ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Onstuimig als een watervogel

Ze lijken met een pen in de hand te zijn geboren, deze zes studenten. Voor twee jonge, ambitieuze schrijvers en een bijzonder kwartet van dichters diende de Radboud Universiteit als basis. Maak kennis met de Mugwumps, Jasper Rijk en Thomas Olde Heuvelt.

Tekst: Annemiek de Vries
Foto’s: Wes van de Plas, Isabel Poyck en Vincent Zegveld
Beeld: Igo Nijenhuis en Ruud Vos

De Mugwumps
Ze noemen zich ‘het bandje onder de schrijvers’. De Mugwumps hebben een niet te stillen drang tot optreden en experimenteren. Oscar Wyers (23), vierdejaars Writing for Performance, Bert van Beek (24), student Filosofie, Boris Yland (22), vierdejaars Filosofie, en Dennis Gaens (24), student Neerlandistiek, leerden elkaar kennen in de tijd dat ze aan de RU studeerden. Sinds de ontdekking dat ze hun passie voor poëzie deelden, ontmoetten ze elkaar geregeld om elkaars teksten te bespreken. Tegenwoordig studeert de helft van het gezelschap elders, wat hen niet ervan heeft weerhouden samen een bundel met verhalen en gedichten uit te geven. Na de presentatie van hun debuut Gootlanding kregen de Mugwumps de smaak van het optreden te pakken. Hoewel ze afzonderlijk meermaals voordrachten hebben gehouden, vinden ze dat ze pas volledig tot hun recht komen als ze gezamenlijk op het podium staan om een poging te doen hun teksten ‘uit te putten’. Tijdens die optredens experimenteren ze volop met de presentatievorm van hun poëzie, door die te doorweven met muziek, toneel of animatie. De komende tijd is er volop gelegenheid om zelf een oordeel over hen te vellen: de heren gaan namelijk op tournee.

Fiets
hoe moedig je ook
onstuimig als een watervogel
gebroken vleugel
door het water slaat

het zwarte water
dik als asfalt
in onafgebroken schittering

je benen
zijn een zwanenmeer
in linnen rimpeling

op een
grote mensenfiets

Bert

Dood paard
Er ligt al een week
een dood paard
voor mijn deur te rotten.
Verdomme!
Zo kom ik er niet uit,
om nog maar te zwijgen
over de stank.

Ik zit op de bank
en vraag me steeds af
of het er nog ligt?
Dood paard,
dood paard?

Gisteren,
tien voor drie,
ik zit daar en kijk voor me uit,
denk ik plots;
Waarom,
dood paard?
Waarom?

Oscar

VI.
Als een lege schuur
In een leeg landschap
Waar alleen de maan nog schijnt
En de paarden hopen
Op het kouter

Voor de deur
Likt de kater zichzelf
Tegen de haarrichting in
En wordt maar niet schoon
Als vierentwintig koeienstaarten
Die tegelijk slaan

Tot de huid
Van je gezicht dood en grijs is
Als een kop koffie die nooit leeg komt
Zit ik aan de keukentafel
Met mijn voorhoofd
Op de rand

Boris

Norse bontjas
sorry mevrouw
uw cocon stond nog open
en ik wilde u vragen
of u nog van plan was

een vlinder
te worden

en wat hetgeen is
dat u zo verbitterd heeft

vlieg dame,
vlieg

Dennis

Thomas Olde Heuvelt
Binnen de canon van de conventionele literatuur geniet horrorschrijver Thomas Olde Heuvelt (23), vierdejaars Amerikanistiek, vooralsnog weinig naamsbekendheid. In het voorwoord van de verhalenbundel Duistere Parels geeft hij aan dat de oorzaak hiervan zou kunnen liggen in de slechte naam die zijn genre heeft. Hij stelt dat horror door gebrek aan originaliteit ‘het zwarte schaap van de moderne literaire wereld’ is geworden. Onder liefhebbers vinden zijn romans De Onvoorziene en PhantasAmnesia echter gretig aftrek. Hoewel hij wordt geïnspireerd door Stephen King en H.P. Lovecraft heeft hij zijn eigen stijl ontwikkeld. Olde Heuvelt bouwt de spanning langzaam op en versterkt die met originele plots. Dat blijkt ook uit het volgende verhaal, dat rustig begint maar gestaag een macabere wending neemt.

