Het Elfde Gebod
Gelukkig kwam ik op tijd bij zinnen. Terwijl Joris in een verwoedde zoektocht naar condooms de inhoud van zijn lades door de kamer smeet, raakte ik in paniek. Verward viste ik mijn shirt achter de bank vandaan en rende met mijn schoenen in de hand de trap af. Eenmaal thuis viel ik opgelucht in slaap. Van Joris heb ik niets meer gehoord, de zak. Bij de AH deed hij alsof er niets aan de hand was. Ik besloot me op mijn tentamens te storten.
Terwijl ik mijn, voor tien euro bij Blokker aangeschafte, nep-kerstboom in de vuilniszak probeer te proppen, krijg ik een sms. ‘Vnvnd, 23.00 @ Keizerkarelplein: Sneeuwballengevecht!!! Stuur deze sms door naar iedereen die je kent!’ Ik kijk naar buiten door mijn beslagen ramen – dat krijg je met enkel glas – en constateer: inderdaad, sneeuw! Ik was zo druk met het bestuderen van oudere letterkunde dat me dat nog niet eens opgevallen was.
Het wordt tijd mijn zelfopgelegde sociaal isolement op te schorten, dus ik bel Lisa en sleep haar mee naar het Keizer Karel. Buiten is alles wit. Auto’s rijden langzaam voorbij en mijn All Stars zijn binnen no-time doorweekt. Shit.
Bij aankomst blijken we niet de eersten te zijn. Joelende mensen rennen achter elkaar aan terwijl de sneeuwballen door de lucht vliegen. De dappere jongen die bovenop het standbeeld van het paard is geklommen, heeft het zwaar te verduren. Ik knijp wat sneeuw fijn tussen mijn handschoenen en gooi het naar de eerste de beste voorbijganger. Mis. De tweede is een groter succes. Vol raak ik een meisje op haar muts. Ze wil wraak en ik zoek dekking achter een paar bomen. Lisa is inmiddels een paar studiegenoten tegengekomen en staat te keuvelen. Lafbek…
Mijn volgende slachtoffer is een knappe jongen met knaloranje UNOX-handschoenen. Een voltreffer, recht in zijn gezicht! Hij is erg snel: voor ik het weet ben ik helemaal ingepeperd. Mijn gezicht, mijn haren, zelfs mijn trui zit vol sneeuw. Gierend van de lach rent hij weg, genietend van zijn revanche. Ik sprint achter hem aan en gooi met een soepele beweging een megasneeuwbal in zijn richting. Rakelings zeilt de bal langs zijn hoofd en knalt vervolgens keihard tegen een voorbijrijdende rode Volvo. Met piepende remmen komt de auto tot stilstand. Boos stapt een vrouw van veertig, type overblijfmoeder, uit. De jongen met de oranje handschoenen staat naast me. We kijken elkaar verschrikt aan. Niet vanwege de vrouw, maar vanwege de politieauto die nog geen vijf seconden later achter haar stopt. ‘Wat is hier aan de hand?’






