Kees Blom: de studentenrector
Op 10 mei eindigt de ambtsperiode van Kees Blom, de huidige rector magnificus. ‘Over vijftien jaar herinnert men mij dankzij vier dingen: het Honours Programma, de naamsverandering, internationalisering en natuurlijk meer aandacht voor de student.’
Tekst: Pepijn Reeser
Foto: Sjors Overman
Het verzoek om rector magnificus te worden kwam als een verrassing. Het besluit van prof. dr. Kees Blom (60), hoogleraar Experimentele Plantenecologie, stond dan ook allerminst vast. De avond voordat hij de beslissing moest nemen, was Blom zo in gedachten verzonken dat hij tegen een boom fietste en ruim een uur bewusteloos in het bos achter de universiteit lag. Wat de keuze voor hem zo moeilijk maakte, was dat hij als rector veel minder contact met studenten zou hebben.
De oplossing bleek even simpel als vernieuwend: hij stelde ook als rector de student centraal. Het is het Leitmotif van bijna acht jaar rectoraat. Inmiddels is Blom de langst zittende rector magnificus in de geschiedenis van de Nijmeegse Alma Mater. Het waren acht drukke jaren: ‘Ik werk gemiddeld zestig uur per week, het is een zware baan.’ Zeven stellingen over de persoonlijke invulling van ruim twintigduizend uur rectoraat.
‘1. De rector magnificus heeft een ceremoniële functie.
‘Daarmee ben ik het oneens. De werkelijkheid is dat het Nijmeegse College van Bestuur (CvB) een heel collegiaal team is, waarbinnen veel overleg wordt gevoerd en iedereen eigen verantwoordelijkheden heeft. De voorzitter gaat over de centen en krijgt daardoor veel aandacht. De rector is op zijn beurt verantwoordelijk voor de kwaliteit van al het onderwijs en onderzoek van de universiteit. Het is dus een heel inhoudelijke functie.
‘De beeldvorming is wel begrijpelijk, aangezien ik vaak aanwezig ben bij openingen en plechtigheden. Maar volgens mij kun je dat niet afdoen als slechts ceremonie. De opening van het academisch jaar bijvoorbeeld heb ik inhoud gegeven door ieder jaar een thema te kiezen dat heeft te maken met een kerntaak van de universiteit. Daarop wordt inhoudelijk ingegaan door een studentspreker – dat is heel uitzonderlijk – en een gast die echt iets te melden heeft. Vroeger zat de aula nog niet halfvol, nu zijn wij de enige universiteit waar meer dan duizend aanwezigen zijn, waarvan 60 procent student. Op andere universiteiten is het slechts een bijeenkomst voor bobo’s.’
2. De universiteit staat er nu beter voor dan toen u begon.
‘Ik denk dat er in de geschiedenis van de universiteit zelden een periode is geweest waarin zo veel is veranderd. We hebben enorme vooruitgang geboekt, de inhoud van onze opleidingen is wetenschappelijker geworden en de interactie tussen zowel student en docent als onderzoek en onderwijs is verbeterd.
‘Aan internationalisering is in het verleden te weinig aandacht besteed; onze universiteit liep ontzettend achter. Daarom ben ik er met een knuppel tegenaan gegaan. Van de doelstellingen die het CvB had toen ik begon, is nu de helft gerealiseerd: er is Engelstalig onderwijs, de docenten zijn veel sterker internationaal georiënteerd en er vinden meer uitwisselingen plaats. Bovendien ben ik persoonlijk begonnen met het opzetten van het internationale universiteitsnetwerk IRUN. Ik vind het een kwestie van overleven: wil de RU voortbestaan, dan zullen we internationaal moeten zijn.’
3. In tegenstelling tot uw voorganger Theo van Els, die zich stoorde aan de drang van universiteiten om eerste op een ranglijst te zijn, hecht u daaraan juist veel waarde.
‘De politieke situatie is ook totaal veranderd. Hoe hoger op de ranglijst, des te meer financiële steun een universiteit van de overheid kan verwachten. Het is dus pure noodzaak om bovenaan mee te draaien, anders raakt de geldstroom naar Nijmegen opgedroogd. Wij zijn voor 60 procent afhankelijk van de overheid. Het ergste is nog dat, terwijl de financiële middelen alleen maar minder worden, de controlezucht de afgelopen jaren juist is toegenomen. Er is sprake van enorme overregulering van het hoger onderwijs: de tijd dat een wetenschapper zelf kon bepalen wat hij deed, is helaas voorbij.
