ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Ed Wubbe – ‘Er is veel te veel dans in Nederland’

Al zeventien jaar is Ed Wubbe artistiek leider van het Scapino Ballet. Een van Nederlands meest vooruitstrevende choreografen kijkt vooral vooruit. ‘Dans is de kunstvorm van de toekomst.’ De voorstelling 4×20 Storyproof is 7 mei te zien in de Stadsschouwburg Nijmegen.

Ed Wubbe (51) stond op het punt om naar de Hogere Technische School te gaan toen hij voor het eerst een dansvoorstelling zag. ‘Ik dacht ineens: dit wil ik ook.’ Inmiddels is zijn naam onlosmakelijk verbonden aan het vooraanstaande Scapino Ballet, dat al jaren grote danspodia in binnen- en buitenland siert. Het feit dat dit gezelschap al meerdere malen het dansprogramma van Lowlands verzorgde is kenmerkend voor haar jonge karakter. Wubbe ontvangt ons in de studio’s in thuishaven Rotterdam waar hij zich met de dansers elke dag in het zweet werkt.

Je bent pas op achttienjarige leeftijd begonnen met dansen. Zou het tegenwoordig nog mogelijk zijn om met zo’n late start de top te bereiken?
‘Eerlijk gezegd denk ik van niet. Toen ik begon, was er nog een grote behoefte aan mannelijke dansers. Ik werd op de dansacademie aangenomen zonder dat ik iets kon. Dat zou in deze tijd ondenkbaar zijn. Dans heeft zich de laatste jaren enorm ontwikkeld. Er is veel meer concurrentie, zowel vanuit binnen- als buitenland. Het Scapino Ballet kent bijvoorbeeld elf of twaalf nationaliteiten. Zelf zou ik geen danser van 21 aannemen die net komt kijken.’

Wat heeft je doen besluiten te gaan choreograferen?
‘Ik ben mijn danscarrière begonnen bij het juniorengezelschap van het Nederlands Dans Theater. Het was de bedoeling dat ik zou doorstromen naar het hoofdgezelschap. Op een gegeven moment bleek dat ik die overstap niet kon maken. Dat had te maken met het feit dat ik zo laat was gaan dansen. Ik kreeg toen de kans om wat kleine stukken te choreograferen voor het juniorengezelschap. Dat vond ik zo leuk dat ik dacht: “Dit wil ik vaker doen.” Introdans, een dansgroep uit Arnhem, zag een van mijn stukken en vroeg of ik ook een choreografie voor hen wilde maken. Zo is het balletje gaan rollen. Ik heb me langzaam ontwikkeld van danser tot choreograaf. Uiteindelijk heb ik het dansen helemaal achter me gelaten.’

Het Scapino Ballet wordt gezien als een trendsetter in de danswereld. Zijn jullie zo vernieuwend?
‘Dat vind ik wel. Het Scapino Ballet is een van de weinige met een uniek repertoire. We zijn een middelgroot gezelschap. De meeste vergelijkbare groepen spelen allemaal successtukken van dezelfde gevestigde choreografen, waardoor ze inwisselbaar worden. Dat probeer ik te doorbreken door met onbekende en jonge choreografen te werken. We gaan minder voorspelbaar en spannender te werk.
‘Ook is het vernieuwend hoe transparant we zijn. Traditionele gezelschappen zijn heel gesloten. Wij willen juist naar buiten treden en mensen informeren. Dit doen we bijvoorbeeld door middel van livestream uitzendingen van onze repetities.’

In het boek ‘Dit is theater’ zeg je op het toneel mensen van vlees en bloed te willen laten zien, waarmee het publiek zich kan identificeren. Hoe bewerkstellig je dit?
‘Ik zie vaak balletten waarbij iedereen er hetzelfde uit ziet. Daar worden dansers uitgekozen die allemaal ongeveer even groot zijn en eenzelfde lichaamsbouw hebben. Er wordt een ideaalbeeld gecreëerd. Ik hou daar niet van. De dansers die ik uitkies zijn allemaal anders: klein, groot, dun, dik. Echt dikke dansers hebben we natuurlijk niet, maar ze zijn wel zichtbaar verschillend. Daardoor worden het mensen van vlees en bloed. Bij het Scapino Ballet zie je geen klonen, dat is zeldzaam in de vaak conventionele danswereld. Mede door die minder stijve presentatievorm trekken wij een jonger publiek.’

Je werk kent thema’s zoals desoriëntatie en miscommunicatie. Zijn deze kenmerkend voor deze tijd?
‘Dat weet ik niet. Ik vind het interessant een stuk te maken waarin er gevoelsmatig iets wringt. Een man of een vrouw met een perfect uiterlijk is niet spannend. Juist een kleine imperfectie kan iemand prachtig maken. Zo is ook een stuk dat alleen maar harmonieus is misschien wel mooi, maar ook saai. Ik vind het leuk om tegenstellingen bij elkaar te zetten, waardoor frictie ontstaat. Als ik iets dramatisch wil laten zien, doe ik dat bijvoorbeeld juist met humor.’

