Het Issue – Onderzoek te koop?
In deze rubriek staat iedere maand een ander Issue centraal, waarover de meningen sterk zijn verdeeld. Deze maand: bedrijfsgeld voor onafhankelijk onderzoek?
Tekst: Stefan Meeuws en Alexander Thijssen
Illustratie: Erik Molkenboer
In een tijd waarin universiteiten moeten bezuinigen en er meer gegadigden voor steeds minder onderzoeksgeld zijn, gloort er hoop. Financiële middelen uit het bedrijfsleven lijken de oplossing voor de universitaire geldproblemen. Eerder dit jaar meldde de Volkskrant dat bijna een kwart van de 5481 leerstoelen aan Nederlandse universiteiten direct of indirect wordt gefinancierd door externe partijen. In het artikel werd het voorbeeld genoemd van een hoogleraar Zuivelkunde die melk aanprees en tegelijkertijd als directeur bij Campina werkzaam was. Zijn leerstoel werd betaald door de Nederlandse Zuivel Organisatie. Het gevolg was een discussie over de kwestie of inmenging van het bedrijfsleven in universitair onderzoek een goede ontwikkeling is.
Bedrijven zouden met hun geld het universitair onderzoek in de richting van hot issues kunnen sturen, terwijl broodnodig ander onderzoek wordt verwaarloosd. De wetenschappelijke onafhankelijkheid kan in het gedrang komen wanneer een hoogleraar wordt gesponsord. Aan de andere kant kan de invloed van het bedrijfsleven de wetenschapsbeoefening bevorderen en kan onderzoek worden gedaan waarvoor normaal geen geld is.
De stelling van deze maand: sponsoring door het bedrijfsleven biedt kansen die door de wetenschap moeten worden gegrepen.
Dr. Sijbolt Noorda, voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU)
‘Het is positief wanneer private financierders rechtstreeks met het universitaire onderzoek zijn verbonden. Het verstevigt het draagvlak voor wetenschapsbeoefening en onderstreept het maatschappelijk belang ervan. Naast overheidsgelden komt in toenemende mate ook privaat geld ter beschikking. Universitaire instellingen juichen deze ontwikkeling toe.
‘Bedrijven kiezen juist voor universitair onderzoek vanwege de academische onderzoeksomgeving, de aanwezige kennis en de verbinding met het onderwijs. Verder zullen universiteiten alleen middelen van bedrijven aannemen indien de doelstellingen aansluiten bij bestaande onderzoeksprioriteiten.
‘Voor zover er conflicten optreden tussen onderzoeker en opdrachtgever, vinden deze eerder plaats in het publieke domein dan in de bedrijfssponsoring. Denk aan een wethouder die een onwelgevallige uitkomst van een haalbaarheidsstudie wil temperen of een milieubeweging die haar bezwaren tegen gasboringen niet kan onderbouwen door onderzoek. Het voorbeeld van de hoogleraar Zuivelkunde vind ik niet overtuigend. Getuigt het alleen van onafhankelijkheid als hij zegt dat melk ongezond is? Het is belangrijk dat extern gefinancierd onderzoek volledig voldoet aan de eisen van onafhankelijke wetenschapsbeoefening. Je moet vrij kunnen publiceren over de resultaten, hoe die ook uitvallen. Dat lijkt moeilijker dan het in de praktijk is.
‘Brede steun voor de wetenschap is een positieve ontwikkeling. Maar wetenschappers moeten hun ziel niet verkopen, en stevig vasthouden aan onafhankelijkheid. Ze kunnen beter geen extra financiële middelen krijgen, dan onder beperkende voorwaarden het onderzoek voortzetten. Studenten horen in de loop van hun studie over dit soort onderwerpen en dilemma’s te worden geïnformeerd, zeker studenten die zelf onderzoek willen gaan doen. Goede wetenschap vergt een ontwikkeld geweten.’
Fouad el Houzi, vijfdejaars Nederlands recht, lid faculteitsraad Rechten
‘Het is inderdaad van groot belang dat er verbindingen worden gelegd tussen wetenschap en bedrijfsleven. Dit betekent een versterking van de kennisinfrastructuur. Door de kennisuitwisseling tussen universiteiten en bedrijven kan wetenschappelijk onderzoek een hoger niveau bereiken. Een hoogleraar kan voor het financierende bedrijf een brug naar nieuwe kennis betekenen. Ook de universiteit kan profiteren van een samenwerking. Bedrijven hebben zelf ook specialistische kennis in huis, die stimulerend kan zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Bovendien beschikken ze vaak over een uitgebreid nationaal en internaoitonaal netwerk. Universiteiten kunnen deze netwerken aanspreken om bijvoorbeeld onderzoeksopdrachten of stageplaatsen voor hun studenten te creëren. Op deze wijze plukken beide partijen de vruchten van deze vorm van samenwerking.
