Langs het tuinpad van mijn vader
Is elke student die op platteland blijft wonen een wereldvreemde idioot? Of zijn de uitgestrekte velden, de vriendjes van vroeger en al het gemak reden genoeg om bij je volle verstand lekker thuis te blijven wonen?
Tekst: Elky Rosa Gerritsen en Axel Venker
Foto’s: Axel Venker
Volgens een enquête van de Landelijke Studenten Vakbond verkiest 16,4 procent het eigen nest boven een kast van twee bij twee in een huis met wildvreemden. Om, zo blijkt uit recent onderzoek van Vox, weer vaker eenzaam te zijn dan hun uitwonende medestudenten. Reden genoeg die thuiswonende medestudent aan de tand te voelen. Waarom het beter is in Beek en Donk, Vierlingsbeek en Winterswijk.
Dynamisch groen en grijs
Wie zich bij de Achterhoek niets kan voorstellen zou een keer naar Winterswijk moeten gaan. Deze plaats ligt op zestig kilometer ten noordoosten van Nijmegen. Even met de trein op en neer naar Nijmegen kost drie uur. Een behoorlijk eind reizen door platteland om een dynamisch dorpshart en opgeruimde huizenblokken te ontdekken.
Ramon (21), tweedejaars Notarieel Recht, maakt de trip bijna dagelijks. ‘Het is lekker makkelijk zo. Mama kookt en doet de was.’ Wat moeders betreft mag Ramon best het huis uit. ‘Maar ik gaan geen kamer voor hem zoeken. Dat moet hij zelf doen.’ Ramon durft de stap nog niet te zetten. Na een mislukte start op de Koninklijke Militaire Academie in Breda en bij Bedrijfswetenschappen in Enschede, bedenkt hij zich wel drie keer voor hij zich gaat settelen in Nijmegen: ‘Als ik het nou weer niet leuk vind, zit ik daar maar op mijn kamer. Bovendien is in Nijmegen alles vreemd en je moet er nieuwe vrienden maken.’ Bang? ‘Nee hoor, Ik ben heus niet contactgestoord.’
Ramon vermaakt zich wel in Winterswijk. Hij heeft hier zijn vrienden, zijn werk, zijn sport ‘en natuurlijk de Skinny elke vrijdag en zaterdag’. Wat? ‘De Skinny Binny Club is echt dé uitgaansplek in Winterswijk. Uitwonende studenten komen er graag voor terug.’ De club, vertelt hij, is begin jaren zestig opgericht als een pretentieus discussieclubje en in enkele jaren tijd verworden tot een plek om lekker te drinken, roken, dansen en kaarten. Ramon laat het fantastische hol waar het om gaat graag zien. De brouwerij heeft er voor niets een pracht van een bar ingezet. De muren hangen vol met verkeersborden en op een prominente plaats hangt een plak van een Deux-Chevaux. ‘Bier voor zeventig cent, dat is het mooiste,’ juicht Ramon. Hij is zelf niet alleen lid, hij maakt ook deel uit van de barcommissie.
Ons-kent-ons
Door visionaire geesten is Beek en Donk in de negentiende eeuw met een stoomtram en een kanaal verbonden met de bewoonde wereld. Sindsdien is het dorp te herkennen aan de brede vaart en vooral aan de markante brug daar overheen. Met glimmende ogen en een lach op zijn gezicht kijkt Han de Koning (23) uit over de velden. ‘Wat er boven de stad gaat? Het uitzicht.’ Voor Han is dit reden genoeg om van de 60 kilometer naar de universiteit geen punt te maken. De stoomtram is inmiddels verdwenen, maar gelukkig staan er drie auto’s op de oprit. Ondanks al deze logistieke luxe zijn colleges het enige waarvoor Han de tocht maakt. Voor andere activiteiten in Nijmegen heeft hij geen tijd. ‘Sinds mijn introductie ben ik niet meer uitgegaan in Nijmegen. Ik plan mijn week altijd helemaal vol: studie, twee keer per week voetbaltraining en op donderdagavond de voetbalkantine in.’
Han is meer een dorpsjongen dan een stadspersoon. Waarom hij dan zo’n wereldomvattende studie als Politicologie heeft gekozen, weet hij zelf ook niet. ‘Puur interesse,’ denkt hij. ‘Met deze studie kan ik best in Beek en Donk blijven wonen. Ze hebben me wel eens gevraagd als adviseur binnen de lokale politiek, maar daar heb ik niks mee.’
Hij houdt van de gezelligheid van het dorp, het ons-kent-ons-gevoel. ‘Beek en Donk is niet honderd keer leuker dan Nijmegen. Maar ik heb hier nu eenmaal mijn vrienden, mijn werk en het voetbal.’ Van het laatste zouden ouderen onder ons Beek en Donk ook moeten kennen. Beek en Donks voetbaltrots, Sparta ‘25, werd in 1970 Nederlands amateurkampioen. Veel minder bekend, maar wel belangrijk, is de carnavalsoptocht. Han en zijn vriendengroep De Teerput doen elk jaar mee, deze keer met een rijdende bar als carnavalswagen. Dat wordt weer flink zuipen. Dit is eerder regelmaat dan uitzondering, want voor Han is het elke dag feest. ‘Je moet er natuurlijk alles uithalen als je hier woont.’
Klaar voor een kamer
Vierlingsbeek: er is een bakker, een watermolen én in tegenstelling tot twee dorpen verderop, een supermarkt zonder wielen. Het is dus geen onbewoonbare negorij, maar kun je het hier uithouden tijdens de mooiste tijd van je leven? De tweeling Robby en Carsten Willems (22), beiden vierdejaars Bedrijfswetenschappen, vinden van wel. ‘Waarom niet? Is het hier niet mooi dan?’ De vrolijke thuiswoners zien zich geconfronteerd met 35 kilometer afstand tot de universiteit die zij in ongeveer drie kwartier per spoor kunnen overbruggen. ‘Prima te doen,’ vindt de tweeling. De nuchtere Vierlingsbekers vinden het fijn om na de drukte van de grote stad weer terug te keren naar hun stabiele thuisbasis. De gebroeders doen echt alles samen. ‘In het begin dachten we dat op kamers gaan nadelig zou zijn voor onze studie, omdat we het belangrijk vinden om alles te halen. We hebben hier ook nauwelijks, of eigenlijk helemaal geen neiging om ’s avonds ergens heen te gaan’. De studie is bijna klaar en inmiddels zijn de knapen van gedachten veranderd over het stadsleven. Concrete plannen voor de toekomst hebben ze nog niet. ‘Misschien gaan we volgend jaar op kamers, om eens mee te maken hoe dat is.’ Voorlopig hebben Carsten en Robby niet veel tijd om in Nijmegen door te brengen. ‘We doen hier in de buurt magazijnwerk, we voetballen, en hebben samen een krantenwijk.’
Klik hier voor alle artikelen van ANS januari 2006.







Pingback: ANS-online » de ANS van januari 2006