ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Het verdriet van België

De straten in het Vlaamse dorpje Doel zijn leeg. Oorspronkelijke dorpsbewoners hebben vanwege de oprukkende Antwerpse haven plaatsgemaakt voor zigeuners, krakers en toeristen. Een dorp dat schippert tussen destructie en revitalisering.

Tekst: Roel Neijts
Foto’s: Sjors Overman

Absurd. Geen ander woord beschrijft de skyline van Doel wanneer je van de Antwerpse haven naar het dorp rijdt. Boven de smalle strook huizen rijzen twee enorme koeltorens van de nabijgelegen kerncentrale. De 170 meter hoge bouwwerken contrasteren met de bebouwing alsof ze op een amateuristische wijze achter het landschap zijn geplakt.
Doel, vereeuwigd in Suske en Wiske, is internationaal bekend door zijn unieke ligging tussen de Antwerpse haven en een kerncentrale. Een cluster van vier politieauto’s verwelkomt bezoekers aan de grens van de bebouwde kom. Het lokale gezag besteedt weinig aandacht aan passerende auto’s; we kunnen de dorpskern probleemloos bereiken. Aan parkeerruimte is geen gebrek: voor de parochiekerk, met scheve toren, is geen auto te bekennen.

Toeristisch dorp
De kerk is het startpunt voor een verkenningstocht door het eeuwenoude dorp. Links van het gebedshuis staat het oudste pand van Doel: het Hooghuis, waar Rubens’ tweede vrouw eens woonde en de meester zelf vaak over de vloer kwam. Na een wandeling door de dorpskom met oude burgerhuizen en boerderijen bereik je vanzelf de getijhaven. Tweemaal per etmaal stroomt deze geheel leeg waarbij de aanwezige boten worden vastgezogen in het ziltige slib. Over de paardenbloemrijke dijk is het dan nog geen vijf minuten lopen naar de volgende trekpleister: de unieke zeventiende-eeuwse molen, waarin nu eetcafé De Molen is gevestigd. Zelfs de kerncentrale is een belangrijke toeristische plek: naast de mogelijkheid deel te nemen aan rondleidingen, kunnen er kosteloos fietsen worden gehuurd om de polders en het getijdengebied, het Verdronken Land van Saeftinghe, te verkennen. Op het enige terras van Doel zitten naast een handjevol dorpsbewoners dan ook vooral fietsers. Een al wat oudere serveerster: ‘Doel is een prachtig oord en heeft veel te bieden. Omdat iedereen weet van de eventuele vernietiging wordt ons dorp goed bezocht: nog even snel naar Doel, voordat het te laat is.’

De dreigende haven
Het zou zomaar afgelopen kunnen zijn met het idyllische dorp aan de Schelde. Toen Doel I, de eerste van vier reactoren, in 1974 in gebruik werd genomen, was in de verste omtrek geen haven te bekennen. Doel was destijds een rustiek dorpje op de grens tussen polder en rivier. Anno 2006 scheidt enkel een vierentwintig meter hoge leefbaarheidbuffer – een dijkachtige heuvel tegen licht- en geluidsoverlast – het dorp van het nieuwste deel van de Antwerpse haven, het Deurganckdok. De haven rukte met een sneltreinvaart op en zal, volgens de meest recente bestemmingsplannen, ook in de toekomst aan expansie onderhevig zijn. In 2007 zal officieel worden beslist of de bouw van het Saeftinghedok een feit zal zijn. Een belangrijke beslissing voor het voortbestaan van Doel, want het dok is gepland tussen het Deurganckdok en de kerncentrale: de locatie van Doel. Maurice Vergauwen, veldwachter van Doel van 1954 tot 1978 en lid van actiegroep Doel 2020, geeft ons in het koele Hooghuis uitleg. Op het enige tafeltje in het monumentale pand ontvouwt hij het bestemmingsplan van de dorpsregio en vertelt hij waarom het volgens hem minimaal twee jaar langer duurt eer zal worden beslist. ‘De evolutie van het containertransport is nog te onzeker. Als het vervoer stagneert of vermindert, zal het Saeftinghedok overbodig zijn. Daarnaast heeft de kerncentrale bezwaar ingediend, omdat het gebouw een veiligheidszone van minimaal achthonderd meter vereist. Het nieuwe dok zal in die zone komen te liggen, waardoor de centrale niet meer vrij ligt.’
Rudi van Buel, eveneens actief bij Doel 2020, is net als Vergauwen overtuigd van uitstel van de beslissing. ‘Met de opkomende verkiezingen wil niemand zijn handen branden aan Doel. De politieke partij De Groenen heeft onderzocht dat het dok de komende dertig jaar nog niet nodig is. Zelfs een havendirecteur heeft een aantal jaren geleden gezegd dat er niet wordt gedacht aan een tweede dok. Het Deurganckdok heeft door nieuwe technologie blijkbaar een vijf keer zo grote capaciteit als in het oorspronkelijke plan stond.’

