Cleijne Column
‘Waar was je in de nacht van 3 op 5 oktober?’ luidde de vraag. ‘Dat is een lange nacht’, zei ik. ‘Geef gewoon antwoord, want anders!’ ‘Je doet anders was?’ vroeg ik. ‘Ik doe geen was, ik ben een leugendetector!’ zei de machine. ‘Je detecteert anders niet dat ik op het punt sta om je eens flink pijn te doen,’ dreigde ik. ‘Je doet maar, ik ben toch niet bang voor loze dreigementen!’ ‘Je liegt!’ riep ik. De naalden van de polygraaf sloegen zo hard uit dat ze afbraken en alle kanten op sprongen. ‘Nu ben je een gehandicapt machientje,’ zei ik, en trapte hem volledig uit elkaar. ‘Erik… ik ben je vader…’ zei hij met zijn laatste uitslag. Maar ik wist de waarheid. Mijn vader was een afstandsbediening. Of bediende er in ieder geval
non-stop eentje.
Toen ik de klink van de stalen deur die naar mijn vrijheid zou leiden naar beneden deed, deed iemand hem aan de andere kant omhoog. Kennelijk wilde men mij niet zomaar laten gaan. Ik bukte om mij te ontdoen van de zware stalen ring, die mij via een ketting vasthield aan een zeemijn. Toen ik overeind kwam, was de aanblik van de deur vervangen door die van een eend. Ik graaide in mijn magische jaszak en haalde er wat stukjes brood uit tevoorschijn. Douwe Dabbert komt meestal met wat nuttigers, want zodra ik eend terug aankeek nadat ik het brood door de kamer had gestrooid, zei eend: ‘Ik lust geen brood.’ Eend had meer op met leugendetectors, en duwde me aan de kant om zich tegoed te doen aan het overleden apparaat. Voorzichtig stak ik mijn hoofd de gang in. De gang stak terug. Gifgroene wc-tegeltjes op de vloer, tegen de muur, en op ieder tegeltje de afbeelding van een soort mini-ambulance. Een knalpaarse. Terwijl achter me eend het polygraaf schond, waagde ik de sprong. Achteraf gezien maakte het niet uit dat ik niet eerst het raam open maakte waardoor ik mezelf wierp, want ik landde in een glasbak.
Ieder drankje dat de glasbak me wilde inschenken, sijpelde zo door het kapotte glas. ‘Dit is het beste glas dat ik heb,’ verontschuldigde hij zich, en begon zachtjes te huilen. ‘Maakt die lul je aan het huilen?’ klonk het van boven. Ik keek op, en een tweede glasbak stortte zich op die waar ik in zat. Met zijn stukke glas maakte hij mij stuk. Mijn verdiende loon.






