ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Radboud Inc.

De Radboud Universiteit is door vermindering van overheidsgeld steeds meer onderhevig aan bedrijfsinvloeden en commercialisering. Worden bedrijven te machtig op de Nijmeegse campus?

Tekst: Anouk Broersma en Roel Neijts
Illustratie: Martijn Houben

‘De Organon-zaal? Rechtdoor, even doorlopen tot na het Unilever-plantsoen, en dan links naast het Philips-auditorium.’ Is deze fictieve routebeschrijving toekomstmuziek? Wellicht. Het staat vast dat bedrijven een steeds grotere financiële rol vervullen bij onderzoek, waardoor een grotere invloedssfeer ontstaat.
De ontwikkeling lijkt logisch: door de verminderde eerste geldstroom (overheidssubsidie) en tweede geldstroom (overheidsverbonden instituten, zoals de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, de KNAW) moet de pecunia ergens anders vandaan komen. Daarom wordt bij menig bedrijf aangeklopt voor medefinanciering (derde geldstroom). Bedrijven zijn op hun beurt geïnteresseerd in wetenschappelijk onderzoek, vanwege commerciële successen die eruit kunnen voortkomen. De overheid stimuleert bovendien de toename van de derde geldstroom en eist vaak maatschappelijke relevantie bij onderzoeken. Het beleid van de overheid zorgt er op deze manier voor dat het bedrijfsleven meebetaalt aan universiteiten en dat onderzoek aansluit op de wensen van het bedrijfsleven. Door de huidige situatie lijkt de universiteit haar status van onafhankelijke onderwijs- en onderzoeksinstituut te verliezen.

Non-commercial use
In het Nijmeegse UMC St. Radboud is steeds vaker sprake van medefinanciering: een deel van de onderzoekskosten wordt betaald uit overheidssubsidies, en een deel uit eigen zak. Drs. Dorien Wellen, hoofd afdeling Kennisexploitatie en Bescherming, bekent dat het UMC vaak niet weet waar het geld vandaan moet komen. Samenwerkingsverbanden met bedrijven die bereid zijn financiële hulp te bieden, zijn dan meer dan welkom. Wellen licht toe: ‘In sommige gevallen gaat een wetenschapper zelf op zoek naar een sponsor, en soms komt een bedrijf met een duidelijke opdracht naar het UMC, om bijvoorbeeld medicijnen te testen. Vooral bij de laatste vorm van samenwerking bestaat een groot risico van beïnvloeding van de wetenschap door het bedrijfsleven.’ Om dit soort praktijken te voorkomen, moet aan twee voorwaarden worden voldaan. ‘Ten eerste moet het onderwerp passen binnen de koers die de onderzoekers hebben uitgestippeld en daarnaast moeten in het contract afspraken worden opgenomen over non-commercial use: de onderzoeker mag het onderzoek gebruiken voor niet-commerciële doeluiteinden,’ legt Wellen uit.
Doordat het afsluiten van contracten tot het integraal management behoort, heeft elke faculteit de bevoegdheid eigen voorwaarden te stellen. Daarbij moet de gedragscode van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) wel worden gehandhaafd. Ook de KNAW heeft richtlijnen opgesteld voor wetenschappelijke onafhankelijkheid, in het rapport Wetenschap op bestelling. Het rapport is verschenen in september 2005 na de vraag van minister Van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de onafhankelijkheid van de universiteiten onder de loep te nemen.
De code en richtlijnen attenderen op het behoud van de wetenschappelijkheid van onderzoek. Een belangrijke vraag is van wie de rechten over het resultaat zijn. Op de Faculteit der Managementwetenschappen wordt samen met TNO onderzoek gedaan voor het leger. Bij een dergelijke opdrachtgever ligt publicatie gevoelig. Drs. Maurice Bouwens, beleidsmedewerker bij het onderzoekinstituut van deze faculteit: ‘In het contract is vastgelegd dat het resultaat toebehoort aan het leger en daarbij is een geheimhoudingsplicht. Er mag maar zijdelings worden gepubliceerd.’ In de VSNU-gedragscode staat echter dat het geheimhouden van gegevens hoogstens tijdelijk en op grond van goede argumentatie mag gebeuren. Door stilhouden van resultaten is de wetenschap immers niet gebaat bij het onderzoek.

