Het elfde gebod
Het is hier warm, rokerig en druk. Ons studentenhuis is overspoeld door een jolige mensenmassa. Het thema van ons huisfeest is waarbenjij.nu. Farid is er niet, hem heb ik niet meer gezien sinds die nacht op het Keizer Karelplein. Naast me staat een meisje in een kleurrijk Indiaas gewaad uitgebreid te zoenen met een jongen die zijn bontmuts uit Moskou nog maar eens uit zijn kast heeft opgedoken. Ik vind het thema kut. Het geeft mensen de gelegenheid om uitgebreid hun kosmopolitische leventje te etaleren, terwijl ik nooit verder ben gekomen dan de wildwaterbaan in Center Parcs Heijderbos.
Al was het thema van ons feest briljant geweest, niets had deze dag nog kunnen redden. Ik voel me intens slecht. Het gebeurde ter hoogte van Berg en Dal. Sam, mijn huisgenoot, en ik waren net keihard aan het meezingen met The Kooks, toen er in een flits iets zwarts voor mijn auto sprong. Ik trapte vol op de rem. Het net aangeschafte bier, bestemd voor het huisfeest, knalde tegen onze rugleuningen aan. In shock bleven we even stil zitten, ons niet realiserend wat er zojuist was gebeurd. Totdat het gejammer van een man tot ons doordrong. Vlak voor de auto lag een pikzwarte grote labrador. Over de hond heen gebogen stond een kalende man, midden vijftig, huilend als een kind: ‘Nee het kan niet waar zijn! Meneer de Bruin!’ De arme hond bleek niet meer te redden. In mineurstemming reden Sam en ik naar huis. Thuis aangekomen kreeg ik ook nog eens de volle lading van de huisgenoot wiens auto wij hadden geleend, er zat een hele grote deuk rechts naast het nummerbord.
Dus nu voel ik me schuldig over de auto én over de hond. Terwijl ik de laatste slok van mijn biertje achterover sla, zie ik de huisgenoot van de gedeukte auto me vuil aankijken. Half wijzend doet hij het verhaal uit de doeken bij zijn elitaire vrienden, gehuld in I love NY-shirts. Eigenlijk heb ik helemaal geen leuke huisgenoten. Behalve Sam dan, die is wel oké. Ik haal hem over naar de NDRGRND te gaan. Half vier, ze laten ons vast nog wel binnen.
Sam en ik worden er schandalig dronken. In zeer beschonken toestand concluderen we dat Nijmegen al even bekrompen is als de dorpen waar we vandaan komen. Hij vertrouwt me toe dat hij op kamerjacht is in Amsterdam, waar hij volgend jaar verder gaat met zijn studie. ‘Weet je’, lalt hij. ‘Het zou wel tof zijn als je ook naar Amsterdam ging. Dan zouden we samen een appartementje kunnen zoeken. Stukken goedkoper!’






