M#
Iets lukt, of net niet. Dat klinkt misschien wat Cruijffiaans, maar dat doet het waarheidsgehalte alleen maar goed.
Mijn ontwaken kan zeer geslaagd zijn. Bij voorkeur aait iemand me wakker, maar ik kan het ook goed alleen. Soms doe ik mijn ogen net voor de wekker gaat open. De zon schijnt. De wekkerradio springt aan op het moment dat Giel om een geile goeiemorgen smeekt bij een giechelig tienermeisje. Ik spits mijn oren. Ik hou van Giels geile goeiemorgens. Niet per se omdat ik van kreunende vrouwen hou. Ik doe het voor de ‘oeh’ van de 3fm dj, die er steevast op volgt. Giels ‘oeh’ garandeert mijn goede morgen.
Traplopen. Dat is iets wat me meestal wel lukt. Maar het moet een keer misgaan. Wanneer ik een trap bestijg of afdaal, bij voorkeur eentje van beton of baksteen, zie ik het al helemaal voor me. Ik struikel, doe een onbenullig, onhandig misstapje, en val hard voorover. Mijn kaak raakt een trede – precies op de hoek. Er kraken dingen, mijn tanden verbrijzelen. Een beetje zoals in de stoeprandscène van American History X. Ik zie mezelf al liggen, kreunend en tandeloos, met een afdruk van de trede in mijn wang. Soortgelijke bloederige of dodelijke fantasieën doen zich voor wanneer ik over bruggen of snelwegen rij, een klein kind optil of een scherp mes afdroog. Ooit las ik ergens dat het gezond is om dit soort fatale gedachtenspinsels te hebben, dat alleen psychopaten hier geen last van hebben. Dat geloof ik dan maar. Hopelijk heb ik dat goed begrepen. Dan is het me vooralsnog toch maar gelukt om niet te ontaarden in een psychopaat.
Mijn rit naar de universiteit lukte vandaag wat minder goed. Ik stond te laat op, kreeg mijn fiets niet zonder schaafwonden op mijn knokkels langs de tweewielers van mijn huisgenoten, die ze voor de aardigheid in de gang voor de voordeur hadden gestald. Ik had weer geen post. Alle stoplichten stonden op rood. En hij zag me niet.
Normaal ziet hij me al van verre aan komen. Hij heeft een nogal saai baantje, daar zal het wel door komen. Het enige wat hij de hele dag doet is kijken of er geen stiekeme auto’s passeren, en of alle fietsers op de afgesloten Heyendaalseweg wel netjes rechts houden. Er zouden immers zomaar hulpdiensten langs kunnen komen.
Hij heeft een wenkbrauwpiercing, blonde stekels en een brutale grijns. Normaal kijkt hij naar me, grijnst, en zegt ondeugend gedag. Vandaag net niet. Hij wendde zijn hoofd af. Met een boogje spuugde hij zijn kauwgum richting een putje in de goot. Zinloos, want dat is een van de dingen die nooit lukken. Sleutels, knikkers en andere waardevolle zaken verdwijnen met grote regelmaat tussen de onverbiddelijke spijlen, maar welgemikte kauwgumpjes stuiteren hardnekkig weg. Let er maar eens op. Rond putdeksels liggen altijd meer platgewalste kauwgums dan op de rest van de straat. Iedereen mikt. Bijna raak. Net niet.






