ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Cleijne Column

Ik wist dat er iets mis was toen de persoon naast mij zich zonder te vegen uit de voeten begon te maken. Hij was bezig zijn broek op te trekken en trok de deur open. Toen verdween hij. Iets had hem weggetrokken. Hij slaakte een doodskreet die halverwege staakte en ik moest zelf een kreet onderdrukken toen ze zijn levenloze lichaam onder de deur begonnen door te proppen. Toen de bulder.

De deur van mijn poepkot werd uit zijn hengsels getrokken. Ze vouwden hem dubbel en aten hem op, en met de hengels peuterden ze in hun neuzen. De mastodonten hadden me ontdekt. Ze begonnen zich in mijn hokje te wurmen en keken me met bloeddoorlopen ogen aan. Kwijl kwam uit hun mondhoeken gelopen. Ze grepen naar me. Ik kon niets anders doen dan wachten op wat komen ging. Ze zetten hun handen op mijn hoofd en drukten me de wc in, helemaal tot in het riool.

Ik kwam in een soort beek terecht en ging kopje onder. Toen ik bovenkwam moest ik bijna overgeven van de lucht die de beek verspreidde. En toen… ze… ze… poepten op me… ze kwamen achter me aan. Ik hoorde hun grote dikke klauwen zich een weg banen door het beton en stukken rots. Ik maakte dat ik wegkwam, maar gleed uit over alle Katholieke vunzigheden. Het water begon te borrelen en raakte in een stroomversnelling. Het stroomde stroomopwaarts, en ik dreef met grote snelheid op een splitsing af zonder zicht op wat erna lag.

Achter mij plonsden de reuzen het water in, en stroomden prompt stroomafwaarts. ‘Miezer! We krijgen je nog weeeeeeeeee…’ Ik dreef radeloos verder en knalde op het middenstuk van de splitsing. Gelukkig stond daar een bandenstapel. Ik deed snel een paar banden om mijn middel en wilde de linkergang nemen. ‘HOOW!’ riep Jos Verstappen die achter mij in dezelfde bandenstapel crashte. ‘Nie doen hòòhr, je wiet nie wah er agtar leght!’ Hij riep dat één van de twee gangen naar buiten leidde, en de ander naar een muur vol met spijlen.

Na een lange vergadering, waarbij ik hem nauwelijks kon verstaan, besloten we een muntje op te gooien. Bij kop zou ik de linkergang nemen en hij de rechtergang. ‘Hee Jos, zie je dit muntje? Tegen je kóp!’ Jos viel bewusteloos achterover de rechtergang in en sloeg te pletter tegen de muur des doods. Om alle risico uit te sluiten gooide ik een muntje op. Munt!