ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Noblesse oblige?

Baronnen op de bèta, markiezen bij Managementwetenschappen en juridische jonkvrouwen. Nog altijd betreden edele studenten de campus, al lopen ze met hun titel liever niet te koop.

Tekst: Benjamin van Gaalen en Pepijn Reeser

Het woord ‘adel’ roept beelden op van prinsen en prinsessen die zich in balzalen vol spiegels vermaken met gracieuze dansen en weelderige feesten. Als de aristocratie ooit al zo sprookjesachtig leefde, was dit zeker niet het geval in de Hollandse polder. Een grote adelstand is hier te lande nooit ontstaan. Grootgrondbezit kwam in de middeleeuwen nauwelijks voor en de Republiek had geen koning en daardoor amper aristocratie. Pas toen Nederland aan het begin van de negentiende eeuw een koninkrijk werd, ontstond behoefte aan een adellijke bestuurselite. Het toelatingsbeleid tot de adelstand was destijds ruimhartig. Hoge ambtenaren en industriëlen, de nouveaux riches, streefden ernaar in de adelstand te worden verheven. Ook oude patriciërsfamilies zagen in een adellijke titel een statusverhoging. Meer dan vijfhonderd geslachten werden sinds 1814 in de adel opgenomen. Dit legde de Nederlandse staat overigens geen windeieren: voor een titel moest fors worden betaald.
Wie anno 2007 streeft naar het adeldom komt bedrogen uit. Sinds 1994 worden enkel nog huwelijkspartners van leden van het Koninklijk Huis in de adelstand verheven. Aangezien veel negentiende-eeuwse titulatuur slechts op de oudste zoon overgaat, dunt de Nederlandse aristocratie uit. Tegenwoordig zijn er nog ruim driehonderd adellijke geslachten, die samen ongeveer elfduizend leden tellen: nog geen procent van de bevolking. Slechts een derde van deze groep bezit een titel. De overigen, waaronder CvB-voorzitter Roelof de Wijkerslooth de Weerdesteyn, voeren het predicaat jonkheer of jonkvrouw.

Studentenadel
Onderscheidt de adel zich door een eigen levensstijl? Volgens jonkvrouw Lieke Michiels van Kessenich (30), onlangs afgestudeerd in Milieu- en Maatschappijwetenschappen, is dat niet langer het geval. ‘Mijn opa vond zijn adellijke afkomst belangrijk, hij hechtte waarde aan het voortbestaan van de titel. In ons gezin was de adellijke titel echter helemaal geen issue.’ De Duitse Constantin Felix Freiherr von Maltzahn (24), derdejaars University College Maastricht, herkent dit verschil. ‘Mijn ouders en ik houden er ongeveer dezelfde ruimdenkende opvattingen op na. Mijn grootvader daarentegen was een soort tiran; hij probeerde de hele familie in het keurslijf te wringen dat hij passend vond voor adellijken. Trouwen buiten de adelstand was voor hem bijvoorbeeld absoluut geen optie. Voor mijzelf speelt stand helemaal geen rol in de keuze van mijn vrienden of partner.’ Ook Allard Baron Bentinck (24), tweedejaars hbo-Recht, bevestigt dit beeld. Volgens hem geeft iedere generatie zijn eigen invulling aan het adelschap. ‘Ik woon niet in een kasteel maar in een studentenhuis en heb een bijbaan bij een internetprovider.’ Zijn huisgenoten weten niet eens dat hij een titel heeft; zijn collega’s plagen hem er wel eens mee. ‘Bijvoorbeeld als we pizza bestellen. Dan doen ze bij het aanreiken van de pizzadoos alsof ze mijn lakei zijn. “Alstublieft, meneer de baron.”‘
De meeste Nederlanders hebben slechts een vaag beeld van de adelstand en als ze ermee in aanraking komen, leidt dat vooral tot nieuwsgierigheid. Allard vertelt dat hij vaak dezelfde reactie krijgt wanneer zijn titel ter sprake komt. ‘Als ik bijvoorbeeld bij het afsluiten van een telefoonabonnement mijn paspoort laat zien, volgt eerst de vraag of ik echt van adel ben en vervolgens waar ik mijn Bentley heb geparkeerd.’ Ook Lieke kent situaties waarin het onhandig is om van adel te zijn:’Mijn naam past nooit op formulieren en doordat ik een vrouw ben, probeert men al mijn hele leven een streepje tussen mijn namen te zetten in de veronderstelling dat ik ben getrouwd. Op papier gebruik ik mijn volledige achternaam, aan de telefoon kies ik meestal voor een kortere variant.’ Constantin vermijdt bij voorkeur het gebruik van zijn titel: ‘Het lijkt me verkeerd om je op die manier boven anderen te verheffen. Als kind was ik niet gesteld op mijn titel, een adellijk jongetje is natuurlijk een gemakkelijk doelwit op het schoolplein. Tegenwoordig kan ik er beter mee overweg, maar ik wil er nog steeds niet mee te koop lopen. Ik heb tenslotte niets hoeven doen om Freiherr te worden.’