De man en het jongetje
Het jongetje stond bij de bushalte voor de school te wachten en het was duidelijk dat hij zich verveelde: rusteloos ging hij op het hek zitten, sprong er weer af, liep rondjes rond de grote eik die naast de halte stond en bond soms zijn sjaal los om hem in de kille novemberwind te laten wapperen. Vanachter de heg klonk het gejoel van de laatste achtergebleven kinderen op het schoolplein, maar de meeste waren allang opgehaald of weggefietst om voor de naderende schemering en dreigende regen binnen te zijn. Het jongetje had de juf meegeholpen de boeken naar de schoolbibliotheek te dragen en had de eerste bus na de bel gemist, en was zodoende de enige die nu nog bij de halte stond te wachten. Na een tijdje kwam een man met een warme, lange jas bij hem staan. Het jongetje zag alleen zijn zwarte laarzen onder de jas uitsteken en zag dat de man een koffertje droeg dat hij typisch vond lijken op een kantoormenerenkoffertje, zoals zijn vader ook had. Nu hij plotseling volwassen gezelschap had, probeerde het jongetje niet door zijn rusteloos gedrentel zijn verveling te laten blijken – dat was niet netjes, had hij geleerd. Zijn moeder zei altijd dat je je in gezelschap van volwassenen behoorlijk moest gedragen, wat erop neerkwam dat je nooit zo mocht zijn zoals je was. Het jongetje had zich al lang geleden voorgenomen nooit volwassen te worden – dat leek hem oersaai. Lees verder

Jasper Rijk
In april won Jasper Rijk (22), vijfdejaars student Geschiedenis, de schrijfwedstrijd Write Now Nijmegen. Hoewel zijn proza getuigt van veel schrijfervaring, houdt hij zich pas sinds die zege serieus met schrijven bezig. Het juryrapport jubelt: ‘Zijn verhaal bevat als enige meerdere lagen, waaruit blijkt dat hij inzicht heeft in hoe literatuur werkt.’ Zelf kijkt Rijk met een bescheiden en uiterst kritische blik naar zijn werk. ‘Ik vraag me af of mijn kwaliteit blijvend is.’ Onlangs heeft hij echter opnieuw bevestiging van zijn talent gekregen: een aanbod tot publicatie door uitgeverij Prometheus. De interesse van de jonge auteur gaat uit naar de Vlaamse literatuur, die is ‘geschreven met een passie en mystiek die in Nederland nooit is bereikt. Hopelijk zijn beide ook te ondekken in mijn eigen werk.’ Het korte verhaal De zee floot onhoorbare vragen naar mij combineert passie en mystiek in ieder geval op een prachtige manier.

De zee floot onhoorbare vragen naar mij
Vroeger had hier een windorgel gestaan. Nu, zoveel jaren later, was Karl éénentachtig en voelde hij zijn einde naderen. Het kostte hem steeds meer moeite zijn wandelingen langs de kustlijn zonder pauzes te volbrengen. Als hij met trage passen, de aanrollende golven ontwijkend, langs het strand liep, holden honden langs hem heen, renden kinderen krijsend voorbij en wandelden verliefde paren, nietsontziend, langszij. Toch kon men Karl niet van deze dagelijkse routine weerhouden. Het zat er nu eenmaal in, had hij ooit tegen zijn pas overleden vriend Jef gezegd.
“Je kunt een kat ook niet afleren te spinnen wanneer je hem aait.”

