ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Maartse Buien

We kennen elkaar al een tijdje. Eigenlijk al sinds mijn eerste jaar. Hij zag mij niet staan, destijds. Kennelijk was hij niet het type dat interesse toont in frisgroene eerstejaars blaagjes. Ik deed ook niet mijn best om op te vallen. Ik was meer geïnteresseerd in Metro-horoscopen en de wiet van medestudenten.
We verloren elkaar uit het oog. En zo zou het allemaal snel afgelopen zijn, zoals dat gaat met zo veel kortstondige ontmoetingen.
Maar, verrassing! Vier jaar later, afgelopen zomer, dook hij weer op. Het romantische decor: wat tentjes slordig gegroepeerd op een camping, een kabbelend beekje, een waterig zomerzonnetje aan de lucht, geen vuiltje. Bij het kampvuur reserveerde hij een plaats voor mij, zong liedjes als ik hem dat vroeg. Het ging vlug: op een zeker moment noemde hij me zelfs zijn bloemennimf, hoewel ik goedbeschouwd geen bevallige dansen uitvoerde, zoals nimfen plegen te doen.
Natuurlijk scheidden onze wegen. Maar deze keer was het niet afgelopen. Op vakantie, nu zonder hem, checkte ik op verloren momenten mijn mail. Dat is niets om je voor te schamen, tegenwoordig. Telkens had een mail van hem mij bereikt. Of meerdere, daar deed hij niet kinderachtig over; het hard-to-get-principe lapte hij rustig aan zijn laars. Voor de schaarse mails die ik terugstuurde, ontving ik minstens het drievoudige in ruil.
Hij schreef me dat ik hem had geactiveerd, dat ik veel bij hem op de kop had gezet, in zijn kop nog wel. Hij stuurde me gedichten, die ik declameerde temidden van vrienden. Vertelde me hoe bijzonder ik wel niet ben. (Dat zet ik niet voor niks in deze column. Het is goed te weten dat je je tijd niet verspilt met een column van een willekeurig niemendalletje). Misschien dat je ooit, net als hij, de behoefte voelt je diepe genegenheid aan me kenbaar te maken. Verwacht dan niet dat ik dikwijls terugmail. Zelfs niet als je besluit te schrijven dat je er maar niet in slaagt te landen op aarde.
Hij wilde me ontmoeten, zei van de gedachte alleen al een gat in de lucht springen. Een wandeling maken, of mediteren in de studentenkerk wellicht? Hij probeerde me te overtuigen, zei: ‘Ik ben geen vrouwenversierder, geen gevaarlijk insect!’ Toen het niet lukte een date te winnen, zocht hij me overal op internet en probeerde toevallige ontmoetingen te ensceneren. Ik was verdwenen, onopzettelijk maar niet ongewild.
Maanden later kreeg ik een pakketje: hij had een van zijn tekeningen op een T-shirt geprint. Vergezeld van een dichtbundel, aan mij opgedragen. Met een brief waarin hij meer voorstellen deed om elkaar te ontmoeten, negen in getal. Ik liet hem weten dat het beter was geen contact meer te hebben.
En op het moment dat ik dit schrijf, en door die voorbije e-mails klik, ontvang ik een nieuwe mail van hem. Onderwerp: ‘verontschuldiging’. Tekst: ‘Ik verontschuldig me. Ik ben te ver gegaan.’
De arme ziel. Hij is docent aan deze universiteit.