ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Frans de Waal – Aapjes kijken

De internationaal vermaarde primatoloog Frans de Waal zette zijn eerste wetenschappelijke schreden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Volgens ‘TIME Magazine’ behoorde hij in 2007 als enige Nederlander tot de honderd meest invloedrijke personen ter wereld.

Tekst: Boy van Dijk en Liang de Beer
Foto: Archief Frans de Waal

Frans de Waal (59) verkeert in de TIME 100 temidden van Koningin Elizabeth II, Steve ‘Apple’ Jobs en Al Gore in goed gezelschap. De Waal begon zijn zegetocht in 1975 tijdens zijn promotie aan de Universiteit Utrecht, met een vijf jaar durende studie naar de chimpanseekolonie in Burgers Zoo te Arnhem. Uit dit onderzoek vloeide een groot aantal publicaties voort en in 1982, inmiddels werkzaam in de VS, brak hij bij een breed publiek door met het populair-wetenschappelijk werk Chimpanseepolitiek. Dit boek werd in 1994 zelfs bestempeld als verplichte lectuur voor nieuwkomers in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, naast de Onafhankelijkheidsverklaring en de Grondwet.
Op dit moment is De Waal zowel professor Primatologie aan de Emory Universiteit in Atlanta als directeur van het Living Links Center aldaar. Dit onderzoekscentrum van de universiteit specialiseert zich in de menselijke evolutie door primaten te bestuderen. Dat De Waal zijn indrukwekkende carrière startte aan de universiteit van Nijmegen, lijkt inmiddels door velen vergeten. ‘Ik werd voor het eerst geïnspireerd door de Nijmeegse professor dhr. Vossen. Ondanks dat ik me niet kon vinden in het behaviourisme dat hij aanhing, was mijn interesse voor de studie naar het gedrag van dieren gewekt.’ Om zich te verdiepen in zijn nieuw verworven wetenschappelijke liefde, vertrok De Waal na vier jaar naar Groningen voor het behalen van zijn doctoraaltitel. ‘De faculteit daar was gespecialiseerd in ethologie, het bestuderen van diergedrag. Terwijl het destijds wijdverbreide behaviourisme niets moest hebben van gevoelens en gedachten, stonden onderzoekers in Groningen juist open voor een psychologische interpretatie van gedrag.’

In Groningen hield u het, net als in Nijmegen, niet lang uit. U promoveerde in Utrecht en vertrok daarna spoedig naar de Verenigde Staten.
‘Ik ging in 1981 naar de VS omdat er daar voor mij een veel beter onderzoeksklimaat heerste. In Nederland moest de biologie van het organisme als geheel plaatsmaken voor een meer moleculaire oriëntatie. Dat was een slechte ontwikkeling voor mijn onderzoeksgebied. Nederland liep met Nobelprijswinnaar Tinbergen begin jaren zeventig voorop wat betreft het onderzoek naar diergedragoriëntatie. Die leidende positie is uit handen gegeven en dat is erg jammer.
‘In de VS zijn de grenzen tussen de verschillende academische disciplines veel vager. Er wordt minder gelet op de wetenschappelijke achtergrond van een onderzoeker en meer op interesses. In Nederland is dat erg ongebruikelijk. Dat ik daardoor werd genoodzaakt om de grote oversteek te maken, vond ik niet erg. Er wachtte namelijk een prachtige baan op me.’

In hoeverre stuit u met uw onderzoek naar mensapen, wier gedrag volgens u sterk lijkt op dat van mensen, op maatschappelijke weerstand van de veelal gelovige Amerikanen?
‘Dat valt erg mee. Enerzijds zijn het creationisme en intelligent design sterke stromingen in de VS. Aan de andere kant staan de Amerikanen erg open voor een evolutionaire uitleg van biologisch gedrag. Die houding was dertig jaar geleden heel anders. Toen was er een sterke weerstand, ook in Nederland. Denk aan de hetze tegen de wetenschapper Buikhuisen die crimineel gedrag biologisch trachtte te verklaren. Destijds werd dergelijk onderzoek afgedaan als nazistisch. Buikhuisen werd zelfs vergeleken met nazi-arts Joseph Mengele. In zowel Nederland als de VS is die weerstand na de jaren negentig gelukkig sterk afgenomen.’

