De Nieuwe Stad
Niets gaat langzamer dan de Veerhaven XIII. Het water haalt zichzelf keer op keer in, tekent krullen op het oppervlak terwijl het stokjes, flessen, touw, dopjes, yoghurtbekers en stukken van plastic tassen naar de kant, voor onze voeten, draagt.
We praten weinig, maar drinken des te meer. We kijken voornamelijk naar het water. Als we al iets zeggen, is het langzaam en in een lagere stem dan gewoonlijk. De gedachten die we hier hebben, zijn zo lang dat het ons tijd kost ze te formuleren en vaak vergeten we de volgorde nog als we eenmaal met uitspreken van de zin begonnen zijn.
De wijn drinken we in een vertrouwd tempo. Op een goede avond gaan we door drie à vier flessen heen. In de schaduw van de spoorbrug luisteren we naar het lage geneurie van de duwbakken. Achter ons zit de redactie van de krant. Ik ben er nooit binnen geweest, maar ik stel me altijd voor dat er mensen met stapels papier rondrennen, markervlekken op hun witte overhemden en altijd een kop koffie in de buurt.
Wij drinken het ene glas na het andere en tellen hardop hoe lang de verschillende Veerhavens erover doen om onder de spoorbrug door te komen. Een enkele keer zwaait een schipper naar ons. Wij telden ooit drieëntwintig verschillende Veerhavens, met een gemiddelde van zes mannen aan boord. We zouden ons graag bij hen voegen, het liefst op nummer XIII, maar we hebben er de papieren niet voor.
Elke fles die we leegdrinken, gooien we in het water met een briefje erin opgesloten. Op het briefje staat:
Wij zitten onder de schaduw van de spoorbrug met achter ons het kantoor van de krant. Waar zit jij?
Tot nu toe hebben we nog geen bezoek of bericht teruggekregen. Dat laatste kan met de stroming te maken hebben. Van dat soort dingen hebben we geen verstand.




