Alexander de Grote
Tien jaar geleden was hij nog lid van het Leidse studentencorps, nu is hij minister in het tweede kabinet Balkenende. Dat het snel kan gaan in het leven bewijst D66′er Alexander Pechtold.
Tekst: Laurens de Wit
Foto’s: Maartje Willems
Druk telefonerend loopt Alexander Pechtold (40) ‘zijn’ ministerie binnen. Zo vlak voor het kerstreces heeft de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties nog een overvolle agenda. Desalniettemin neemt hij even de tijd voor een kort interview in zijn sereen ingerichte kantoor, dat slechts wordt gesierd door enkele zeventiende-eeuwse schilderijen en planten.
Zeven kerels
Stormachtig, zo kan de ontwikkeling van de politieke carrière van Pechtold het best worden omschreven. In de jaren negentig was hij gemeenteraadslid in Leiden en in 1997 werd hij zelfs wethouder. In het najaar van 2003 volgde het burgemeesterschap van Wageningen. Nog geen twee jaar later volgde Pechtold Thom de Graaf op als minister voor Bestuurlijke Vernieuwing. Prompt eindigde hij in 2005 als tweede in de verkiezing van politiek talent van het jaar. ‘Die verkiezing moet je wel met een knipoog zien, maar ik zou liegen als ik zeg dat het me niets doet,’ vertelt de minister met een trotse glimlach.
De basis voor zijn politieke loopbaan legde Pechtold tijdens zijn studententijd in Leiden. De huidige plannen van staatsecretaris van Onderwijs, Mark Rutte, zouden voor hem funest zijn geweest: Pechtold studeerde namelijk tien jaar. ‘Ik ben begonnen met Rechten en vervolgens overgestapt op Kunstgeschiedenis. Omdat het met mijn scriptie niet zo vlotte, heb ik me enkele jaren uitgeschreven om te gaan werken. In de toekomst moet het voor studenten ook mogelijk blijven om een verkeerde keuze te maken en zich te laten vormen door het studentenleven. Ik denk dat de dingen om het studeren heen mij meer hebben gevormd dan het leven in de collegebanken.’
Zo was de minister lid van studentenvereniging Minerva, het Leidse corps. Zijn ‘actieve’ lidmaatschap hield voornamelijk het drinken van bier in, zo maakt hij duidelijk met een handgebaar. ‘In het studentenhuis, waar ik met zeven kerels woonde, heb ik het meeste geleerd: samenleven, discussiëren en een huishouden runnen. Toen ik een jaar of twintig was, vond ik mezelf een hele vent, maar als ik daar nu op terugkijk, was ik maar een kereltje,’ grinnikt hij.
Geneuzel binnen de marge
In zijn eerste maanden als burgemeester van Wageningen maakte Pechtold een goede indruk. Hij zocht direct contact met de burgers door bij willekeurige inwoners te gaan dineren en een stoel voor het gemeentehuis te zetten, zodat hij in gesprek kon komen met de burger. Nu hij minister is, tracht hij ook contact te houden met zijn achterban: ‘Vanuit de auto bel ik geregeld met mensen die mij hebben gemaild. Alleen mensen met concrete vragen bel ik, niet degenen die met hele beschouwingen komen.’
Tijdens zijn burgemeesterschap keerde Pechtold zich in zijn nieuwjaarsrede van 2005 fel tegen de identificatieplicht. Die zou volgens hem een ‘absurde schijnveiligheid’ creëren. Enkele maanden later nam Pechtold toch gewoon doodleuk zitting in de regering die deze maatregel had bedacht. De minister legt zijn beslissing uit: ‘Dat was een moeilijke keuze. Ik vond het uiteindelijk niet zo zwaar meewegen dat ik geen plaats kon nemen in het kabinet. Wel heb ik in overleg met minister Zalm (VVD, Financiën) bereikt dat de identiteitskaart voor veertienjarigen de eerste keer gratis is. Zo kan ik binnen de marge toch kleine puntjes binnenhalen.’
