ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Ilja Pfeijffer: Tussen kunst en kritiek

Ilja Leonard Pfeijffer prijst zichzelf aan als de meest besproken dichter, romancier, essayist en polemicus van de jonge generatie. Hij schuwt het bovendien niet om een toneelstuk te schrijven waarin een acteur, als ‘verpersoonlijking van onechtheid’, premier van Nederland kan worden. ‘In alles wat ik maak, speelt de vraag of authenticiteit bestaat.’

Tekst: Maartje Bakker en Martine Peters van Ton
Foto’s: Sjors Overman

‘Bowien, mogen we nog een rondje?’ In de stille binnentuin van een Leids café tikt Ilja Leonard Pfeijffer (39) de ene La Chouffe na de andere weg. Met zijn lippen zuigt hij het schuim dat in zijn snor blijft hangen geroutineerd naarbinnen. Aan de andere tafeltjes praten stelletjes van middelbare leeftijd op discrete toon en in de hoek zit een drietal verlopen travestieten, gestoken in neonkleurige kleding. Café Burgerzaken is de werkkamer van Pfeijffer. Een laptop vindt hij pretentieus, maar hij heeft zijn opschrijfboekje altijd bij de hand. ‘Mensen zeggen soms precies datgene wat ik kan gebruiken. Dat verwerk ik dan in mijn gedichten of verhalen.’
Dit café is ook de geboortegrond van het toneelstuk De Eeuw van mijn Dochter, nu te zien in de theaters. Na ‘vele fysiek zware bijeenkomsten’ besloot Pfeiffer samen met Thijs Römer en Michel Sluysmans van toneelgroep Annette Speelt dit controversiële stuk te produceren. Premier Balkenende is dood en dochter Amelie, echtgenote Bianca en Jeroen Krabbé strijden om de macht. De Griekse goden Zeus, Athene en Apollo bemoeien zich er ook nog eens mee. ‘Het stuk stelt vooral vragen. Ik wil verwarring zaaien. Als alles zeker is, hoeft niemand meer na te denken.’

Lullig braderietje
Het treurspel is een aanklacht tegen het conservatieve klimaat in Nederland. De alexandrijnen waaruit het stuk is opgebouwd, liegen er niet om. Ons land ‘zal blijven als een dorp, een stralend schoon gebit / de gulle glimlach van de dominee, fanfare / een lullig braderietje hier en daar, gebaren / als schouderklopjes, boerenkool en weinig negers / en over grenzen waken onverschrokken legers’. Pfeijffer maakt zich ernstige zorgen om de verwaarlozing van individuele vrijheden. ‘De tijdsgeest en het beleid van het huidige kabinet zijn gericht op het promoten van gemeenschapszin. Dat klinkt natuurlijk leuk – gezelligheid, taartjes bij de verjaardag, hoed afnemen voor de buren – maar het betekent een beknotting van verworvenheden als euthanasie, abortus en koopzondagen. Bovendien wordt onze privacy door de angst voor terrorisme volkomen ondergeschikt gemaakt aan een heel ongrijpbaar veiligheidsgevoel.’
‘De conservatieve tendens komt voort uit het wegvallen van oude zekerheden’, denkt Pfeijffer. ‘Postmoderne filosofen zoals Lyotard hadden gelijk: de tijd van grote verhalen is voorbij. Allesbepalende ideologieën als het communisme, fascisme en eigenlijk ook het christendom voorzien niet meer in richtinggevende vanzelfsprekendheden. Mensen zijn op zoek naar houvast. Jonge gezinnetjes in buitenwijken zijn bang voor verandering. Bang dat Polen hun banen komen afpikken, bang dat er een asielzoekerscentrum in hun vredige wijk wordt gevestigd. Deze conservatieve houding is een heel primitieve reactie.’
Volgens de Leidse dichter kiezen de kabinetten Balkenende de verkeerde manier om de burger zekerheid te bieden. ‘Door verregaande hervormingen van het ziektekostenstelsel en bezuinigingen wordt veel materiële onzekerheid geschapen. Die onzekerheid wordt gecompenseerd met het inbouwen van immateriële zekerheden, door een beroep te doen op normen en waarden en door vrijheden te beknotten. Dat lijkt me precies het tegenovergestelde van wat zou moeten. Als mensen zich geen zorgen hoeven te maken over hun inkomen, kunnen ze culturele onzekerheden aan en zijn ze niet bang voor iemand met een andere huidskleur in hun straat.’

