Meelopers: Ooievaar of Ongeboren
Iedere maand loopt ANS een dag mee in de schaduw van een zonderling. Deze maand: levensbepalende keuzes in een abortuskliniek
Tekst: Rianne van den Bosch en Adrianne Tuk
Illustratie: TLG
In de kliniek gaan verdriet en opluchting hand in hand. Het werk van een abortusarts is zwaar en ook de buitenwereld maakt het niet gemakkelijker. ‘Toen ik voor moordenaar werd uitgescholden, vroeg ik me af of ik niet iets anders moest gaan doen.’

Van buiten ziet het Mildred Rutgershuis in Arnhem eruit als een doodgewone woning, maar binnen verraadt de ziekenhuisgeur dat er zich geen huiselijke taferelen afspelen. In het pand is het Centrum voor Seksualiteit, Anticonceptie en Abortus gevestigd. ‘We doen hier zo’n twaalf abortussen per dag,’ vertelt Colette Rombouts, abortusarts en medisch eindverantwoordelijke van de kliniek. Per jaar worden er in Nederland ongeveer 32 duizend behandelingen uitgevoerd.
Het proces rond een abortus verloopt in negen van de tien situaties rustig. Toch komt de arts geregeld opvallende vrouwen tegen: ‘Zo behandelden we een streng gelovige vrouw die voor de kerk werkzaam was. Een ander was gewenst zwanger, maar kreeg paniekaanvallen. Ze was bang om naar haar werk te gaan en bang voor het echo-apparaat. Die vrouw was werkelijk bang voor alles. Daardoor durfde ze haar zwangerschap niet uit te dragen.’
De meerderheid van de vrouwen die een abortus ondergaat, is tussen de 20 en 30 jaar. ‘De jongste patiënten die we hier hebben behandeld waren 12 jaar, maar dat komt niet veel voor. Wel zien we hier regelmatig meisjes van 14,’ vertelt Rombouts.
Naast het uitvoeren van abortussen geeft het Mildred Rutgershuis seksuele voorlichting en verstrekt het voorbehoedsmiddelen. Dat mag helaas niet altijd baten. ‘30 procent van de vrouwen die hier een abortus ondergaat, hebben we al eerder behandeld.’
Van baarmoeder naar buisje
Voordat een vrouw naar de abortuskliniek komt, is ze meestal al bij de huisarts of gynaecoloog geweest voor een eerste gesprek. Zij heeft daarna een bij wet verplichte bedenktijd van vijf dagen. In de kliniek vindt vervolgens een gesprek plaats tussen een verpleegkundige en de patiënte. ‘Dan wordt besproken waarom de zwangerschap niet gewenst is en met name of de vrouw zeker is van haar besluit,’ aldus Rombouts. ‘Als we merken dat de vrouw twijfelt, wordt ze naar huis gestuurd.’ Soms ziet de kliniek haar dan niet terug. Als de keuze voor abortus definitief is, wordt een echo gemaakt om te kijken hoe ver de zwangerschap is gevorderd. Na 24 weken is een vrucht buiten de baarmoeder levensvatbaar. Daarom mag volgens de wet een abortus na die periode niet meer worden uitgevoerd. In de praktijk wordt echter een grens van 22 weken aangehouden. ‘De echo kan ernaast zitten en niemand wil over die grens van 24 weken heen.’
De echo dient verder om te bepalen welke behandeling er wordt toegepast. Met een abortuspil wordt een kunstmatige miskraam opgewekt. De kliniek in Arnhem verstrekt deze tot acht weken zwangerschap. Als de vrouw langer zwanger is, gaat de arts sowieso over tot ‘curettage’. Bij deze behandelingsmethode wordt de vrucht uit de baarmoeder gehaald met een buisje dat is aangesloten op een zuigpomp. Rombouts: ‘Veel vrouwen zijn bang dat het een enorme herrie wordt, maar dat is niet het geval. Het enige dat akelig kan zijn aan de curettage is het ontluchten van het apparaat, dat maakt een slurpend geluid.’