De eerste keer dat ze binnenkwam, was ze komen schuilen voor de regen en had niet geweten dat Karl eigenlijk al had gesloten. Haar donkerbruine haar hing in lange slierten langs haar gezicht. Naast haar voeten, in charmante sandalen gestoken, druppelden druppels water van haar haar. Op haar gezicht was de make-up uitgelopen. Uit beide ogen liep een zwarte traan. Haar shirt was nat, evenals haar lichte spijkerbroek. Ze moest het koud hebben gehad. Karl zette zojuist een stoel omgekeerd op een tafel.
Hij had haar koffie aangeboden en ze was gaan zitten bij een tafel aan het raam. Ze had al meerdere keren gezegd dat ze echt niet wist dat het café gesloten was en dat ze heus wel wilde gaan. Maar het had zo geregend en de kou had haar heel plotseling overvallen. ‘En ik moest nog zo’n end.’ Het koffiekopje pakte ze met beide handen vast, zodat ze haar handen kon warmen.
‘Wil je een handdoek?’ Ze had geknikt. Karl was er één gaan halen boven. Nadat ze haar haar had afgedroogd legde ze de vochtige handdoek om haar schouders heen. Ze glimlachte.
‘U bent erg aardig.’

Vroeger had hier een windorgel gestaan. De zee floot door de gaten in het bamboehout waardoor een kakofonie van tonen hoorbaar werd. Soms was ze vals, als de wind venijnig door de jassen van de strandwandelaars sneed, maar vaker liet ze harmonische klanken horen. Dan was de wind aangenaam, verfriste ze, plaagde de zon met haar verkoelende bries. In beide gevallen was het gunstig geweest voor Karl. Wanneer de wind schelle tonen door het orgel blies, vluchtten wandelaars bij hem naar binnen en warmden zich bij koffie of warme chocolademelk. Bij mooi weer en een licht briesje, lokte het orgel veel volk, dat, als het moegeluisterd was, bij Karl kwam om te rusten en na te genieten.
Zo veel dingen waren beter geweest in die tijd. Mooier ook. Zijn vrouw leefde toen nog. Ze had welwillend klanten bediend en altijd vriendelijk geglimlacht naar Karl. De vanzelfsprekendheden van een goede tijd lijken zo onbereikbaar wanneer het lot het slecht met je voor heeft. Het goede lijkt te ver weg, terwijl het eerst het enige denkbare had geleken. ’s Avonds, wanneer Karl de bar sloot en zijn vrouw al naar boven was, keek hij vaak uit het raam, naar de zee die het zwakke schijnsel van de maan met moeite trachtte te weerspiegelen. De zee, de begeleiding waaronder het windorgel haar concerten ten gehore liet, bracht hem tot rust. Haar ruis, haar onophoudende happen naar stukken strand, haar kracht.
Omdat alles zo goed leek te gaan, omdat ze zo had geglimlacht, omdat de zon vaker leek te schijnen, feller ook, dan normaal, was het zo opmerkelijk geweest dat ze de zee in was gelopen. Karl was wakker geworden van een lichte bries die langs zijn gezicht waaide. Het tochtte in de kamer. De deur stond open. Het bed was op zijn slaperige gestalte na leeg. Schaars gekleed en op blote voeten was hij de trap afgelopen, haar naam vragend de ruimte in slingerend. De woonkamer was leeg, de deur naar het café open.
Toen hij aankwam op het strand was ze al verdwenen. Achter het glas van de caféramen had hij haar in de verte de zee in zien lopen. Op blote voeten was Karl het asfalt op gerend, de boulevard op, de trappen af. Het koude zand onder zijn voeten had hem uit evenwicht gebracht, meerdere malen. Zoals in een droom, waarbij men tracht te ontsnappen voor een onooglijk monster, leek hij amper vooruit te kunnen. De zee bleef waar zij was: een dertigtal meters voor Karls neus. De gestalte in de zee was inmiddels volledig verdwenen.
De kustwacht vond haar lichaam toen de zon reeds hoog aan de hemel stond. In haar witte nachtjapon werd het blauw geworden lichaam van de oude vrouw aan boord gehesen. Karl had haar de dag daarop pas weer mogen zien.
‘Ik heb een stoel voor u neergezet. U kunt naast haar gaan zitten. Als u wilt kan ik koffie zetten,’ had de jonge begrafenisondernemer gezegd.

