Maartse buien
Ze wonen met duizenden in containers die zijn omgebouwd tot studentenkot. Aan de linkerkant is het hoofdkwartier van de Hell’s Angels, rechts zwaaien naakte mannen vanachter de tralies van de Bijlmerbajes. Ze zijn afkomstig van het Noord-Hollandse platteland, uit plaatsjes met weinig tot de verbeelding sprekende namen, zoals Schagen of Noord-Scharwoude. Ze spreken met een dikke l, alsof ze constant dronken zijn. Het afgelopen half jaar waren ze mijn medestudenten. Aan de Vrije Universiteit, te Amsterdam.
Ik reisde elke dag naar Amsterdam per trein. Mét medereizigers. Zoals een man – bal, vettige haren – die de hele reis in zijn telefoon zit te grinniken. Of een breedgeschouderde Turk die zijn witte, wollige hondje gedurig op de hoogte houdt van de vorderingen van de reis. ‘We mogen er zo uit, hoor.’
Op de VU. We hebben een college over spelling. Ik merk op dat ik me niet kan voorstellen dat masterstudenten niet weten wat een passieve zin is. Na het college neemt de docente me apart. ‘Die kritische houding van jou is respectloos. Ik heb liever dat je voortaan geen vragen meer stelt.’
In de trein. Naast me neemt een vrouw met sliertige grijze haren plaats. Ze bladert knikkend door haar aantekeningen. ‘Nou, dat vind ik ook!’ zegt ze. En even verder: ‘Dat klopt niet helemaal, nee, dat is niet goed.’ Al dat gewauwel, wat is er met de Nederlander aan de hand?
Op de VU. Ik ben uitgenodigd voor een bacheloruitreiking. Het feestvarken ontvangt het traditionele VU-collectebusje, waarmee geld kan worden opgehaald bij de gereformeerde achterban (al schijnen er tegenwoordig pepermuntjes in bewaard te worden). Er is een afgezet stukje kantine, waar we tot zeven uur ’s avonds een biertje mogen drinken.
In de trein. Waarom zit een groot deel van de reizigers tegen zichzelf te wauwelen? Is dit individualisering, of juist niet? De NS (die zich tot doel stelt het Nederlandse landschap te laten zien door regelmatig bustours te organiseren) deelt mijn zorgen. Bij binnenkomst in de elegante, geel-met-blauwe koetsen kunnen passagiers genieten van een gedicht. ‘Een in de steek gelaten sok – een van een paar.’ Hartverscheurend. En wie leest, is stil.
Op de RU, in de bieb. Toch maar hier gebleven. Ik probeer te studeren, maar mijn gedachten dwalen af. Naar het boekje Holland lacht. 100 moppen uit de Gouden Eeuw, dat me vanuit de rekken toegrijnst. Zijn lach is onweerstaanbaar, ik trek hem naar me toe. ‘In de zeventiende eeuw stonden Nederlanders bekend als humoristisch en clownesk’, lees ik. En ook: ‘In sommige herbergen en kroegen traden komedianten op die elk om ’t hardst potsen verhaalden en verzen uitbromden’.
In de trein. Niet dat de muziek in cafés me niet bevalt, maar in de trein zou het een stuk aangenamer worden als de reizigers elkaar zouden vermaken met moppen. Die gedichten van NS maken de reis er immers niet vrolijker op. Ik pak Holland lacht erbij. Kijk de student tegenover me aan. Schraap mijn keel.






