Het issue: wet voor het net
In deze rubriek staat iedere maand een ander Issue centraal, waarover de meningen sterk zijn verdeeld. Deze maand: internationale wetgeving voor internet.
Tekst: Maartje Bakker en Maurice van Mill
Illustratie: Marjolein de Reus
Extreemrechtse websites tieren welig op het internet, tegelijkertijd probeert de overheid radicaal islamitische sites van het web te weren. Iedere websurfer kan nog steeds kinderporno bekijken en in drie stappen leren een bom te maken, maar filmpjes van onthoofdingen van gijzelaars in Irak worden verwijderd. Recentelijk hebben websites waarop anorexia en boulimia worden aangemoedigd stof doen opwaaien en discussies aangewakkerd over wat wel en niet wenselijk is op internet. Veel landen, waaronder Nederland, hebben hun eigen regels voor wat is toegestaan. Overheden zien hierop toe en personen die websites met dubieuze inhoud plaatsen of bezoeken worden aan hun jas getrokken. Ongewenste informatie kan worden verwijderd, maar later kan diezelfde informatie opnieuw opduiken op andere sites. Zolang er geen internationale afspraken worden gemaakt die grenzen stellen aan wat is toegestaan, zullen dit soort praktijken doorgaan. Daarom: moet er een internationale wetgeving komen die bepaalt wat al dan niet mag op het wereldwijde web?
Bert Brussen
Redactielid GeenStijl
‘Een internationale wet is zinloos omdat internet oneindig en vluchtig is. Als in dit land bepaalde dingen niet mogen op internet, ga je gewoon ergens anders heen. Ook al opereer je dan vanuit het buitenland, mensen over de hele wereld kunnen jouw website bekijken. In de VS mag je bijna alles op internet plaatsen. En als het daar niet mag, zijn er altijd nog kleine eilandjes zoals de Kaaimaneilanden, waar bijna niemand woont, maar waar wel host-grage servers staan. Daar is geen wetgeving en die zal er ook niet komen: er worden tonnen verdiend aan mensen die vanuit zulke oorden websites onderhouden.
‘Een internationale internetwet zou bovendien praktisch onuitvoerbaar zijn. Het blijkt bijvoorbeeld onmogelijk om mensen die kinderporno op internet zetten op te sporen en te berechten. Natuurlijk, kinderporno is verboden. Die wet mag ook niet verdwijnen. Mocht je zo’n smeerlap pakken, dan moet je hem wel voor de rechter kunnen dagen.
‘Een ethische code is helemaal quatsch. Ten eerste is het een illusie dat mensen zich eraan houden. Er bestaat al een ethische code die voorschrijft dat je geen muziek en films mag downloaden. Toch doen mensen dat massaal. Ze worden er immers niet voor opgepakt. Ten tweede is het bijna onmogelijk om een dergelijke code op te stellen. De ene belangengroep zal zeggen dat je niet mag vloeken, de andere dat je niet mag schelden. Binnen de internetjournalistiek is het bijvoorbeeld mogelijk afspraken te maken. Als journalisten die code breken, worden ze simpelweg aan de kant gezet. Voor gewone internetbezoekers is zoiets onhaalbaar: iedereen is tegenwoordig internetgebruiker. Het enige voordeel van een ethische code is de mogelijkheid dat erdoor discussie op gang komt.
‘Natuurlijk hebben we bij GeenStijl onze eigen regels. Dingen die ik niet sjiek vind, plaats ik niet. De enige die ons zou kunnen tegenhouden, is de rechter. Gelukkig is er geen censuur, dus we zijn nog nooit aangeklaagd.’
Boris van der Ham
Tweede Kamerlid D66
‘In principe ben ik voor internationale wetgeving met betrekking tot internet, want we moeten al het mogelijke doen om excessen te voorkomen. Maar wetgeving alleen zal nooit het hele probleem oplossen. Als bepaalde websites worden verwijderd, is die informatie binnen de kortste keren weer te vinden op andere websites. Er moet ook worden bekeken in hoeverre sites kunnen worden verboden. Kinderporno is simpelweg illegaal. Sites als proanorexia-webpagina’s daarentegen verkondigen een afwijkende mening; als zulke websites worden verboden, raakt dat de vrijheid van meningsuiting. Wat een middel kan zijn, is de makers van zulke websites te vragen wat precies hun doel is en ze te wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zulke websites sporen immers mensen aan gedrag te vertonen waardoor ze mogelijk in levensgevaar komen.