‘Er was een storm geweest,’ ging Karl verder, ‘waarna het een schitterende dag werd op het strand. Al vroeg waren er jutters gekomen om te inspecteren wat er allemaal aangespoeld was. Persoonlijk doe ik het niet vaak, maar die dag kon ik mijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken. Ik liep een lang stuk langs het strand – tot aan de havens en weer terug – maar kwam vooral stukken hout en ander rotzooi tegen. Het was inmiddels al lang geen ochtend meer en ik moest vaart maken om het café te openen, zodat ik de eerste klanten niet mis zou lopen. Toen vond ik haar.’
Ze was teruggegaan naar het café waar ze had geschuild voor de regen om hem bloemen te brengen. Hij had ze prachtig gevonden en was ze meteen in een vaas gaan zetten. ‘Bloemen heb ik sinds de dood van mijn vrouw hier niet meer gehad,’ had hij tegen haar gezegd.
Het café was leeg, zoals bijna altijd. Vanaf volgende week ging Karl definitief dicht. Er kwam niemand meer, iedereen ging naar de chique strandpaviljoens en koffiehuizen, steakhouses en tearooms. In het café van Karl waren de donkerbruine tafeltjes, bedekt met rode kleedjes, leeg. ‘Ik ga failliet. Na meer dan veertig jaar hard werken ga ik failliet. Heb ik dat verdiend?’ had hij haar gevraagd.
Of hij het verdiend had.
‘Ze had me aangekeken met van die onschuldige poppenoogjes. Het is heel raar, maar een fractie van een seconde dacht ik dat het een echt kindje was. Dat kan natuurlijk niet, daar is ze te klein voor. Ik vond de pop, noemde haar Ariëlle naar de zeemeermin van die Deen – en sindsdien staat hij op het kastje aan de kant van het bed waar mijn vrouw vroeger sliep. Soms denk ik er aan, dat als ze nog een keer terugkomt, hoe blij ze er wel niet mee zou zijn. Zo’n antieke pop!’ Karl had de pop naar beneden gehaald en aan haar laten zien. Ze was al bezig aan haar tweede kop koffie. Ze moest zo maar weer eens gaan.

