ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Interview met Stef Bos: In de vuurlinie

In zijn eerste hit zong Stef Bos hoe hij ontzettend op zijn papa begon te lijken. De focus op zijn individu is typerend in zijn gehele oeuvre. ‘Als je een personage speelt op het podium, verliest je performance heel veel aan kracht.’

Tekst: Ruud Vos
Foto’s: Sjors Overman

Sinds Papa heeft Stef Bos (45) al vijftien jaar geen grote hits meer gescoord. Succes ontbreekt hem echter niet: hij trekt overvolle zalen met theatertours waarin hij zichzelf begeleidt op piano, gitaar en hier en daar een stukje accordeon. Albums als Is dit nu later? en Zien lonkten de critici naar zijn kant: twee Edisons, een Zilveren en een Gouden Harp sieren zijn trofeeënkast. Deze is te vinden in zijn huis in het Belgische Wachtebeke, een dorpje vlak over de Zeeuws-Vlaamse grens. De Veenendaalse liedjeskunstenaar is al ruim twintig jaar woonachtig in het land waarnaar hij uitweek om Kleinkunst te studeren, en waar hij al hoog in de hitlijsten stond genoteerd voordat hij doorbrak in zijn moederland. ‘In België was ik een soort popidool, waardoor ik zat gevangen in een bepaald beeld. Hier in Nederland zat er een man of dertig in de zaal. De contradictie maakte het mogelijk me hier verder te ontwikkelen.’
Een vast thema in het repertoire van Stef Bos is de representatie van wie hij is. ‘Dat is een hele weg om af te leggen. Ik heb tegenwoordig het gevoel dat ik niet wezenlijk anders ben op het podium dan hoe ik hier zit.’ De ‘hier’ waarop hij zinspeelt, is een kleedruimte die zich bevindt achter het beeldschone openluchttheater Caprera in Bloemendaal, waar hij zojuist een exclusieve show heeft neergezet. De rasartiest was eigenlijk niet van plan op te treden deze zomer. Collega-muzikant Huub van der Lubbe wist hem ervan te overtuigen om in dit amfitheater, middenin de beboste duinen, zijn zomerreces te doorbreken. Gezeten in het bijeengeraapte meubilair van de sober ingerichte rustruimte openbaart de liedjesschrijver zich als een grenzeloos verteller.

Meneer Chocomoes
Wie op jonge leeftijd naar de BRT keek, heeft de zanger al in 1989 kunnen bewonderen in Samson en Gert. ‘Ik werd destijds gevraagd een titelsong te schrijven voor die hond. Toen ze me ook vroegen in het programma mee te spelen, vond ik het wel geestig om dat te doen. Maar er is aan mij geen groot acteur verloren gegaan’, vertelt Bos. De nogal achteloos met andermans namen omspringende viervoeter noemde hem altijd ‘meneer Chocomoes’, afgeleid van zijn karakternaam Joop Mengelmoes. Merkwaardig genoeg is die naam op dit moment meer op hem van toepassing dan ten tijde van Samson: in alles wat hij doet vertegenwoordigt hij een ware mengelmoes van drie culturen, namelijk de Nederlandse, de Vlaamse en ook nog de Zuid-Afrikaanse. ‘Op het moment ben ik in balans. Ik voel me in deze drie landen thuis: daar reis ik niet meer, daar bén ik, ook in de taal.’
De Nederlandse artiest vestigde zich in 1984 in Antwerpen. ‘Vanuit een protestants nest kwam ik in het katholieke Vlaanderen terecht. Inmiddels woon ik er al twintig jaar, dus het Vlaamse sijpelt door in mijn persoonlijkheid.’ Tijdens zijn studie Kleinkunst heeft hij ook muzikaal gezien een Vlaamse stempel op zich laten drukken, mede door zijn docent Raymond van het Groenewoud die bekend werd als zanger van Je veux de l’amour. ‘Ik kwam binnen als cabaretier en ben naar buiten gekomen als singer-songwriter. Raymond zei tegen mij: “Het is leuk dat je zingt over de maatschappij, maar zing eens over wat je zelf voelt. In plaats van de klootzak in iemand anders te beschrijven, zoud ge ‘t beter in uzelf doen.” Ik moest zélf in de vuurlinie gaan staan.’
‘Bij toeval kwam Zuid-Afrika erbij’, voegt Bos eraan toe. ‘Daar is een rare mengeling aanwezig van het rustige en afstandelijke van Vlaanderen en het calvinistische van Nederland. Dat intrigeerde me mateloos.’ Tijdens zijn reizen in Zuid-Afrika hoorde hij het lied Hillbrow van de inheemse zanger Johannes Kerkorrel. Daardoor werd hij verliefd op de Afrikaanse muziek, en vooral de taal. Sindsdien hebben Bos en Kerkorrel een vruchtbare uitwisseling van muzikaal contact gehad en is de Nederlander ingebed in de muzikale canon van Zuid-Afrika. ‘Toen ik binnenkwam in dat land bestond er een enorme generatiekloof tussen de oude generatie die was gecorrumpeerd door het regime en de jongere generatie die niet meer wist of ze nog wel van hun land en cultuur kon houden.’ Zijn nummer Jy vir my Suid-Afrika sloeg heel erg aan, doordat het een directe attaque op het nationalisme is en tegelijkertijd een liefde voor een land verwoordt. ‘Nu draaien die gasten dat op de feestjes van de Universiteit van Pretoria. Als ik in Zuid-Afrika optreed, zitten er ook allemaal studenten in de zaal.’