Stichting Kapitalistische Universiteit
Bedrijfsinvloeden blijven niet beperkt tot universitair onderzoek, maar zijn ook mogelijk op hoger niveau. Alle Nederlandse universiteiten hebben een Raad van Toezicht, die controle uitoefent op, en advies geeft over, het beleid van het College van Bestuur (CvB). In Nijmegen zijn dit functies van het bestuur van de Stichting Katholieke Universiteit (SKU). Het SKU-bestuur bestaat uit leden afkomstig uit de religieuze en wetenschappelijke wereld, de kunstsector, de media en het bedrijfsleven. Door deze veelzijdige samenstelling blijft ook het advies in balans, en blijft de universiteit stevig in alle hoeken van de maatschappij verankerd.
Onlangs werd de Universiteit Utrecht nog beschuldigd van belangenverstrengeling. Afgelopen jaar werd Capgemini daar aangesteld als leverancier van de universitaire informatietechnologie. Toevalligerwijs werd twee maanden voorafgaand aan deze keuze Caren van Egten aangewezen als lid van de Utrechtse Raad van Toezicht, terwijl zij ook al vice-president van Capgemini was.
Hoewel op het eerste gezicht lijkt dat ook de leden van het Nijmeegse SKU-bestuur een dubbele pet op hebben – met Joep Brentjes, als commissaris bij Océ en nog enkele leden afkomstig van bedrijven waaronder Rabobank en TNO – wordt door de universiteit beïnvloeding ontkend. RU-woordvoerder Willem Hooglugt verklaart: ‘De huisbankier van de Radboud Universiteit is de Fortisbank, de tweede bank ABN-AMRO. Met deze banken hebben we geen bestuurlijke binding. Van belangenbehartiging is dus geen sprake.’ Bovendien zijn we bij grote opdrachten gebonden aan Europese aanbestedingsregels, waardoor bevoorrechting totaal wordt uitgesloten.’
Opmerkelijk is dan dat op 27 maart in nrc.next te lezen viel dat ook de Utrechtse deal met Capgemini een Europese aanbesteding was. Volgens een woordvoerder van de universiteit heeft de Raad van Toezicht daar ‘geen directe bemoeienis’ in gehad. Het lijkt hierdoor alsof er een kloof bestaat tussen Europese regels en het beleid van de Raad van Toezicht, waarbij belangenverstrengeling nooit geheel is uitgesloten.

De U van Universitair
Ondanks talrijke relaties tussen bedrijf en universiteit hoeven we niet bang te zijn voor totale overheersing door het bedrijfsleven. Dr. Margaret Mullally, assistant scientific director van het Nijmegen Centre for Moleculair Life Sciences (NCMLS), benadrukt dat de industrie net zo afhankelijk is van de wetenschap als andersom. Het NCMLS doet onderzoek samen met bedrijven als Philips en Organon. Mullally: ‘De industrie probeert de opdracht wel te sturen, maar vaak gebeurt het andersom. Bedrijven bepalen wel de basis, maar voor de details missen ze de expertise.’
De stelling dat een grote derde geldstroom fundamenteel onderzoek – dat vaak niet interessant is voor bedrijven – in de weg zou staan, lijkt overdreven. Volgens Bouwens is er geen risico op verwaarlozing van dergelijk onderzoek, aangezien het van maatschappelijk en cultureel belang blijft. ‘We maken ons absoluut niet afhankelijk van inkomsten van bedrijven. Er blijft voldoende geld in de eerste geldstroom om fundamenteel onderzoek te waarborgen.’
De angst voor belangenbehartiging lijkt tevens niet noodzakelijk. Op basis van de VSNU-gedragscode en KNAW-richtlijnen werken faculteiten aan een eigen regelgeving om verstrengeling te voorkomen. Zo ook het UMC. Wellen legt uit: ‘We willen de ‘U’ van Universitair bewaken. We zijn veel met geld bezig, maar dat mag niet het belangrijkste worden: het moet ten dienste blijven van het onderzoek.’
Bouwens ziet zelfs voordeel in een toenemende derde geldstroom. ‘Voor studenten is het belangrijk dat de overstap van universiteit naar de praktijk met weinig problemen verloopt. Colleges verzorgd door onderzoekers met contacten in het bedrijfsleven zijn een prettige aanvulling op de kennis van fundamentele wetenschappers.’