Weg is weg
Een abortus mag alleen worden uitgevoerd wanneer de vrouw zich in een noodsituatie bevindt. Rombouts is hier stellig in: ‘Het is voor mij onmogelijk om te beoordelen wat een noodsituatie is. Ik kan niet zeggen: “Jij mag wel een kind krijgen, maar bij jou gaat het echt niet.” Dat is de beslissing van de vrouw.’ Vrouwen kiezen voor een abortus om meerdere redenen. ‘Iemand die studeert heeft bijvoorbeeld niet de financiële middelen en de tijd om een kind op te voeden.’ De abortusarts beschrijft de moeilijkere gevallen: ‘Bij die vrouwen is het een keuze tussen verstand en gevoel. Eigenlijk zouden zij het liefst hun omstandigheden veranderen en naar hun gevoel luisteren. Deze vrouwen zeggen echter dat zij niet anders kunnen dan het kindje laten weghalen. Dat zijn degenen die het vaakst spijt krijgen,’ verzucht ze.
Het komt voor dat vrouwen de vrucht mee willen nemen om het bijvoorbeeld te begraven. Dat kan helpen bij de verwerking. ‘Ik heb weleens meegemaakt dat iemand de vrucht wilde bewaren in een met fluweel bekleed doosje, compleet met strikjes en een belletje.’ Rombouts vraagt zich in zulke gevallen wel af hoe goed het besluit tot abortus is. ‘Dan voelt het niet goed, maar de vrouw blijft bij haar beslissing. Zelfs als ze in de stoel ligt, vlak voor de verdoving, wordt nog een keer gevraagd of ze het zeker weet.’ Uiteindelijk kwam deze vrouw terug naar de kliniek en gaf ze aan de verkeerde keuze te hebben gemaakt.
Plastic foetusjes en moordenaars
Bijna iedere week staan er demonstranten voor de deur van de kliniek. Zij spreken de patiënten aan en vanuit religieuze overtuiging proberen ze hen van hun keuze voor een abortus te weerhouden. ‘Voorheen deelden ze plastic foetusjes uit,’ vertelt de abortusarts. ‘Nu mag dat niet meer en geven ze patiënten folders waarin staat dat er nog hoop is.’ De medewerkers van het Mildred Rutgershuis worden met rust gelaten en hebben zelf weinig last van de demonstranten. Wat Rombouts wel als schokkend ervaarde, was een demonstratie in Sevilla tijdens een internationaal congres over abortushulpverlening. ‘Daar stonden mensen met spandoeken te roepen dat we moordenaars zijn. Dat was heftig.’ Ook het nieuws dat er twee jaar geleden in Amerika een abortusarts werd vermoord om zijn beroep liet haar niet koud. ‘Je kunt nog zo overtuigd zijn van je werk, je moet het wel op een normale manier kunnen blijven doen.’
Hevige weerstand tegen abortus blijft tevens in Nederland bestaan. Onlangs verscheen op internet een filmpje van de Stichting Schreeuw om Leven, waarin poppetjes ovens in gaan en abortus wordt vergeleken met de Holocaust. Rombouts huivert: ‘Daar zie je dan twee foto’s van kindjes van 24 weken waarbij staat: “Hij mag wel leven en hij niet.” Dat is behoorlijk confronterend.’ In het vakgebied is dan ook een ethische discussie gaande over de grens van 24 weken. ‘Medisch gezien is er steeds meer mogelijk en een kind heeft tegenwoordig meer kans om te overleven als het te vroeg wordt geboren dan toen de wet in 1981 werd opgesteld. Toch is de kans dat het kind overleeft klein en waarschijnlijk komt het ter wereld met afwijkingen. Het is goed de grens van de levensvatbaarheid als abortusgrens te stellen.’
‘Vaak wordt gezegd dat een zwangerschap de schuld is van de vrouw zelf en dat als het haar gebeurt, ze ook maar voor het kind moet zorgen. Ik vind echter dat je bewust moet kiezen voor kinderen. Opvoeden is niet iets wat je zomaar even doet, je doet het voor de rest van je leven.’ Ze beaamt dat haar beroep niet bepaald vrolijk is. ‘De vrouwen die hier komen hebben een probleem en zijn over het algemeen erg verdrietig. Gelukkig gaan de meesten opgelucht de deur uit. Dat is voor mij een reden dit werk te kunnen blijven doen.’
Kijk hier voor de andere artikelen uit de februari-ANS