Renovatieplan CC. CC stond voor City Coast, een nogal stompzinnige benaming voor de kustlijn die als dwingende grens van de stad fungeerde. De basisstrategie van het plan was samen te vatten in twee kernzinnen: 1) controle op de wildgroei van gebouwen aan de kustlijn, door een volledig gedirigeerde boulevardbebouwing tot stand te brengen, en 2) consumptie is garantie voor welzijn en welvaart. Controle en consumptie: CC. Het plan werd vijf jaar geleden gepresenteerd met als gevolg een volledige metamorfose van de skyline van de stad. In no time verrezen er hotels van twaalf hoog, voorzien van gestylde terrassen en exclusieve lounges. De stad was toe aan een nieuwe toerist: een strandconsument met klasse, een welvarende badgast. Bestaande gebouwen moesten worden gesloopt of grondig gerenoveerd worden. Projectontwikkelaars vochten om stukken grond als honden om een been, zonder stil te staan bij de bewoners of uitbaters die al tijden werkzaam en woonachtig waren aan de boulevard. Voor vele traditionele uitbaters had de realisatie van renovatieplan CC het einde betekend van een lange carrière als soigneur van badgasten van divers pluimage. Cafénamen als “Zeezicht”, “Het Zandkasteel” en “De Zeemeeuw” verdwenen voor exclusief aandoende anglicismen als “Dutch Beach Club” of “Sunshine Hotel”.
Wethouder Grasdijk, wiens zwager nu eigenaar is van een dependance van een Amerikaanse hotelketen aan de boulevard in de stad, presenteerde het plan toentertijd met veel bombarie. Aanvankelijk was er veel protest. Het slopen van enkele historische vooroorlogse panden was bij vele cultuurliefhebbers in het verkeerde keelgat geschoten. Een militante stadsbewoner ketende zich vast aan de voorgevel van het belle-epoquemonster dat zich aan de oostzijde van de boulevard bevond op het moment dat de sloopwerkzaamheden er zouden beginnen. Tevergeefs. Het waren protesten die de eerste drie maanden de voorpagina van de lokale krant nog hadden gehaald, maar langzamerhand naar minder prominente katernen werden verplaatst. Steeds duidelijker werd dat de kritische stemmen het verloren hadden van het optimisme dat sprak uit de reacties van elders uit het land, die niets anders dan lof bleken te bevatten over de prestaties die renovatieplan CC teweeg had gebracht. “Badplaats gered van verval door prestigieus renovatieplan” kopte een landelijke krant een jaar na de lancering van het plan. Wethouder Grasdijk werd lachend op de foto gezet voor één der nieuwe torenflats die de boulevard nu bezetten.
Ook de compassie voor de oorspronkelijke boulevardbewoners en uitbaters verdween snel toen naar buiten was gekomen welke som geld zij kregen wanneer een oorspronkelijk gebouw zou worden verlaten. Het argument dat al het geld in de wereld een plaatsje aan de boulevard niet kon vergoeden werd laconiek weggewoven, vooral nu het renovatieplan zijn vruchten begon af te werpen. Karl had heel lang elk aanbod af kunnen slaan, maar kon, nu hij er alleen voor stond en alles anders was geworden, niet langer zijn hoofd boven water houden. Hij had ingestemd met een bedrag dat, zijns inziens, veel te laag was. Maar, zo bedacht hij zich, hij zou er toch maar weinig plezier meer van kunnen hebben.

Ze had niet geweten waar ze anders naar toe had moeten gaan.
Op dezelfde wijze als hij dat de eerste keer had gedaan, bracht hij haar nu weer een kop koffie. Ze zag hoe hij het nog uit een gewone koffiezetter haalde en geen nieuwerwetse apparaten gebruikte. Hij ging tegenover haar zitten aan een tafeltje bij het raam.
‘U vraagt niet waarom ik hier weer ben?’ vroeg ze, om de stilte te verjagen. Karl, die gebiologeerd naar haar handen had gekeken (hoe haar verzorgde nagels zachtjes op het hout van de tafel tikten, hoe de bloedvaatjes parmantig haar handen versierden), had haar eens rustig aangekeken en gezegd: ‘Is dat nodig? Verwacht je van me dat ik dat doe?’ Ze had rustig haar hoofd geschud.
‘Ik herinner me ook een keer,’ begon hij, ‘dat er een hittegolf was die alle records die toen bestonden had verbroken. In juli had het nog onnoemlijk veel geregend; ja, zo begon het. Iedereen dacht dat het een verschrikkelijke zomer zou worden. Er was niemand op het strand. Geen toerist te bekennen. Elke ochtend als ik wakker werd vergewiste ik mij ervan of ik druppels hoorde of vrolijk krijsende zeemeeuwen. Elke juliochtend bracht me helaas weinig om naar uit te kijken. Het druppelen van het regenwater tegen de ramen aan haalde me vaak al zo vroeg uit mijn slaap dat ik nog één, twee uur had totdat de wekker zou gaan. Toen de eerste dag van augustus aanbrak (eigenlijk had iedereen de hoop al opgegeven) werd ik zowaar wakker van de wekker. Dat was nieuw. Zou dat betekenen dat er geen regen viel?’ Hij keek zijn bezoekster kort aan, alsof hij, zoals een schoolmeester dat doet, van haar antwoord verwachtte. Lang wachtte Karl echter niet: ‘De zon scheen! Vanaf dat moment werd ons land getroffen door een hittegolf die zijn weerga niet kende. Het strand stroomde weldra vol met badgasten die, hunkerend naar zonnestralen en zeewater, uit alle hoeken van het land waren afgereisd om hier heen te komen. Mijn café maar vooral ook mijn terras, zat vanaf tien uur in de ochtend vol, tot laat op de avond.’
Maar er was een “maar”, dacht ze.
‘Maar,’ hervatte Karl, ‘de hitte die had je moeten voelen, de hitte was werkelijk ondraaglijk. De in de ochtend bleek aangekomen badgasten vertrokken als roodverbrande Britten om niet meer terug te komen. De zomer, die eerst te nat was, transformeerde in te warme periode voor het strand. Dus de bomvolle café en terrassen waren van korte duur. Wederom leegte. Onafwendbare, confronterende leegte. Koffie?’
Karl was opgestaan om haar kopje nog eens vol te schenken. Toen hij terugkwam en haar de warme drank wilde aanreiken, probeerde ze de koffie aan te pakken. Op haar uitgestrekte arm zag Karl twee stevige blauwe plekken.

