ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Docenten terug in de banken?

Veel docenten in het wetenschappelijk onderwijs hebben geen didactische opleiding genoten en dat is te merken. Collegezalen vol gapende studenten zijn helaas geen uitzondering. De Universitaire Studentenraad (USR) onderzoekt hoe het is gesteld met docentkwalificaties aan de RU.

Tekst: Hanneke Jansen
Illustratie: Martijn Houben


Docenten die stotterend voor een collegezaal staan, hun hele verhaal oplezen van vergeelde sheets en jaar in jaar uit exact hetzelfde tentamen afnemen: niet bepaald uitdagend en hoogstaand onderwijs. Toch komt het op alle faculteiten voor. Docenten aan de universiteit hebben vaak geen speciale opleiding genoten waarin ze is geleerd hoe ze college moeten geven. Vooral de oude garde heeft het vak met vallen en opstaan moeten leren. De achterliggende gedachte is dat docenten experts zijn op hun vakgebied en dus weten waarover ze praten. Maar als je weet wat je wilt vertellen, weet je dan ook hoe?
Sean Konijnendijk (21), derdejaars student Filosofie spreekt uit ervaring: ‘Sommige maken er echt een potje van. Ik heb meerdere docenten gehad die alles voorlazen zonder verdere uitleg. Er was geen enkele interactie met de groep, dat is toch triest? Ik betwijfel niet dat ze vakinhoudelijk goed zijn onderlegd, maar dat neemt niet weg dat een klein groepje maar wat aanklooit.’

Les voor de leraar
Leraren aan het basisonderwijs leren op de Pabo hoe ze de meest basale dingen moeten onderwijzen aan zesjarige kinderen. Collega’s op het hbo hebben een didactische scholing met een studiebelasting van driehonderd uur genoten. Hoe kan het zijn dat docenten aan het wetenschappelijk onderwijs zomaar in het diepe worden gegooid? Daan Speth (20), tweedejaars Biologie en lid van de USR nuanceert dit: ‘Er zijn wel degelijk cursussen voor beginnende docenten. Deze zijn echter niet aan alle faculteiten verplicht.’
Aan de RU Nijmegen worden de meeste cursussen voor onderwijzend personeel ontwikkeld en gegeven door IOWO, adviseurs voor onderwijs, beleid en organisatie. Hier wordt ook het leerwerktraject basiskwalificatie onderwijs aangeboden. Oorspronkelijk was dit traject alleen bedoeld voor promovendi, maar sinds 1 januari 2005 zijn docenten ook welkom. Enkele faculteiten hanteren de basiskwalificatie als een voorwaarde voor instroom naar Universitair Docent en hogere functies, maar dit is nog niet aan alle faculteiten een vereiste. Onderzoeksprestaties spelen vaak een belangrijkere rol bij promoties. Wat hebben studenten aan een docent die een geweldig onderzoek heeft opgestart, maar slaapverwekkend presenteert? Juist spontaniteit, het uitstralen van passie voor het vak en zo nu en dan een humoristische opmerking zijn nodig om studenten enthousiast te maken.

Competentieprofielen
Hoe pik je de rotte appels eruit? Vorige maand heeft de USR een commissie in het leven geroepen die moet onderzoeken hoe het is gesteld met de onderwijskwalificaties van docenten. Ook kijken zij naar wat er eventueel aan zou kunnen worden verbeterd. Speth: ‘Op dit moment bestaat er op de universiteit nog geen centrale richtlijn voor docentkwalificaties. Wij vragen het College van Bestuur een zogenaamd competentieprofiel op te stellen, bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden van andere universiteiten. In een notendop is zo’n profiel een beschrijving van de basisvaardigheden die iedere docent zou moeten hebben.’
Welke kwalificaties en capaciteiten dit zijn, is niet eenvoudig vast te stellen. Voor een hoorcollege aan driehonderd toehoorders heeft een docent totaal verschillende vaardigheden nodig dan voor een werkcollege aan slechts tien studenten. Een standaard competentieprofiel ontwikkelen is dus veel moeilijker dan op het eerste gezicht lijkt.
Lettie Lubsen, Universitair Hoofddocent Biochemie en tevens voorzitter van de Ondernemingsraad (OR) is het hiermee eens: ‘Ik vind het initiatief prima. Het is echter zeer complexe materie, dat mag je niet binnen een al te simplistisch kader plaatsen. Er moet voor worden gewaakt dat het geen enorme bureaucratische warboel wordt.’

Toetsing van docentkwalificatie
Als eenmaal is vastgesteld wat een docent precies moet kunnen, dan is de volgende stap het toetsen van deze vaardigheden. Op deze manier moet worden bepaald of een docent de juiste kwalificaties heeft. Hier ligt het tweede struikelblok; op welke manier kun je dit het beste onderzoeken? Verschillende mogelijkheden dienen zich aan; assessment, zelfreflectie, portfolio en observatie. Verder is het de vraag welke docenten moeten worden getoetst; alleen de beginners of ook de oude rotten in het vak? De USR heeft hierover een duidelijk standpunt: ‘In eerste instantie willen we alle docenten een keer testen. Vervolgens zou er in de reguliere evaluatie van het onderwijs rekening mee moeten worden gehouden.’ Mocht blijken dat een docent niet door de test komt, dan moet hij er eerst voor zorgen dat het vereiste niveau wel wordt gehaald. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een cursus. Totdat is bewezen dat een docent de benodigde kwalificaties wel bezit, zou hij niet langer onderwijs mogen geven. Hierdoor ontstaan wel praktische problemen, want wie moet de desbetreffende cursus in de tussentijd voor zijn rekening nemen?
In het bedrijfsleven is onderzoek naar het functioneren van werknemers de normaalste zaak van de wereld. Hoe komt het dat de invoering van competentieprofielen nu pas wordt onderzocht? Speth kan dit wel begrijpen: ‘Er is veel weerstand onder docenten. Zij voelen zich aangevallen. Het toetsen van docentkwalificaties komt een beetje betuttelend over. Ze zijn immers een expert op hun vakgebied. Dat is weliswaar iets heel anders dan een expert in het onderwijzen, maar zo zien ze dat niet. Docenten gaan direct steigeren op het moment dat ze op cursus worden gestuurd.’
Machiel Karskens, hoogleraar Sociale en Politieke Filosofie en tevens lid van de OR begrijpt niet waar die angst vandaan komt: ‘Niemand kan goed inschatten of hij op de juiste weg is, dus ook docenten niet. Een objectiverende en kritisch evaluerende buitenstaander met verstand van zaken is bijzonder leerzaam. Wanneer docenten daar bang voor zijn, hebben ze een groot probleem. Jezelf beroepen op je autonomie als docent, of nog erger, op je inhoudelijke deskundigheid maakt dat probleem alleen maar erger.’
Volgens de USR moeten alle docenten eraan geloven. Staat Lubsen nog zo positief tegenover het plan als ze zelf wordt onderworpen aan de toetsing? De docente heeft er vertrouwen in: ‘Mocht uit de test blijken dat ik een cursus nodig heb, dan zou ik zeker bereid zijn om die te volgen. Maar ik heb makkelijk praten, want dat komt er toch niet uit. Ik ben goed genoeg.’

Klik hier voor alle artikelen van ANS januari 2006.