Loading...
Je bevindt je hier:  Home  >  Papieren ANS’en  >  ANS maart 2012  >  Wanssumse wind

Wanssumse wind

De één schrijft een masterscriptie over het VN-beleid inzake Rwanda, de ander over de rigiditeit van de Brillouin zone. Bij mij ging het over de fanfare van Wanssum.

Een koude donderdag in Wanssum. Ik had de auto van mijn ouders geparkeerd bij de kleine jachthaven, aangelegd in de gouden jaren zestig. Ik zat achter het stuur en las een boek. Het was rustig buiten. Drie uur moest ik zien te overbruggen. Piet, mijn belangrijkste contactpersoon ter plaatse, kreeg om vier uur bezoek en het oud-fanfarelid dat ik wilde interviewen kon alleen ’s avonds. Het ging snel met het boek. Het was dan ook een goed verhaal. Er liepen twee oude dames langs de auto. ‘Kijk, die is aan het lezen’, hoorde ik.

Ik was bij Piet in huis geweest. In de woonkamer had hij me fotoalbums laten zien. Zijn vrouw kwam even gedag zeggen en verdween weer achter in het huis. Later bracht ze koffie. Ik zei niet dat ik liever thee dronk. Ik nam flinke slokken. Toen ik naar de wc moest, zag ik dat ze in de keuken zat te breien. Piet gaf me een scheldwoordenboek van de regio. ‘Die mag je hebben’, zei hij. Ik bladerde het door. ‘Er staat in hoe wij in Wanssum door mensen uit de andere dorpen worden genoemd: Wanssumse wiend. Dat betekent dat we ons verheven zouden voelen.’ ‘En klopt dat?’ vroeg ik. Piet lachte. ‘Een beetje. We zijn gewoon trots op wie we zijn. Daar is toch niks mis mee?’ Ik begreep waarom ik welkom was in Wanssum. Ze dachten vast dat het een mooi, positief verhaal zou worden. Maar mijn scriptie werd een rise and fall. In de jaren tachtig ging het slecht met de fanfare. Veel leden lieten zich niet meer zien bij repetities en andere activiteiten. Negen jongeren stopten tegelijkertijd. ‘De zaak is ernstig, maar we moeten niet in paniek raken’, zo stond in de notulen van een jaarvergadering.

Voor ik naar het oud-lid ging, at ik in de enige Wanssumse cafetaria. Ze hadden shoarma en dat leek me wel wat. Maar er stonden Nederlanders achter de toonbank; het smaakte nergens naar. Het oud-lid was een zwijgzame man. Ik had de voice-recorder aan staan, maar er vielen veel stiltes. Ik zag al voor me hoe ik later het bandje steeds door moest spoelen. Hij was destijds gestopt vanwege zijn studie. ‘En ik had andere interesses. Meer is er niet over te zeggen.’ Toen hij me uitliet, vroeg hij: ‘Schrijf je echt een scriptie over de fanfare?’

Kijk hier voor de andere artikelen uit de maart-ANS