Onmachtige miertjes
Aan een directe typering van zijn muziekstijl waagt de liedjeskunstenaar zich niet. ‘Als ik die probeer te definiëren, is het alsof ik een stuk natte zeep in mijn hand houd. Het glipt telkens weg op het moment dat ik denk dat ik het heb. Ik laat het liever aan anderen over.’ Niet dat er onder die anderen consensus bestaat. ‘In België werd ik kleinkunstenaar genoemd, in Nederland vond men mij een cabaretier die zingt en in Zuid-Afrika ben ik een alternatieve singer-songwriter.’
In welke vorm Bos zijn werk ook giet, wat hij vooral belangrijk vindt, is dat hij zichzelf in zijn nummers schrijft. ‘Ik begin autobiografisch, daarna leg ik de boodschap in het midden. Die vertrekt vanuit mij als mens, vervolgens pakt iemand anders haar over en interpreteert haar vanuit zijn eigen kijk op de zaken. Als mijn nummers te veel over mij persoonlijk zouden gaan, wordt het te subjectief en een beetje schaamteloos. Het mag geen masturbatie op het podium zijn. De essentie van taal is proberen over te brengen wat je denkt en wat je voelt, zó dat iemand anders het begrijpt.’
Dan slaat de zanger een filosofische weg in: ‘Mensen lopen als een soort onmachtige miertjes over de aarde te krioelen. Het is deze onmacht die ik probeer te overstijgen door iets vast te leggen terwijl de tijd voortgaat. Een lied is een soort vastgevroren moment dat wordt gekristalliseerd in een vorm, net zoals bij een foto.’ Erg vaststaand is de vorm niet, zo is eerder deze avond al gebleken toen de artiest meerdere liedjes in een vernieuwde versie ten gehore bracht. ‘Het is als een zwart-wit dia die elke keer andere kleuren krijgt; de ene keer een felle kleur, dan weer een zachtere. Zolang de vorm maar een connectie heeft met de inhoud. Ik vind speelsheid erg interessant.’
Op het podium krijgt dit spelletje een extra dimensie door de interactie met zijn muzikanten. ‘We hebben een soort dialoog, maar dan zonder taal. Als we elkaar dwingen risico te nemen, kunnen we boven onszelf uitstijgen. Daar pak je een stukje spiritualiteit. In Afrika ontdekte ik dat muziek iets religieus moet hebben, zonder dat het om godsdienst gaat. Zwarte muziek is gebaseerd op een voortdurende herhaling van akkoordenschema’s, totdat die in een trance terechtkomen. Spiritualiteit in muziek vind ik heel belangrijk, het is zelfs noodzaak. Maar het is flauwekul om er een naam of dogmatiek aan te geven. Je moet gewoon met je hart spelen en that’s it.’

Kaleidoscopisch
‘Ik heb in Afrika veel nummers geschreven met zwarte muzikanten: om het avontuur te zoeken en buiten mijn eigen gebied te treden.’ Probeert Stef Bos zijn grenzen ook volledig te negeren? ‘Ja, maar het duurt soms enige tijd om te ontdekken dat ik vastzit in een bepaald kader. Dat is de normale weg in het leven: soms even rondcirkelen, om vervolgens weer vooruit te schieten. Ik vind dat een heel mooi proces.’ In Witzand wist hij te pakken wat hem in enkele voorafgaande liederen niet lukte: ‘Witzand is een heel persoonlijk nummer. Maar ik wil mensen wel het gevoel geven dat het ook over hen gaat en dat ik transparant ben. Dat ik mezelf geef. “Je moet niet andere mensen neerschieten. Laat jezelf neerschieten.”, zei Raymond eens tegen me.’
Wat Bos aan invloeden heeft gekend, loopt sterk uiteen. ‘Dat is heel kaleidoscopisch. Ik vind het mooi om mensen te zien die iets doen wat te maken heeft met wie ze zijn. Dat zoek ik zelf ook. Eigenlijk heb ik geen idolen: wat Ramses Shaffy doet bijvoorbeeld, kan alleen Ramses. Ik luister meestal naar mensen die een ontwikkeling doormaken, rijper worden. Randy Newman en Tom Waits bijvoorbeeld. Ik ben zelf ook iemand die wel ouder mag worden, bovendien is de weg leuker dan het eindpunt.’ Voordat Stef Bos zijn verhaal kan afmaken, onderbreken drie bandleden het gesprek om afscheid te nemen. ‘Anders moeten we de oppas extra betalen’, grapt de bassist. Bos kust alledrie een keer op de wang en zwaait ze uit. ‘Er moet een rek, een speling blijven in mijn ontwikkeling’, vervolgt hij. ‘Muzikaal zou ik nog veel meer moeten kunnen, maar het zijn stapjes die ik maak. Waar jullie staan, kun je sprongen maken. Ik ben nu 45, dan maak je geen sprongen meer.’