‘Karl. Wat kan ik nu met goed fatsoen over die man vertellen?’ Jef had op een bankje gezeten aan de boulevard toen zij naast hem kwam zitten. Het waaide tamelijk hard, hij had zijn jas hoog dicht geritst en warmde zijn handen in zijn zakken. Ze had hem herkend als ‘vriend van” en was naar hem toe gegaan. Ze wilde gewoon een aantal dingen weten: was het waar wat hij vertelde?
‘U bent een goede vriend van hem. Ik zag u laatst samen,’ probeerde ze in te brengen.
‘Daar heb je een punt.’ Jef wendde zijn ogen van de zee af en keek de jonge dame naast hem aan. ‘Wat heeft hij je allemaal wijs gemaakt?’

‘Kort nadat mijn vrouw in de zee was verdwenen,’ had Karl haar verteld, ‘brandde het windorgel tot de grond toe af. Ik werd vroeg wakker die ochtend. Het zal tegen zes uur zijn geweest. Het was mistig buiten. Als ik door de ramen keek, leek het alsof er buiten niets was dan die vage witte waas. Die ochtend hield de zee zich voor me verborgen. Persoonlijk houd ik van de mist, het heeft iets onheilspellends. Ik besloot een wandeling te maken langs het strand, me in die mist te wagen. Vanuit mijn huis loop ik altijd naar de plek waar vroeger het windorgel stond; althans, toen was het nog gewoon de plek waar het windorgel daadwerkelijk stond.
Dat windorgel, ik kan je niet duidelijk genoeg maken hoe groot het genot was dat ze me elke keer weer gaf als ik het hoorde. Het orgel werd gebouwd toen ik nog jong was, mijn vrouw en ik waren nog maar pas getrouwd. De maker ervan was iemand uit de Verenigde Staten. Het was bijzonder, een dergelijk windorgel. De enige in ons land.
Er stond een groepje mensen rondom zwartgeblakerde grond. Ze spraken met elkaar, suggereerden brandstichting, een kwajongensstreek. Men was hier altijd graag gekomen. De brandweer was niet eens nodig geweest: de felle wind had ervoor gezorgd dat het orgel razendsnel was afgebrand. Het windorgel was volledig verdwenen, op enkele, nog smeulende, stukken bamboehout na.’
In het lege café waren de harde dreunen van een heipaal die de grond in werd geslagen een tweehonderdtal meters verderop goed te horen.

