ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Het elfde gebod

‘Godverdomme! Ik ga het huis uit!’
Ik schrik er zelf van dat ik het roep. Mijn ouders schrikken echter nog meer. Met een dof geluid klettert de pan met hete aardappelen die mijn moeder zojuist nog in haar handen hield op de grond. Mijn vader legt de in leer gebonden Statenbijbel met een klap op tafel. ‘Sorry vader en moeder, ik hou echt heel veel van jullie, maar ik houd het hier niet langer uit!’
Mijn ouders. Ze hebben ongetwijfeld hun best gedaan mij goed op te voeden, maar de laatste jaren ben ik steeds meer aan hun levensopvattingen gaan twijfelen. Ik ben net als zij Christen, maar de manier waarop het hun leven bepaalt, beangstigt me. We zijn net thuis van de kerk. Mijn vader, een norse ouderling, nog gehuld in zijn zondagse zwarte pak. Mijn moeder, een timide vrouw in een enkellange rok, haar haren in een knot. Zij denken niet na, de kerk denkt voor hen. En daarmee ook voor mij. Dat ben ik me de laatste jaren steeds meer gaan realiseren. Maar binnenkort wordt mijn leven van mij. Over een maand ga ik in Nijmegen studeren en dan wordt alles anders. Tenminste dat dacht ik…
Vanochtend na de dienst stonden alle dorpsbewoners op, om in ganzenpas de tocht over de dijk terug naar huis en het zondagse maal maken. De preek had zoals gewoonlijk weer veel te lang geduurd. Tenminste 118 minuten en 33 seconden van mijn leven had ik besteed aan het tellen van het aantal keer dat het woordje ‘en’ voorkomt in het Oude Testament.
Terwijl we buiten in de ochtendzon voor de kerk stonden, volgde ik de wat angstige blik van mijn moeder. Ze keek naar mijn vader, die een blonde jongen mijn richting opschoof. Hij zag er sympathiek, maar wat dom en boers uit. ‘Dit is Peter. Hij studeert Natuur en Bosbouw in Wageningen’ zei mijn vader trots. Peter lachte verlegen en mompelde: ‘Wil je mijn verzameling muizenschedels een keer komen kijken? Van binnen schreeuwde ik het uit. Ik antwoordde echter beleefd: ‘Goh, leuk. Maar nu moet ik naar huis om te eten.’
Toen ik met mijn ouders het met kiezelstenen bezaaide kerkpad afliep zei mijn vader: ‘Die knul is een goede partij voor je. Misschien moet je een keer bij zijn ouders langsgaan’. Mijn moeder stak haar arm door de mijne en voegde er nog hoopvol aan toe: ‘En hij studeert. Misschien hoef je dan ook niet meer naar Nijmegen te gaan en kan je lekker hier blijven.’
Ik slikte mijn boosheid weg, schudde me los en beende halsstarrig voor hen uit naar huis. We aten in stilte. Na de bijbel voordracht had mijn vader nog iets op te biechten: ‘Ik heb zonet even gebeld met de ouders van Peter. Ze komen vanmiddag langs op de koffie.’ Mijn opgekropte woede bereikte een ongekend hoogtepunt. Ineens zag ik mezelf hier over twintig jaar. Een uitgebluste vrouw in een hooggesloten blouse. In het huis van mijn ouders, samen met Peter en tien kinderen aan mijn rokken. Toen volgde de uitbarsting: ‘Ik ga godverdomme het huis uit! En Peter, die koppel je maar aan die saaie muts van de buren!’
Ik storm met grote stappen de eikenhouten trap op. In mijn kamer zet ik de computer aan en tik www.kamernet.nl in.
‘Ik (18) aankomend eerstejaars Nederlands, ben zo snel mogelijk op zoek naar een kamer in Nijmegen. Afmeting en prijs doen er niet toe. Ik droom van een bandeloos leven zonder ouders en zonder God. Ik heb een hoop in te halen.’