Het Elfde Gebod
Na het doorstaan van een ellenlange preek over de risico’s van sneeuwballen voor de verkeersveiligheid, en zes keer onze welgemeende excuses te hebben aangeboden aan de agent, doken de jongen met oranje handschoenen en ik een kroeg in. Farid heet hij. En hij is moslim. In het dorp waar ik opgroeide, wonen geen moslims. En als ik mijn vader moet geloven, is dat maar goed ook.
Twee weken later – ik heb net een zeven gehaald voor Oude Letterkunde dus ik ben in een overwinningsmood – besluit ik mijn geluk af te dwingen. Met twee paar schaatsen bungelend aan mijn stuur, trotseer ik de – overigens bar slecht bestrooide – Nijmeegse fietspaden richting het huis van Farid.
‘Hoi!’ begin ik ongemakkelijk. ‘Ik dacht, misschien heb je zin om te gaan schaatsen?’ Een net gedouchte Farid, in enkel een enigszins kinderlijke Simpsons-boxershort, kijkt me vragend aan. ‘Ehm…’ aarzelt hij. Zie je nou wel, wat een kutidee. ‘Goed plan. Dan trek ik wel even kleren aan.’ Zijn kamer is klein, een enorme puinhoop en voorzien van een ingebouwde hoogslaper. De oranje handschoenen liggen op een stoel.
Farid blijkt een onverwacht talent te hebben. Moeiteloos schaatst hij achtjes om me heen, terwijl ik me maar net staande houd. ‘Wat een goed idee! Ik ben dit jaar voor het eerst niet met mijn Lacustris clubgenoten op schaatsreis naar Italie, wat zullen zij balen dat hier nu zoveel
natuurijs is!’
Na me een uur quasi-onhandig in zijn armen te hebben geworpen, krijg ik honger. We gaan via de AH naar mijn huis en gooien een pizza in de oven. Dan gaat de bel. Ik open de deur en krijg de schrik van mijn leven. Mijn ouders, met een legendarisch slecht gevoel voor timing. Als ik zie wie ze hebben meegenomen, schrik ik nog harder. Peter. De übernerd waar mijn ouders me al eeuwen aan proberen te koppelen. ‘Dag meisje, we dachten, we komen eens langs. Peter wilde graag mee, leuk he?’ Ik stamel wat over eten en bezoek, maar ze lopen al
naar boven.
’Pap, dit is Farid…’ begin ik, en Farid lacht hartelijk, maar mijn vader heeft duidelijk zijn oordeel al klaar. Hij draait zich om en loopt weg. Ik ren hem verbijsterd achterna. ‘Dat soort mensen, hoe kun je die nou in je huis uitnodigen!’, schreeuwt hij, midden op straat. Ik word woest. ‘Jouw bekrompen christelijke wereldbeeld hoef je mij niet op te leggen! Dat heb je lang genoeg gedaan!’ Mijn vader kijkt me een moment aan, en beent dan nijdig weg, Peter en mijn moeder in zijn kielzog.






