranden van kilocalorieën en het bereiken van het “ideale” lichaam’. Het gebrek aan een officiële wetenschappelijke definitie helpt de behandeling van de aandoening niet. Daarnaast brengen ook de vele varianten van de kwaal een gemakkelijke genezing niet dichterbij.
Anorexia athletica komt vooral voor bij meisjes in de puberteit die al op reguliere basis sporten. Deze personen worden, net als anorexia nervosapatiënten, door de media en hun omgeving dusdanig beïnvloed dat ze een uiterst negatief zelfbeeld krijgen. Dit leidt ertoe dat zij zich zeer dwangmatig met voeding bezig houden. Wanneer de patiënt lijdt aan anorexia athletica uit zich dit in obsessief sporten. Dat betekent vaak twee keer per dag naar de sportschool en continu controleren of je genoeg calorieën verbrandt. Naast onzekere karakters lopen ook controlfreaks een groter risico sportanorexia te krijgen.
Er zijn geen cijfers bekend over de mate waarin sportanorexia voorkomt, omdat velen het verzwijgen of proberen te verbergen. Gijsberts vindt het daardoor moeilijk in te schatten hoeveel studenten last hebben van de ziekte. ‘We hebben er slecht zicht op, doordat ze vaak verschillende cursussen volgen. Maar als ik door het sportcentrum loop, kan ik er zeker tien aanwijzen die hun lichaam te zwaar belasten. Wij vinden dat mensen gezond bezig moeten zijn in het Gymnasion, maar je hebt weinig invloed op hun handelen.’
Vier lessen per dag
Inge van Haselen, personal trainer en voedingsdeskundige, was in haar puberteit zelf anorexia athleticapatiënt. Haar problemen begonnen toen ze haar moeder tegen een vriendin hoorde vertellen: ‘Die groeit nog wel een keer naar maatje 44. Ik koop haar kleren altijd op de groei.’ Dit voedde haar onzekerheid dermate, dat ze ten koste van alles trachtte te voorkomen dat ze dik werd. Sporten was daarbij een voor de hand liggend middel. ‘Ik fitnesste elke dag. ’s Middags volgde ik twee lessen achter elkaar en ’s avonds ging ik nog eens terug naar de sportschool.’ In tegenstelling tot andere sportanorexiapatiënten probeerde Van Haselen haar kwaal niet te verbergen. ‘Ik had helemaal niet door dat wat ik deed raar was. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld. Het wereldje waarin ik sportte leverde daartoe ook een belangrijke bijdrage. In de jaren tachtig werd een fitnessclub slechts bezocht door fanatiekelingen. Nu komen er vooral dikke mensen om af te vallen.’
Het gevaar van de aandoening is dat deze lang kan voortslepen. Dit levert, naast lichamelijke uitputting ook mentale schade op. Het concentratievermogen neemt af en veel vrienden bezitten niet het uithoudingsvermogen om met de zieke om te gaan, wanneer deze de geboden hulp keer op keer af blijft slaan. Ammerlaan: ‘Als bijvoorbeeld een vriend belt om te vragen of een patiënt mee gaat stappen en deze heeft nog niet gesport, dan zal deze ongetwijfeld weigeren. Er zijn echter nog zwaardere gradaties bekend waarbij mensen letterlijk dag en nacht bezig zijn met bewegen.’
Op een bepaald moment zag Van Haselen in dat haar gedrag niet gangbaar was. Op eigen houtje wist ze haar obsessie te overwinnen: ‘Door mijn werk als mode-inkoper kreeg ik meer zelfvertrouwen en verschoven
mijn interesses. Ik vond ook andere manieren om gelukkig te zijn, zoals binnen mijn relatie.’
Kinderwens
Van Haselen is zonder hulp van haar problemen afgekomen, maar zij is een uitzondering. De meeste sportanorexiapatiënten zien niet in dat ze in de penarie zitten, laat staan dat ze zichzelf uit de moeilijke situatie weten te bevrijden. Vaak is professionele ondersteuning vereist, maar dat is lastig wanneer de persoon in kwestie alle hulp afwijst. Toch is het noodzakelijk om ze steeds weer te wijzen op hun houding. Gijsberts: ‘Zelfs als fitnessdocent is het erg moeilijk om tot een obsessieve sporter door te dringen. Uiteindelijk moeten mensen zelf hun problemen onder ogen zien, wij kunnen ze daar slechts bij helpen.’
In het verleden heeft de coördinator ongezonde sporters meermaals doorverwezen naar een laagdrempelig voedselspreekuur van een diëtist. Moedeloos zegt hij hierover: ‘Er kwam nooit iemand opdagen.’
Voedingsdeskundige Ammerlaan bevestigt dat het zeer lastig is om te fanatieke sporters aan te spreken op hun gedrag. ‘Het kost me altijd veel moeite om het vertrouwen te winnen van de mensen die ik begeleid. Ik probeer tot de patiënten door te dringen met behulp van vragen waardoor zij zich hun eigen problemen gaan realiseren. Dit doe ik door toekomstgerichte vragen te stellen. Uiteindelijk antwoorden ze dan bijvoorbeeld: “Ik wil wel kinderen, maar daarmee maak ik mijn lichaam kapot.” Dan heb ik als adviseur een aanknopingspunt.’
Het is moeilijk om sportanorexia de baas te worden, maar nog moeilijker om het de baas te blijven. Dat vereist immers dat het obsessieve gedrag structureel wordt veranderd. Zelfkritiek en doorzettingsvermogen zijn daarvoor belangrijke voorwaarden. De Arbo- en Milieudienst van de universiteit probeert ongezonde sporters te wijzen op hun gedrag, maar het is de vraag of zij zich aangesproken voelen door de in het sportcentrum opgehangen posters.
Het overwinnen van de ziekte moet gepaard gaan met het verkrijgen van zelfvertrouwen en het stellen van nieuwe prioriteiten, maar dat is moeilijker dan het lijkt. Ammerlaan: ‘Vaak hebben patiënten het probleem zo
ver weggestopt, dat ze weigeren het onder ogen te zien.’ Voor velen blijft de ziekte dan ook sluimerend aanwezig, ook bij Van Haselen: ‘Ik denk af en toe dat ik het nog steeds een beetje heb.’
Tekst: Stefan Meeuws en Henk Strikkers
Illustratie: Marieke Meijer
Klik hier voor alle vakken van de ANS december 2009.