‘Daarnaast is er het financiële voordeel voor de academische wereld, de geldstroom vanuit het bedrijfsleven draagt bij aan de ontwikkeling van haar academisch onderzoek. Heikel punt in de discussie is de wetenschappelijke onafhankelijkheid van de gesponsorde hoogleraren. Financiering hoeft hieraan geen afbreuk te doen. Wanneer een bijzonder hoogleraar wordt aangesteld, wordt er naar mijn weten altijd een statuut opgesteld met de geldschieter. Er worden duidelijke afspraken gemaakt omtrent de wetenschappelijke onafhankelijkheid, zolang deze worden nageleefd is er weinig mis. Verder heeft de faculteitsraad instemmingsrecht bij benoeming van een hoogleraar. In het geval van financiering door het bedrijfsleven heeft dat tot gevolg dat de nadruk niet louter komt te liggen op modieus en winstgevend onderzoek.’
Prof. mr. C.J.H. Jansen, decaan Faculteit der Rechtsgeleerdheid, voorzitter van het onderzoekscentrum voor Onderzoek voor Onderneming en Recht (OO&R)
‘Binnen het OO&R werken de Faculteit, bedrijven en een tiental advocaten- en notariskantoren samen. Het is daarmee een praktijkvoorbeeld van samenwerking tussen universiteit en bedrijfsleven, waar beide partijen voordeel uit halen. Bij onze partners bestaat een grote wetenschappelijke expertise. Het samenwerkingsverband stelt medewerkers van bedrijven in staat te participeren in het wetenschappelijk onderzoek. Als het om een hoogleraar gaat, wordt dezelfde procedure gevolgd als bij andere benoemingen. Het College van Bestuur van de universiteit benoemt uiteindelijk de hoogleraar.
‘De betrokken partners van het OO&R stellen geld beschikbaar voor onderzoek op het terrein van het ondernemingsgerichte privaatrecht. Het bestuur van het OO&R, de wetenschapscommissie en het faculteitsbestuur keuren uiteindelijk het onderzoeksvoorstel goed. De partners garanderen uiteraard dat het onderzoek in volledige onafhankelijkheid kan worden verricht. Het is niet mogelijk dat een kantoor bijvoorbeeld het onderwerp van een proefschrift bepaalt.
‘De partners financieren het centrum omdat ze zich maatschappelijk verantwoordelijk voelen voor het feit dat wetenschappelijk onderzoek wordt verricht. Rechtswetenschappelijke ontwikkeling heeft bijna altijd praktische relevantie. Winstgevendheid speelt daarbij nauwelijks een rol.
Een belangrijker criterium vinden wij dat er studies worden verricht naar nieuwe onderzoeksgebieden. Het belang van onderzoek naar een bepaald rechtswetenschappelijk onderwerp is groot. Rechtszekerheid wordt gediend door deze vorm van samenwerking tussen de universiteit en het bedrijfsleven, dit is een groot goed in het maatschappelijk verkeer.’
Jos Put, Chief Technology Officer bij DSM, internationaal concern op het gebied van Life Sciences en Materials Sciences en sponsor van bijzonder hoogleraren in exacte vakken.
‘Het is een win-win situatie want het brengt de wetenschap en industrie bij elkaar. Verder draagt het bij aan ontwikkeling van de wetenschapper in kwestie en vergroting van kennis aan beide kanten. De sponsoring van hoogleraren maakt deel uit van de interactie van DSM met de externe kennisinfrastructuur. Ons bedrijf werkt al jaren nauw samen met universiteiten. DSM heeft veel baat gehad bij de goede balans tussen fundamenteel onderzoek door universiteiten en toegepast onderzoek door de bedrijven. Deze samenwerking tussen de academische wereld en industrie is essentieel voor verdere ontwikkeling van kennis en innovatie.
‘De onafhankelijkheid van een wetenschapper is gewaarborgd. De invloed van bedrijven op het onderzoek is niet zo groot als vaak wordt aangenomen. De gesponsorde hoogleraren worden benoemd door de universiteit. Hierin heeft het bedrijfsleven geen stem. De meeste gesponsorde hoogleraren werken maar één dag in de week op de universiteit. Wanneer een DSM-wetenschapper door een universiteit wordt benaderd gaat het altijd om vooraanstaande experts. Zij kunnen heel professioneel omgaan met hun taken en verantwoordelijkheden en zullen geheel onafhankelijk werken in het academisch onderzoek. Sturing door het bedrijfsleven zullen ze zich niet laten opleggen. Bij aanvang van de samenwerking tussen de partijen worden altijd afspraken gemaakt over de werkwijze, de doelstellingen en de intellectual property van de resultaten. Het onderzoek van een bijzonder hoogleraar vindt dus altijd plaats in het kader van de onderzoeksdoelstellingen van de universiteit.
‘Om tot sponsoring van een leerstoel over te gaan, moet ons bedrijf overtuigd zijn van een aantal aspecten van het onderzoek. Het moet passen in de carrièreontwikkeling van de wetenschapper en het hoogleraarschap moet bijdragen aan de ontwikkeling van de betrokkene als wetenschapper. Verder moet het betrokken onderzoeksgebied van belang zijn voor zowel bedrijfsleven als universiteit.’







Pingback: ANS-Online by notpicnic - Pearltrees