Achter hun beide ruggen torenden flats als grijze reuzen boven hen uit. De wind waaide venijnig door hun jassen heen. Voor hen kropen de golven over elkaar heen, hapte de zee stukken strand weg en kwam zo steeds dichterbij. Jef sprak over Karl en de jonge dame had naar hem geluisterd.
‘Zomaar de zee in lopen totdat je verdrinkt: het klinkt cru, maar daar heb je ontzaglijk veel doorzettingsvermogen voor nodig. Dat doe je niet zomaar, dan ben je uiterst zelfverzekerd, vastberaden. Dat was ze waarschijnlijk. Niemand kon daadwerkelijk beseffen hoe ongelukkig ze moet zijn geweest, maar, haar daad beziend, moet dat onmeetbaar zijn geweest. Ze was in de herfst van haar leven en ze pleegde zelfmoord op wellicht één van de gruwelijkste en moeilijkste manieren die men kan bedenken.’ Ze had hem om de reden gevraagd voor haar fatale gemoedstoestand. ‘Karl sloeg haar. ’s Avonds, ’s ochtends, ’s middags waar iedereen bij was. Hij kleineerde haar en schold haar uit. Het was verschrikkelijk, iedereen wist het, maar niemand zei iets, niemand hielp haar.’
Ze zag de zee, de golven, het schuim, het natte zand. Ze hoorde de oude man naast haar praten en wilde hem niet geloven. Ze durfde niet naar hem te kijken, was bang dat hij veranderd was in de man waarover hij sprak of anders in één van haar eigen demonen. Ze wilde stoppen met luisteren, haar handen over haar oren leggen en de woordenstroom op die manier afbreken. Maar ze kon niets, leek verlamd en luisterde.
‘Ik heb gezien hoe hij haar sloeg. Meestal met een vlakke hand, maar soms ook met zijn vuisten. Hij zorgde ervoor dat haar blauwe plekken niet al te goed zichtbaar waren, dus mikte hij vaak op haar armen, buik en benen.’ Ik ril van de kou, dacht ze. Het is de wind, die koude, venijnige wind.
‘Ik wil deze dingen helemaal niet vertellen,’ zei Jef. ‘Over zulke zaken zwijg je. Ze is dood, heeft daar zelf voor gekozen. Karl is nu een oude eenzame man. Ik heb nooit zijn vriend willen zijn, maar ik was het simpelweg. Je kiest je vrienden niet. Wie dat ooit bedacht heeft is gek.’ Langzaam durfde ze weer zijn kant op te kijken. Naast haar zat een oude gebroken man, hij huilde, koude tranen liepen over zijn wangen.
‘En dat windorgel,’ zo besloot hij, ‘dat heeft Karl zelf in brand gestoken.Ã’

Ze waren samen naar Jefs begrafenis gegaan. Het was er niet druk en de mis duurde niet lang. Karls vriend lag nu onder de grond, werd zogezegd toevertrouwd aan de zeeklei. Nu stonden ze bij de zee. Het was twee uur ’s middags en ergens hoog aan de hemel scheen een waterig zonnetje nauwelijks merkbaar op haar gezicht en dat van Karl.
‘Hier stond vroeger het windorgel,’ zei Karl. ‘De zee is nu niet meer verstaanbaar. Ze raast nog wel, maar ze wordt niet meer vertaald in klanken die wij kennen. Dat deed het orgel voor ons. Nu fluit de zee slechts onhoorbare vragen naar mij. Ik heb mijn grip op haar verloren.’
Ze verborg haar gezicht zo ver mogelijk in haar jas. Wat deed ze hier? Wie was de man met wie zij praatte? Waar kon ze naar toe nu heel de wereld bleek te bestaan uit gemaskerde demonen? Ze keek naar de zee. Was dat een mogelijkheid? Moest ze, net als Karls vrouw, verdwijnen in het koude water? Ze zou het onmogelijk kunnen, daarvoor was ze niet sterk genoeg.
‘Ik ga zo naar huis. Bedankt voor alles.’
Ze draaide zich om en liep in de richting van de boulevard, naar de stad waar kolossale flatgebouwen afstaken tegen een amper blauw te noemen hemel. Halverwege tussen de plek waar Karl haar na keek en het asfalt van de boulevard begon bleef ze stilstaan. Ze veranderde lichtelijk van looprichting en besloot haar weg te vervolgen langs de zee.