ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Wanssumse wind

De één schrijft een masterscriptie over het VN-beleid inzake Rwanda, de ander over de rigiditeit van de Brillouin zone. Bij mij ging het over de fanfare van Wanssum.

Ik had in Wanssum afgesproken met Piet en Jan. Piet, mijn belangrijkste contactpersoon ter plaatse, bestelde iets te drinken aan de bar van het gemeenschapshuis. Jan, oud-bestuurslid van de fanfare en beste vriend van Piet, praatte. Het was te merken dat hij dat graag deed. Ik had nog geen vraag gesteld, maar Jan was al niet meer te stoppen. Hij vertelde hoe zijn dagen eruitzagen in zijn vijfenzeventigste levensjaar.
‘Ik sta om zes uur op,’ zei hij.
‘U staat om zes uur op,’ zei ik.
‘Ik sta om zes uur op.’
Piet kwam terug met een dienblad met drie kopjes koffie. Hij was ervan uitgegaan dat ik koffie dronk. Ik durfde niet te zeggen dat ik eigenlijk niet hoefde.
Ik roerde net iets te lang in mijn koffie. Piet en Jan keken me aan. Vlug bladerde ik door mijn schrijfblok zonder werkelijk iets op te zoeken. Ik bedacht een vraag. Over een oud-dirigent. Jan begon een verhaal af te steken. Piet knikte instemmend. Het was mooi om te zien dat ze de geschiedenis van de fanfare net zo serieus namen als ik. Jan wist details uit het verleden beangstigend goed te koppelen aan jaartallen. Ik had me er maanden in verdiept, bij Jan zat het gewoon in zijn hoofd.
Piet leek wat afwezig. Af en toe keek hij opzij naar de ingang van het gemeenschapshuis. Pas na een tijdje begreep ik wat er aan de hand was. De repetitie van de fanfare vond diezelfde avond plaats, ook in dit gebouw.
De muzikanten druppelden een voor een binnen. Het was een raar idee dat het onderwerp van mijn scriptie niet alleen verleden tijd was, maar nog altijd bestond. Toen een iele jongen van een jaar of vijftien langsliep, wenkte Piet hem. ‘Dit is Jarno, mijn kleinzoon,’ zei Piet, en hij wees naar de koffer die Jarno bij zich had. ‘Trompettist.’ Even later trok Piet een klein meisje naar zich toe. ‘Julia. Zij speelt saxofoon. Het is je eerste jaar, hè?’ Het meisje knikte verlegen.
Jan begon over de rode pastoor en de VVD-burgemeester. Ik nipte van mijn koffie. Een pietepeuterig slokje. Ik deed er melk en suiker bij. Het hielp maar weinig. Koffie was niks voor mij. Toch dronk ik het kopje helemaal leeg. Ik moest wel, uit eerbied voor al die Wanssumse wijsheid tegenover me.

Kijk hier voor de andere artikelen in de januari-ANS