Wij zijn beter
Praten over de eigen stand was in aristocratische kringen lange tijd taboe. In de jaren zestig en zeventig schaamden edelen zich zelfs voor hun titel en probeerden die soms verborgen te houden. Er lijkt sprake van een kentering: de Adelsvereniging bloeit en ook de Vereniging voor Jonge Adel in Nederland geniet toenemende populariteit. Allard is lid: ‘Uit nieuwsgierigheid ben ik een keer gaan kijken. De vereniging organiseert af en toe activiteiten, zoals een bal of een borrel. Er zitten mensen bij die hun adellijke afkomst heel belangrijk vinden, maar persoonlijk voel ik me niet anders of beter dan anderen. Het enige dat ons onderscheidt is de titel.’ Constantin begeeft zich opzettelijk niet in de edele kringen: ‘In Maastricht heb ik enkele andere adellijken ontmoet. Zij maakten behoorlijke heisa over het feit dat ze van adel zijn en deden zich maar al te graag superieur voor, terwijl sommigen van hen heel dubieuze titels droegen.’ Lieke benadrukt dat ze, juist vanwege het elitaire karakter, weinig op heeft met haar adellijke afkomst. ‘Ik heb een grote familie waarin sommigen het belangrijk vinden, maar ik hecht er weinig waarde aan. Naar een debutantenbal zou ik nooit gaan en het beeld van de adel dat ik in de media tegenkom, staat me tegen.’
De jongste generatie wil niet elitair zijn, maar geniet volgens Constantin nog steeds een traditionele opvoeding. ‘Ik ben intensief onderwezen over etiquette zoals het vasthouden van mes en vork, het correct begroeten van mensen en hoe men zich dient te gedragen.’ Ook Allard erkent dat er een bepaalde levensstijl bij zijn familie hoort. Het familiewapen van zijn familie, die zijn oorsprong vindt in de dertiende eeuw, bevat de spreuk ‘Craignez honte’: vreest schaamte. ‘De drang om iets van het leven te maken heb ik wel meegekregen. Ik ben netjes opgevoed, heb geleerd om met twee woorden te spreken en in een restaurant valt het me op als het bestek verkeerd ligt. Er zijn dingen die ik nooit zou doen, zoals een sekslijn exploiteren. Maar een dergelijke levensstijl is natuurlijk niet exclusief aristocratisch, ik denk dat er heel veel families zijn waarvoor dit geldt.’

Van kasteelheer tot hotelier
Enkele overblijfselen herinneren nog aan vroeger tijden: een familiewapen, een stamboom, een kasteel. De familie van Lieke heeft de sleutel van hun slot overgedragen aan Monumentenzorg, het landhuis van de familie Bentinck wordt nog bewoond door een oudoom en een van de twee kastelen van de familie Von Maltzahn is omgebouwd tot een goedlopend hotel. Het zijn stille getuigen van een tijd waarin de adel een bevoorrechte maatschappelijke positie had. Lieke heeft weinig binding met die periode: ‘Vroeger werd de adel in bestuursfuncties geplaatst, tegenwoordig zijn die voor iedereen toegankelijk.’
In de familie van Allard wordt de baronstitel op alle kinderen doorgegeven. Dat is bij Lieke niet het geval. Mocht haar broer geen kinderen krijgen, dan verliest de familie de titel baron. ‘Ik vind het wel jammer dat het bij ons zo’n mannelijk iets is, dat het alleen op de oudste zoon wordt doorgegeven.’ Heeft de jongste generatie dan toch nostalgie naar de aristocratische glorietijd? Volgens Lieke niet. ‘Adel is iets van het verleden, niet van de toekomst.’

De hiërarchie van de adel in Nederland
Prins: wordt enkel nog door leden van het Koninklijk Huis gevoerd. De troonopvolger draagt de titel Prins van Oranje.
Hertog: in de vroege middeleeuwen was de hertog een legeraanvoerder. Zijn gezag over een gebied nam in de loop der tijd toe. In Nederland bestaat de titel niet meer. In België voert de kroonprins de titel ‘Hertog van Brabant’.
Markies: de Britse ambassadeur in Nederland ontving in 1815 de titel ‘Markies van Heusden’. Zijn nazaten voeren deze titel nog steeds, maar Nederlandse markiezen zijn er niet meer.
Graaf: deze titel werd door Karel de Grote aan zijn hoogste ambtenaren verleend. In de negentiende eeuw werden loyale ambtenaren die al een titel bezaten bevorderd tot graaf. In het verleden mochten 42 geslachten zich graaf noemen, tegenwoordig zijn er daarvan nog 27 over. De kinderen van leden van de Koninklijke Familie die niet tot het Koninklijk Huis behoren, ontvangen deze titel.
Baron: de meest voorkomende adellijke titel in Nederland. Van de 212 families die hem ooit mochten voeren, zijn er momenteel nog 103 over. De Duitse titel Freiherr is van vergelijkbare rang.
Ridder: de laagste adellijke titel. Van de negentien geslachten die zich in Nederland Ridder mochten noemen, bestaan er heden ten dage nog zeven.
Jonkheer/jonkvrouw: iedereen die wel van adel is maar geen titel heeft, mag dit predicaat voeren.