‘Iets heel anders zijn de verschrikkelijke filmpjes van onthoofdingen in Irak. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat zij onderdeel zijn van de informatievoorziening over een oorlog en alle verschrikkingen die dit met zich meebrengt. Het is moeilijk om hier in te grijpen, hoe afschuwelijk die filmpjes ook zijn. De vraag is of terroristen hiermee in de kaart worden gespeeld. Zij verspreiden die beelden om angst te zaaien onder de bevolking. Het moet duidelijk blijven welk belang het tonen van zulke filmpjes dient.
‘Internationale wetgeving kan vooral nuttig zijn om de opsporingsmogelijkheden van de politie verbeteren. In plaats van een website te verwijderen, kan een wet worden gebruikt om de persoon achter de site op te sporen. De politie struint reeds het internet af, op zoek naar aanbieders en bezoekers van kinderpornosites. Ze doet daarnaast mee aan chats om mensen die mogelijk een gevaar vormen op te sporen en ze in het gevang te stoppen. Als het gaat over radicaal islamitische websites die aansporen tot de jihad, moet aan de hand van antiterrorismemaatregelen de mogelijkheid bestaan om potentiële terroristen in de gaten te houden en te hinderen in hun informatieverstrekking.
‘Er moet een ethische code komen waarbinnen zaken als kinder- en dierenporno logischerwijs onacceptabel zijn. Bij andere zaken moet worden bekeken of ze van internet kunnen worden verwijderd of dat ze tenminste zo min mogelijk schade veroorzaken.’
Francisco van Jole
Internetjournalist en schrijver
‘Ik vind dit een onbenullig onderwerp en heb er eigenlijk niet veel over te zeggen. Ik zie niet in waarom er een internationale wetgeving voor internet zou moeten komen. We hebben in Nederland immers een wet waarin staat wat wel en niet mag op het net. Internationale wetgeving zou de Nederlandse vrijheid alleen maar beperken. Zelfs een wet op Europees niveau zou de vrijheid van meningsuiting in Nederland begrenzen. Het zou ten koste gaan van de Nederlandse tolerante identiteit. Diefstal is niet eens overal strafbaar; dan is een internationale wet met betrekking tot een open medium als internet helemaal onmogelijk. Ook een ethische code zou niet werken. Filmpjes van onthoofdingen zijn bijvoorbeeld van enkele websites verwijderd omwille van de maatschappelijke verontwaardiging die ze teweegbrachten. Een ethische code zou de onthoofders echt niet ervan weerhouden die filmpjes tóch te blijven plaatsen. Er is nu veel vrijheid op internet, en dat heeft tot gevolg dat mensen het niet altijd met de inhoud van alle websites eens zullen zijn. Helaas, pindakaas.’
Igo Nijenhuis (22)
Tweedejaars student Rechten
‘Internet is een wereld op zich. Door zijn wereldwijde karakter, de onbegrensde mogelijkheden tot informatie-uitwisseling en niet in de laatste plaats het gemak waarmee je anoniem op het net kunt vertoeven, hebben we in deze virtuele wereld te maken met een andere werkelijkheid dan in onze real life wereld. Strafwetgeving heeft als doel de bescherming van rechtsgoederen in onze samenleving. Hiertoe kunnen onder omstandigheden grondrechten opzij worden gezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de strafbaarstelling van belediging: het recht van vrije meningsuiting wijkt voor de eer en goede naam van de burger.
‘Het is de vraag of uitingen op internet schade kunnen toebrengen aan rechtsgoederen in onze samenleving. Ik vind van niet. De afstand tussen de twee werelden is daarvoor simpelweg te groot. Op internet gelden nu eenmaal andere conventies, normen en waarden. Daar gedane uitingen moeten we niet buiten de context van internet in onze normale werkelijkheid proberen te kwalificeren. Het zou nutteloos zijn om te proberen iedereen die het recept voor een bom op zijn weblog plaatst te straffen. De persoon die de bom daadwerkelijk vervaardigt moet strafbaar zijn, en is dat ook.
‘Er is geen noodzaak om door middel van wetgeving te proberen de virtuele wereld te beïnvloeden, en daarmee ook het recht van vrije meningsuiting te beperken. Dat is ook hoogst onwenselijk: de waarde van internet als communicatiemiddel en informatiebron wordt immers grotendeels bepaald door de afwijkende normen en waarden die erop gelden. Daar moeten we zuinig mee omgaan.’