Het boekje te buiten
In zijn eerste maanden als minister kwam Pechtold meerdere malen in het nieuws toen hij ogenschijnlijk buiten zijn kaders trad. Oud D66-leider Jan Terlouw opperde daarop dat de ministerpost te klein was voor Pechtold. Ook minister Hoogervorst (VVD, Volksgezondheid) deed een duit in het zakje door te suggereren dat Pechtold zich verveelde op zijn departement. De minister vindt het, zeker gezien het aantal uur dat hij besteedt aan zijn taken, onzin dat zijn portefeuille te klein zou zijn. Daarnaast spreekt hij tegen dat hij zich te veel uitlaat over andere beleidsterreinen: ‘Dat is echt maar een keer gebeurd. Alleen bij mijn uitspraken waarin ik de hypotheekrenteaftrek ter discussie stelde, ging ik buiten mijn boekje. Vaak vallen mijn uitlatingen wel binnen mijn takenpakket, maar zien mensen dat misschien niet direct aan mijn titel.’ Als voorbeeld noemt Pechtold zijn inbreng in de discussie over de wietproblematiek met coffeeshops in grote steden. Grote-stedenbeleid valt onder zijn verantwoordelijkheid, het wietbeleid indirect dus ook.
Ook draagt hij volgens zichzelf niet bij aan de zo kenmerkende sorry-cultuur die in Den Haag heerst. ‘Slechts één keer heb ik mijn excuses aangeboden (hij verweet minister-president Balkenende bij te dragen aan het doemdenken aangaande een terroristische aanslag, red.). Dat hoort ook bij mijn helderheid. Zo werkte ik op lokaal niveau en zo blijf ik ook nu werken. Mijn vak is veranderd, mijn stijl niet.’ Om dit te symboliseren staat midden op zijn tafel een kaasstolp. Deze herinnert Pechtold er iedere dag aan dat hij daar niet onder terecht moet komen.
Schreeuw om leiderschap
Op inhoudelijk vlak is Pechtold bezig met een notitie over de huidige positie van de minister-president. De vraag van de samenleving om leiderschap en duidelijke sturing is hier mede aanleiding voor. ‘Onze premier is slechts voorzitter van de ministerraad. Hij heeft weinig bevoegdheden om zelf onderwerpen op de agenda te zetten of om tegen de overige ministers te zeggen: “We gaan het zus en zo doen.” De Nederlandse kabinetten worden gekenmerkt door coalities van twee, en in de laatste jaren steeds vaker drie partijen. Binnen deze coalitiecultuur moet worden gekeken welke rol de minister-president moet vervullen.’
Daarnaast vindt de minister het een slechte ontwikkeling dat steeds meer burgers te veel toeschouwer van de politiek zijn geworden in plaats van participant. ‘Toeschouwers leveren makkelijk kritiek,’ betoogt hij, ‘maar als de burger zich ook bij de politiek betrokken voelt, gaat hij verantwoordelijkheid dragen. Op deze manier moet de Nederlandse democratie worden geregeld.’
Terugkijkend op de afgelopen periode concludeert Pechtold dat zijn ministerspost hem op het lijf is geschreven: ‘Het proces van bestuurlijke vernieuwing en een ‘andere overheid’ hield mij altijd al bezig, omdat ik me aan de bestaande situatie ergerde. En Koninkrijksrelaties, ach, ik was wel eens op de Antillen geweest.’
Gezocht: lijsttrekker
Dat de minister ook na de Tweede Kamerverkiezingen van 2007 nog in Den Haag vertoeft, staat volgens hem zo goed als vast. Dat is opmerkelijk te noemen, aangezien Pechtold eerder zei dat de Haagse politiek nog erger was dan hij had verwacht en dat al zijn vooroordelen waren bevestigd. ‘Ik heb het nog niet gehad met Den Haag. Als het niet gaat zoals ik het graag wil zien, ontstaat de behoefte om te laten zien dat het anders kan. Ik wil laten zien dat een kunsthistoricus met wat lokale ervaring toch iets zinnigs kan bereiken.’ Zelfs het D66-lijsttrekkerschap wijst Pechtold niet op voorhand af. ‘Ik ben naar Den Haag gehaald om meer te doen dan alleen invulling geven aan een ministerpost. Maar ik moet me hier nog wel verder ontwikkelen, mezelf bewijzen.’
Hoewel Pechtold het liefst als minister op dezelfde post wil blijven, heeft hij ook interesse in een ander, tevens pragmatisch ingesteld, ministerschap: ‘Echt tastbare klussen, zoals Volkshuisvesting of Verkeer en Waterstaat lijken mij wel wat. Vraag mij niet minister van Justitie te worden, daarvoor ben ik te weinig jurist en ik beslis daarnaast te veel op basis van mijn gevoelens.’
Klik hier voor alle artikelen van ANS januari 2006.






