Cleijne Column
‘Verdieping… twintig. ‘Stil jij!’ sis ik. Als ik erachter kom waar de vrouw woont die de lift van het Erasmusgebouw heeft ingesproken, neem ik hem subiet weer terug naar beneden. Ik sta voor een schemerige twintigste verdieping. Leeg, verlaten. Boven het regelmatige gezoem van de ventilatie uit komt het geklepper van de luxaflex in één van de halletjes. Het raampje zal wel weer open staan. Waarom ben ik daar? Ik heb een missie. Kijken of er een deur van een kantoortje open staat, zodat ik in doodse afzondering allerlei snode plannen kan bedenken.
Eén voet op de verdieping. Shit. Zag ik daar een schim? Ik sta nog met één been in de lift, en met wijd opengesperde ogen staar ik het donker in om te kijken. Niks. Ik draai mijn hoofd alsof ik zo beter kan horen. Er schuifelt wat. De liftdeuren gaan open en dicht tegen mijn been. Tijd om de sprong te wagen, maar mijn been blijft haken achter de linkerdeur en ik kletter met een hels kabaal tegen de liftdeur aan de overzijde. Ik blijf doodstil liggen, alsof het gevaar me dan niet opmerkt, want daar is het. Uit de deemster doemt hij op, de kale portier. Naar de grond kijkt hij, verdwaasd en verloren. Misschien is hij decennia geleden ontslagen en spookt hij nu rond als een soort poltergeist. Of misschien wil hij ook snode plannen bedenken maar is hij zijn sleutels kwijt.
Ik sta voorzichtig op en sluw mezelf een hoek om. Achter me loopt de portier tegen een deur en wordt woedend. Hij begint het gebouw te slopen en ik zie aan het einde van de gang glas en stenen tegen de muur vliegen. Ik moet snel een kantoortje in! Ik haal een koevoet uit mijn broek en breek de eerste deur die ik zie open. Ik kijk bedachtzaam naar binnen. Links niks. Rechts een rottweiler. Alert spring ik naar voren, sla een raam in met mijn stuk staal, en zwaai de woedende hond per ongeluk tegen het raam ernaast. Ik denk niet dat ik die actie ooit goed kan maken en zak huilend in een hoekje, wachtend op de terminale beet. Na een tijdje ontwaar ik bij de deur mijn studieadviseuse, Regda. ‘Zit!’ zegt ze, en het misbaksel gaat kwijlend zitten. ‘Spring het raam uit!’ roept de voorbij tierende portier terloops, en de hond springt met een blije blaf zijn dood tegemoet.
‘Hoe heb je die kale mafkees kunnen omzeilen?’ vraag ik Regda. ‘Ik heb hem met een kluitje in het riet gestuurd’ zegt ze. ‘Goh, dat is een mooi kluitje’ antwoord ik, waarop ze mij ermee in mijn gezicht begint te slaan. ‘Hou op! Hou op, gek! Hou…’
Het Erasmusplein is leeg zo aan het einde van de dag. Zo’n hele tijd studeren is echt niks voor mij. Ik ga liever op ontdekkingsreis. Die zal ik in ieder geval te voet moeten aanvangen. Net als ik mijn sleutel in het slot van mijn fiets wil steken, landt er een hond op.