Hoe is het gesteld met dans in Nederland?
‘Het is moeilijk om het hoofd boven water te houden. Er is veel te veel dans in Nederland. Schouwburgen hebben vaak een programma met theater en cabaret. Ze programmeren vervolgens dans omdat dat nog ontbreekt. De programmeurs hebben er vaak weinig verstand van en kiezen voor de goedkoopste dansgezelschappen. Dat zijn meestal niet de beste groepen. Jammer genoeg worden er te veel voorstellingen gemaakt die ik niet goed genoeg vind. Die schaden het imago van dans en daarmee ook van de kwalitatief hoogstaandere groepen.’

Wat maakt een dansvoorstelling slecht?
‘Er wordt te veel amateuristisch werk gemaakt waaraan je kunt zien dat de dansers en choreograaf de techniek niet beheersen. Soms hebben de makers simpelweg een slechte smaak. Bijvoorbeeld wanneer er geweld, verkrachting en droogneuken op het toneel te zien is. Dat maakt een voorstelling kitsch. Choreografen kunnen soms de plank volledig misslaan. Het is moeilijk concrete voorbeelden te geven. Het is net als met muziek: er zijn dingen die ik niet mooi vind, maar waaraan ik wel kan horen dat het goed is gemaakt. Maar van Frans Bauer bijvoorbeeld kan ik de kwaliteit echt
niet inzien.’

Weet het grote publiek dat verschil in kwaliteit wel op te merken?
‘Het moeilijke van dans is dat weinig mensen er op een vakmatige manier naar kunnen kijken. Van muziek en literatuur hebben we allemaal wel een beetje verstand. Ballet is niet overal te zien of te koop. Dat maakt het imago elitair. De beoordeling van de kwaliteit ligt dus ook in handen van een relatief klein clubje. Dat is doodzonde, ik denk dat dans juist de kunstvorm van de toekomst is. Het is snel, beeldend en je moet het live ervaren. In de studentensteden waar we spelen zie ik een steeds veelzijdiger en jonger publiek. Ik hoor daar mensen zeggen: “Verdomd, ik wist helemaal niet dat het zo tof is. Jammer dat ik dit niet eerder wist.” Het is natuurlijk een vreselijk cliché, maar onbekend maakt onbemind. Dans is – mits het goed wordt gebracht – een hele aantrekkelijke en spannende kunstvorm.
‘In de wereld waarin we nu leven, waarin we alles vanuit thuis kunnen doen, is het interessant nog iets te hebben waarvoor je echt ergens heen moet. Muziek kun je bijvoorbeeld ook thuis luisteren, maar dans komt alleen tot zijn recht in het theater.’

Het bezoeken van een concert heeft toch net zo goed toegevoegde waarde?
‘Natuurlijk geldt voor elke kunstvorm dat het beter is om het live te ervaren. Toch denk ik dat dit bij uitstek voor dans geldt. Muziek is veel gemakkelijker bereikbaar dan dans. Je kunt het overal mee naar toe nemen op een minuscule mp3-speler. Voor een dansvoorstelling moet je echt naar het theater om bij wijze van spreken het zweet van de dansers te kunnen ruiken.’

Binnenkort is in Nijmegen de voorstelling ‘4×20 Storyproof’ te zien. Waarin is dit stuk innovatief?
‘De presentatievorm maakt het stuk bijzonder. Ik heb vier jonge choreografen gevraagd een dans te maken van precies twintig minuten. Het is een mooi tijdsbestek waarin je een verhaal kunt vertellen en een spanningsboog kunt opbouwen. De vier choreografen gaan compleet anders met die twintig minuten om. Als je naar de voorstelling gaat is het interessant om te merken dat het ene stuk veel langer lijkt te duren dan het andere.’

Goede kunst hoort de tand des tijds te doorstaan. Heb jij tijdloos werk gemaakt?
‘Tijdloos is een relatief begrip. Dans is bij uitstek een vluchtige kunstvorm. Een van de choreografieën waarop ik het meest trots ben is Kathleen uit 1992, een van de eerste stukken die ik voor het Scapino Ballet maakte. Daarin wordt gedanst op erg heftige muziek, wat destijds nog wel gewaagd was. Het is nu zeventien jaar oud en staat nog steeds overeind. Ik kijk kritisch naar mijn eigen werk. Stel dat ik vijftig stukken heb gemaakt, dan zijn er wellicht vijftien die ik ook nu nog goed vind. De rest hoef ik niet meer te zien.’

Tekst: Anne Elshof en Loes Perrée
Foto’s: Klaas van der Pijl