Onzekerheid
Dertig jaar of twee jaar: tot de beslissing is genomen leven de Doelenaars nog in onzekerheid. Uit angst voor materiële nadelen hebben honderden inwoners Doel reeds achter zich gelaten. In 1999 kregen de bewoners de kans hun huizen te verkopen aan de staat. Ongeveer 95 procent van de panden is inmiddels van eigenaar gewisseld. ‘De meeste mensen hebben hun huizen vrijwillig verkocht om op safe te spelen. Zij zullen journalisten wellicht vertellen dat ze zijn onteigend, maar dat zijn leugens. Ze zijn bang te worden uitgemaakt voor verraders,’ zegt Van Buel, die tot de overige 5 procent behoort.
Om te voorkomen dat huizen kwamen leeg te staan – zodat Doel op den duur voor de blijvende bewoners onbewoonbaar zou worden – werden de verlaten woningen goedkoop verhuurd. Door dit Sociaal Begeleidingsplan zou Doel nog zeker tot 2007 zijn verzekerd van inwoners en niet-verkrotte panden. In de praktijk liep het anders. Oud-veldwachter Vergauwen, die uiteindelijk ook vanwege financiële redenen is gezwicht, vertelt: ‘De overheid saboteerde: de leegstaande huizen werden maar mondjesmaat aan nieuwkomers toegekend. Sommige mensen die een aanvraag indienden, moesten meer dan een jaar wachten. Deze situatie heeft ongeveer vier à  vijf jaar aangehouden, waarop krakers hun intrede deden. De meesten kwamen hier vanwege het landelijke tekort aan sociale woningen en wilden in Doel goedkoop wonen. Daarna volgden vreemdelingen met busjes tegelijk, afkomstig uit opvangcentra uit het hele land. Op een gegeven moment ging het mis: er kwamen bendes om de boel te plunderen en de immigranten bekommerden zich niet om de leefbaarheid van Doel.’ De serveerster in De Molen vertelt dat eveneens wrijving ontstond tussen de twee voornaamste bevolkingsgroepen van dat moment. ‘De weinige oorspronkelijke burgers vonden het niet fair dat de naar schatting tweehonderd krakers niet betaalden voor elektriciteit en gas.’ Vergauwen is evenmin te spreken over het parasitaire gedrag van de nieuwe bewoners: ‘Mijn televisie doet het de laatste dagen beroerd. Volgens de kabelmaatschappij hebben de krakers geprutst met de bekabeling.’ De illegale activiteiten worden nu hard aangepakt en gereguleerd met hulp van de politie en nutsbedrijven. Indien de krakers en Romazigeuners zich weigeren in te schrijven bij gemeente, wordt de stroom afgesloten.

Doel 2006
De intrek van krakers is voor het dorpsaangezicht niet zonder gevolgen gebleven. Doel ligt er op zijn zachtst gezegd verkracht bij. Buitenmuren zijn beklad met teksten als ‘Doel blijft!’ en ‘Vlaanderen, een land zonder Doel?’. Op sommige huizen hangen posters van Doel 2020 met soortgelijke leuzen. Rolluiken en gordijnen zijn gesloten, krakers en zigeuners laten maar weinig van zich zien. De enige tekenen van leven zijn de briefjes op de voordeuren, met teksten als ‘Bewoond’ of ‘Reeds bezet’, opdat ongenode gasten de panden met rust laten. Een zalencomplex, boerderij, drie benzinepompen – met de bedragen nog in Belgische franken – en een restaurant zijn uitgestorven en overgelaten aan de eroderende kracht der natuur. Bij een vervallen boerderij liggen de asbestplaten voor het oprapen en zijn de muren binnenshuis besmeurd met stront van zwaluwen die er hun intrek hebben genomen. Van enkele geplunderde huizen ontbreekt de voordeur: ideaal om een blik te werpen op de chaotische rommel die als interieur geldt. De vergelijking met een rampgebied is snel gemaakt.

Leefbaarheid
Doel heeft geen winkels, dokter of andere faciliteiten. Middelpunt van het dorp is gemeenschapshuis De Doolen, een verlaten schoolgebouw waar vanuit activiteiten voor de dorpsbewoners worden georganiseerd. Op het binnenplein drinken enkele langharige krakers hun Maes en Duvel, in de rook van de zojuist ontstoken barbecue. Het lijkt net een zomerkamp, en niemand schijnt te lijden onder de schrale levensomstandigheden. Van Buel legt uit: ‘Toen ik lang geleden naar Doel verhuisde, kwam ik hier niet vanwege de activiteiten of het aanbod van winkels en horeca. Een dorp heeft op dat punt gewoon weinig te bieden, en met het feit dat nu de voorzieningen nog minimaler zijn, valt te leven.’ Hij geeft toe dat het dorp moet veranderen als blijkt dat Doel van de vernietiging blijft gevrijwaard; de huidige situatie is te labiel. Sommige nieuwkomers kunnen helpen bij de revitalisering. ‘Niet alle krakers komen hier puur om leegstaande panden te bewonen, sommige zijn gekomen om verloedering tegen te gaan en hebben inmiddels een band met het dorp opgebouwd. Zij zullen bereid zijn te betalen om te blijven.’
Tot die tijd zit er niets anders op dan wachten. Doel opknappen en erin investeren is nutteloos, waardoor het continue bier drinken van de krakers haast legitiem lijkt. De eens fel aangebrachte protestverf op de Doelse buitenmuren vervaagt, of bladdert langzaam af. Immense containerschepen passeren het dorp met hun monotone gebrom en zullen misschien in de toekomst aanmeren bij een dok dat niet eens naar het verdwenen plaatsje is genoemd. Slechts de naam van de kerncentrale zal dan herinneren aan die ene vrijplaats voor krakers en zigeuners.