De nieuwe Homerus
Pfeijffers interesse in politiek begon al in zijn jeugd. Als tiener had de schrijver urenlang felle discussies met zijn vriendjes. Ten tijde van de wapenwedloop was hij tegen kernwapens, terwijl zijn klasgenoten ‘I love NAVO’-stickers op hun tassen plakten. Voor iemand die altijd al geëngageerd was, zou een politieke carrière niet misstaan. Pfeijffer peinst er echter niet over om politicus te worden. ‘Ach, daar ben ik veel te lui voor, al die dossiers lezen. Ik houd de regering liever vanaf de zijlijn in de gaten. Als je er middenin zit, verzuip je in de details en is het heel moeilijk om een visie vast te houden.’
‘Literatuur had altijd meer mijn interesse dan politiek. Toen ik rond mijn zestiende in aanraking kwam met poëzie, begon ik ook gedichten te schrijven. Wat geweldig is aan literatuur, is de mogelijkheid voor de lezer om direct in contact te komen met gedachten van een ander. Bovendien is het vaak heel zinvol, effectief en mooi vormgegeven. Het fascinerende aan kunst in het algemeen is dat het ervoor kan zorgen dat je anders naar de wereld gaat kijken.’
De studie Nederlands lag voor de hand, maar vader Pfeijffer, een ‘wijs man en neerlandicus’, zei: ‘Nederlands is geen vak, iedere boerenlul kan een stukje schrijven over de nieuwe roman van Connie Palmen. Je moet iets ambachtelijks gaan doen.’ Dat werd Klassieke Talen. Gegrepen door de Grieken promoveerde hij op een vergelijking tussen de klassieke dichter Pindarus en de Vijftiger Lucebert.
Het debuut van Pfeijffer was de dichtbundel Van de vierkante man, waarmee hij in 1999 de C. Buddingh-prijs won. Later breidde hij zijn oeuvre uit met verscheidene dichtbundels, romans, een collectie essays, een literatuurgeschiedenis en columns in onder andere nrc.next. ‘Ik kreeg een idee dat ik onmogelijk kon uitvoeren in een gedicht. Ik wilde het hebben over hoe de stad verhalen kan vertellen, en besefte dat zoiets alleen mogelijk was in een roman. Dat resulteerde in de Steppoli-tetralogie. De inhoud bepaalt de vorm van mijn werk.’
‘In een roman of gedicht is het mogelijk om een probleem van verschillende kanten te belichten, zodat een driedimensionaal beeld ontstaat, zonder dat ik een eenduidige, vlakke oplossing hoef te geven.’ Volgens Pfeijffer zijn de columns die hij schrijft niet gebaat bij enige vorm van nuance. ‘De heersende opvatting waartegen ik ageer, staat al duidelijk te lezen op de andere pagina’s van de krant.’

Een tweede leven
De meeste werken van Pfeijffer vinden geen aansluiting bij het grote publiek. Naar eigen zeggen is hij geneigd om te veel spelletjes te spelen in zijn teksten, waardoor het resultaat alleen geschikt is voor een select groepje kenners. Toch denkt hij stiekem na over commercieel succes: ‘Als ik ooit per ongeluk toch een bestseller schrijf, dan koop ik misschien wel een huisje in Rome.’ Wellicht loopt Pfeijffer binnen met zijn volgende project: ‘een heel raar soort boekje’ gebaseerd op een reportageserie die hij maakte over Second Life voor nrc.next. ‘Het is non-fictie over een fictieve wereld. Ik liep rond als een journalist, antropoloog bijna, op zoek naar verhalen achter avatars.’ De bereidwilligheid van de andere gebruikers om hun verhaal te doen, groeide door Pfeijffers uiterlijk: een roodharige, rondborstige deerne in een doorschijnende zeemeerminnenjurk.
‘In Second Life architecten die droomontwerpen realiseren, maar de meeste gebruikers zijn gewoon zichzelf, terwijl ze de vrijheid hebben om alles te worden wat ze willen. Ze bouwen een All-American Dallas-huis met een zwembad, maar hadden ook omgekeerde piramides in de lucht kunnen bouwen. Een meisje dat in het echte leven in een rolstoel zit, had in die wereld aanvankelijk benen. Ze voelde zich niet zichzelf. Toen heeft ze haar benen eraf laten halen en haar rolstoel digitaal laten namaken. Dat vind ik heel fascinerend: de raakvlakken tussen echt en onecht, feit en fictie.
‘De zoektocht naar wat authentiek is, de rode draad in al mijn werk, zag ik terugkomen in mijn observaties in Second Life. Een heel oud gedicht van me bleek er ook over te gaan, al was ik me daarvan destijds niet bewust. Ik ging op vakantie naar Venetië en schreef over mijn beeld van de stad, dat totaal door de reisgids en eerdere literatuur was bepaald. Wat is er echt aan een ervaring?’
Pfeijffer denkt dat ook de manier waarop mensen reageren in relationele crises, erg wordt bepaald door de fictieve wereld van bijvoorbeeld soaps. ‘Zelfs bij dat soort diepe emoties gaan mensen op zoek naar rolmodellen. Sterker nog, wanneer iemand niet reageert zoals gebruikelijk is in soaps, vinden andere mensen die persoon heel onecht. Wat zijn authentieke reacties? Bestaan ze wel?’ Pfeijffer vraagt zich af in hoeverre menselijk gedrag is voorgeprogrammeerd. ‘Op hun dertigste blijven de meeste mensen bij wie ze op dat moment zijn en nemen ze een lease-auto en een huis in een buitenwijk. Is dat eigen keus of niet?’
De schrijver twijfelt zelfs over zijn eigen authenticiteit. ‘Mensen die mij heel goed kennen, vinden mij misschien authentiek, maar onbekenden zien me vaak als een imago; een typische bohemien-dichter. Niet getrouwd, woonachtig in de binnenstad, vaak in het café te vinden, langharig.’ Alleen van zijn werk vermoedt hij dat het authentiek is: ‘Ik schreef voor het Leidse universiteitsblad Mare een column onder het pseudoniem De Meneer. Op een gegeven moment besloot De Meneer een lentegedicht te schrijven. Bang om te worden herkend, meette ik me een totaal andere stijl aan dan in mijn andere gedichten. Op donderdag lag dat nummer in de schappen en diezelfde middag kwamen er wel vijftig mensen op me af die zeiden: “Oh, dus jij bent De Meneer!”