‘De politiek maakt één heel grote vergissing: er wordt nauwelijks geïnvesteerd in de jeugd. Daaraan gaan wij als toonaangevende samenleving kapot. Tien jaar geleden hoefde Nederland op het gebied van onderwijs slechts twee landen boven zich te dulden. Nu bungelen we rond de twintigste plaats, nog onder Griekenland. Dat is schandalig.’
4. Bij uw aantreden had de universiteit een schuld van 25 miljoen gulden en ook bij uw herbenoeming was de financiële situatie niet rooskleurig. Het is frustrerend dat u constant moest bezuinigen.
‘Ja, af en toe was het wel frustrerend. Al spreek ik van ombuigen, niet van bezuinigen. Dit CvB heeft ervoor gekozen de financiële middelen te besteden aan onderzoek en onderwijs. We hebben ook veel geld besteed aan nieuwbouw en renovatie. Dat ging ten koste van de ondersteunende diensten. Zo zijn de lezingen van Studium Generale gesneuveld omdat daar voornamelijk oudere mensen uit de omgeving naartoe kwamen. Het geld dat vrijkwam, is gebruikt om het Honours Programma op te zetten.
‘Dat het goed gaat met de universiteit is te danken aan het vele overwerk dat hier wordt verricht. De veerkracht van onderwijsgevenden blijkt enorm te zijn. Loop maar eens ’s avonds over de campus en kijk hoeveel licht overal nog brandt. Dat zijn allemaal mensen die ’s ochtends om kwart over acht al zijn begonnen. Hoger onderwijs is topsport: het draait zowel om onderzoek als onderwijs. Zijn er ergens in de maatschappij mensen die twee net zo belangrijke taken uitvoeren? Volgens mij niet.’
5. De katholieke identiteit is ten dode opgeschreven.
‘De naamsverandering van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) tot Radboud Universiteit had niets te maken met het loslaten van de identiteit. Het CvB wilde helderheid verschaffen, want in de VS werd gedacht dat de KUN een priesteropleiding was. Overigens wordt de druk vanuit de samenleving om het katholieke aspect te laten vallen wel steeds groter. Desondanks wilde ik die status beschermen, want wij zijn historisch verbonden met het katholicisme en dat is van grote waarde. Er is ooit iemand naar mij toe gekomen die het kruisbeeld uit de aula wilde verwijderen. Toen heb ik gezegd: we verwijderen niet het kruisbeeld, we verwijderen jou!’
6. Deelnemen aan het verenigingsleven en een sociaal leven opbouwen is belangrijker dan in vier jaar afstuderen.
‘Ja, maar het mag zeker geen zes jaar worden. Dat kan echt niet vanwege de regelgeving uit Den Haag. Ik vind het ongelofelijk belangrijk dat studenten over de grenzen van hun vakgebied heen kijken en zich breed ontwikkelen. Daar hoort het verenigingsleven natuurlijk bij. De Nederlandse samenleving heeft behoefte aan brede academici die zijn gewend om methodologisch te denken en onderzoek hebben gedaan. Vanuit dat ideaal sta ik helemaal achter initiatieven als het Honours Programma. Toen de RU in 2002 daarmee begon, was het de eerste Nederlandse universiteit die zo’n extracurriculaire opleiding aanbood. Inmiddels heeft iedere Nederlandse universiteit een dergelijk programma.’
7. Een rector magnificus kan na zijn ambtsperiode niet weer aan dezelfde universiteit het onderwijs en onderzoek in.
‘Het zal zeker lastig zijn, maar ik wil het wel proberen. Eerst ga ik met sabbatical om me weer bij te werken in mijn vakgebied, de experimentele plantenecologie. Daarna beslis ik of het nog zinvol is om terug te komen. Ik heb wel zin om opnieuw het onderwijs en onderzoek in te gaan. Uiteindelijk ben ik toch liever onder studenten dan onder bestuurders.’
Cornelis Wilhelmus Petrus Maria (Kees) Blom
1970 – 1985:
Wetenschappelijk medewerker en directeur van het Biologisch Station te Oostvoorne
1979:
Proefschrift: Effects of trampling and soil compaction on the occurrence of some Plantago species in coastal sand dunes
1985:
Hoogleraar Ecologie
2000 – 2007:
Rector Magnificus Radboud Universiteit







Pingback: Een ‘katholieke’ universiteit, kan dat nog wel? | Derek-Jan.nl
Pingback: Wereld » Een ‘katholieke’ universiteit, kan dat nog wel?