Wat wilt u met uw onderzoek zeggen over de aard van de mens?
‘Ik wil laten zien dat mensen eigenlijk net als apen zijn. Tussen verscheidene wetenschappelijke disciplines bestaat daar veel onenigheid over. Binnen bijvoorbeeld de filosofie of psychologie wordt de mens als absoluut anders dan het dier gezien, terwijl op het vlak van de DNA-structuur grote overeenkomsten bestaan.
‘Wetenschappers lijken de overeenkomsten tussen aap en mens steeds meer te accepteren. Mocht er vroeger niet eens worden gezegd dat dieren empathie hadden, nu blijkt uit vele onderzoeken dat de hersenactiviteit in situaties waar inlevingsvermogen een rol speelt, bij dieren hetzelfde is als bij mensen.’

Waarom heeft de mens de neiging zich buiten het dierenrijk te plaatsen?
‘Dat wordt vooral in het Westen zo gedacht. Hier denken we dat de mens het enige wezen is met een ziel. In Azië hebben mensen veel minder de idee uniek te zijn. De Westerse religie en de basis van onze beschaving zijn ontstaan zonder dat er contact is geweest met onze voorouders, de mensapen. Wij wisten dus lange tijd niets van het bestaan van die intelligente diergroep. Pas toen er mensapen werden tentoongesteld in dierentuinen veranderde dat.’

Wat is volgens u het essentiële verschil tussen mensen en apen?
‘Ik zie taal als het grote onderscheid tussen mensen en apen, maar dat valt te bediscussiëren. Als het fenomeen taal nader wordt bekeken, blijkt dat dit in meerdere zaken op is te splitsen. Sommige van die elementen zijn ook bij apen terug te vinden.’

Wat is de waarde van uw onderzoek buiten uw eigen vakgebied?
‘In de samenleving wordt vaak een link gelegd tussen de mensenwereld en de dierenwereld. Het sociaal-darwinisme is daarvan het bekendste voorbeeld. De idee is dat zowel mensen als dieren worden gedreven door onderlinge competitie en biologische selectieprocedures. Zo zouden minderbedeelden niet moeten worden geholpen omdat het in de natuur ook niet gebeurt.
‘In mijn onderzoeksgebied wordt dit beeld weerlegd. Er zijn wel degelijk dieren die elkaar helpen, zoals apen en dolfijnen. Deze diergroepen zorgen ook voor de minder gezonde dieren in hun groep. Het sociaal-darwinisme is gebaseerd op een karikatuur van het dierenrijk. Het is de taak van een wetenschapper om daar vraagtekens bij te zetten.’

Eén van de meest prominente vraagstukken in Nederland betreft de aanpassingsproblemen van immigranten in onze maatschappij. Hoe kijkt u tegen dit probleem aan?
‘De kern van de integratieproblematiek komt neer op het bekende in-group en out-group probleem; mensen staan over het algemeen vijandig tegenover andere groepen. Ze zijn erg snel in het categoriseren van anderen. Een zeer oppervlakkige eigenschap als huidskleur is voor velen bijvoorbeeld al een reden om iemand met argwaan tegemoet te treden.
‘In Nederland worden bevolkingsgroepen die er al meerdere generaties wonen nog steeds “die Marokkanen” of “die Turken” genoemd. Dat is gevaarlijk. Ik merk daarin een groot verschil met de VS. Als je daar bent geboren, ben je Amerikaan.’

Ligt het überhaupt in het vermogen van de mens om goed te functioneren binnen een snel veranderende maatschappij als de onze?
‘Er is sprake van een mismatch tussen de snelheid van ontwikkelingen en onze evolutionaire geschiedenis. Onze psychologie is daar niet op ingesteld en het is opmerkelijk dat het steeds lukt ons aan te passen. Sommige wetenschappers denken daarom dat er zich een grote genetische evolutie heeft voltrokken. Ik geloof dat niet. Op sociaal-cultureel vlak hebben wij misschien veel bewerkstelligd, biologisch gezien staan we nog net zo dicht bij onze voorouders als tienduizend jaar geleden.’