Stefan Verweij: applaus met fluwelen handschoenen
‘Normen en waarden zijn een schijnveiligheid. Je kunt je erachter verschuilen.’ Stefan Verwey, gevierd cartoonist, over de huidige maatschappij, zijn tekeningen en natuurlijk spruitjes.
Tekst: Anne Elshof en Marieke Haafkes
Foto: Sjors Overman
Stefan Verwey (60), wiens cartoons in befaamde buitenlandse tijdschriften als The Spectator en Der Tagesspiegel zijn verschenen, ontvangt ons in zijn weelderige achtertuin in Beek. Dat Verwey de nuchterheid zelve is gebleven, wordt al snel duidelijk. ‘Ik verbaas me er nog steeds over dat mensen geld willen betalen voor een paar krabbels’, aldus de man die onder andere de Inktspotprijs en de Ton Smitspenning voor zijn oeuvre mocht ontvangen. De geboren Nijmegenaar is in Nederland bekend van zijn wekelijkse cartoons in de Volkskrant en De Gelderlander, waarin hij humor weet te combineren met onvervalste maatschappijkritiek.
Door De Gelderlander is ooit een cartoon van uw hand geweigerd. Is de regionale krant kleinburgerlijker in het stellen van grenzen dan de progressieve Volkskrant?
‘Nee, dat ervaar ik niet zo. Door de Volkskrant is vroeger ook wel eens een tekening geweigerd, maar nu gebeurt dat bijna niet meer, ook niet bij mijn collega’s. Alles kan tegenwoordig. Sowieso gaan mijn cartoons voor de Volkskrant over het literaire leven, terwijl ik in De Gelderlander mijn kijk op de samenleving geef. Die laatste betreffen onderwerpen waarvan ik het belangrijk vind dat erover wordt nagedacht. Maar ik ben geen wereldverbeteraar.’
Wat houdt die kijk op de maatschappij in?
‘De individualisering heeft de overhand gekregen. De schreeuwers hebben het nu voor het zeggen. Dat is ook te zien aan de televisieprogramma’s. De vervlakking en de ranzigheid zijn enorm toegenomen. Ik kan af en toe best genieten van een flutprogramma, maar tegenwoordig is 80 procent flut.
‘Men is veel consumptiever geworden. Daardoor is het in winkelcentra altijd zo druk. Natuurlijk is het leuk om nieuwe kleren te kopen, maar er zijn mensen die daar totaal van afhankelijk zijn. Dat heet dan “shoppen”. Ik vind het heerlijk om over dat soort zaken te tekenen.’
Vroeger was alles beter?
‘Nee, dat zeker niet. Het is flauwekul dat mensen klagen over de huidige generatie. Daarover wind ik me vaak op. Wie zegt dat vroeger alles beter was, wordt echt oud. Dat is namelijk helemaal niet waar. Neem Amsterdam. Het is bijna niet meer voor te stellen, maar die stad was vroeger ontzettend burgerlijk. Schrijvers als Remco Campert verruilden Amsterdam voor Parijs. Dat was toen de verlichte stad. Zij trokken daarheen om de spruitjeslucht te ontvluchten.’
Afgelopen maart vertoonde u live uw tekenkunsten in De Vereeniging, tijdens het Nijmeegse Boekenbal. Hoe is het om als cartoonist op het podium te staan?
‘Vergeleken met cartoontekenen is theater maken een stuk spannender. Als tekenaar verkondig je een mening, maar wat mensen daarvan vinden krijg je bijna nooit te horen. Het is als een applaus met fluwelen handschoenen. In het theater hoor je daarentegen direct wanneer mensen het niet goed vinden, dan wordt er niet gelachen.’
Soms wekken cartoons wel heftige reacties op. De Deense cartoonkwestie is daar een sprekend voorbeeld van. U zei vijftien jaar geleden in een interview met ANS: ‘Dat mensen kwaad kunnen worden om een tekening, daar ben ik altijd heel verbaasd over.’ Is uw mening sindsdien veranderd?
‘Nee. Het verbaast me nog steeds waarover mensen boos worden. Ik krijg wel eens brieven, waarvan ik denk: hoe kán je daardoor nou zijn gekwetst? Lange tenen, daarmee kun je nooit rekening houden. Die zijn vaak van mensen die de cartoonist niet snappen. De meesten weten eigenlijk helemaal niet wat satire is. Mensen die zelfverzekerd zijn, kunnen niet worden gekrenkt. Zij denken gewoon: “Dat is jouw mening en ik heb de mijne.”‘
In hetzelfde interview zei u: ‘Een tekenaar is pas echt goed als hij over alles kan tekenen.’ Heeft u dat punt inmiddels bereikt?
‘Nou, ik ben al wel een stuk verder. Wat voor een schrijver taal is, is voor mij beeld. Taal kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Beeld is veel sprekender en lokt daardoor meer reacties uit. Mijn stijl is door de jaren heen wel veranderd. Vroeger waren mijn tekeningen nogal cynisch; er zat een zekere somberheid in. Ik teken gemakkerlijker, maar ben nog steeds kritisch naar mezelf toe. Ik hoop dat ik op mijn sterfbed kan zeggen: ik kan tekenen.’






