Adje d’n Teunis
Het leven van Adje d’n Teunis (3/10)
De identiteit van Adje
‘Wat blikt U raar uit den ogen.’ Die Jap zou eens moeten weten, van deze ondervraging krijg ik het apenzuur. Maar ja, wat wil je? Ik zit hier in de plaats van mijn tweelingbroer, die natúúrlijk onbeschikbaar is.
Ando, onze Japanse huisbaas heeft het laatste halfjaar te weinig huur van hem gekregen. Nu er opnieuw een verhoging aankomt, wil hij de reden voor wanbetaling. Gewoon: vergeten te veranderen in de automatische overschrijving. Het zal nooit meer gebeuren. Maar die Jap heeft wat overtuiging nodig voor hij mijn antwoord accepteert. Betaalt broerlief niet, dan vliegt hij eruit – wat minder stufi betekent.
Ik trek een tint witter weg. Zou Ando me doorhebben? Japanners hebben, als volk waarin iedereen op elkaar lijkt, uiteraard een natuurlijke aanleg om mensen uit elkaar te houden. Maar nee, hij lijkt me niet te doorzien. In plaats daarvan schudt hij, zoals zo vaak, een dichtregel van Piet Paaltjens uit de mouw.
-Wat mij het oog doet glinsteren, dat gaat er geen schepsel aan.’
Die Japanse huisbaas van me heeft echt een vervelende gewoonte. Dat is de schuld van zijn vader die vijftig jaar geleden met zijn jonge gezin naar Nederland overkwam. Bewust van het Indonesische oorlogstrauma van het nieuwe thuisland moest en zou peuter Ando inburgeren door de taal te leren. Dat negentiende-eeuwse poëzie misschien niet het beste lesmateriaal is, kwam niet in hem op. Het ziet er toch raar uit, een volbloed Japanner die het halve repertoire van P.A. de Genestet uit het blote hoofd weet op te dragen.
Adje, verplaats je in je rol, zo blijf ik mezelf stilzwijgend inpraten. Ik glimlach goedkeurend naar Ando. Helaas gaat dat nog niet half zo ontspannen als ik had gewild.
‘U vertoont een bijna perfecte gelijkenis met Uwer broer’, zegt hij, waardoor ik vanbinnen in paniek raak. ‘Het is dat Uzelf een litteken heeft boven het linkeroog, anders had ik U geenszins kunnen onderscheiden.’ Totale opluchting! Die paar uur in de schmink hebben hun vruchten afgeworpen.
Blij van het gezanik van de huisbaas af te zijn fiets ik snel terug naar huis. In Huize Pedaalemmer Plas is het veilig. Dat dacht ik tenminste.
Ik loop de trap op. Terwijl ik net aan het valse litteken begin te pulken, kom ik Remco tegen. Verdomme! Het is al twee maanden feilloos gelukt om hem bij mijn broer weg te houden.
‘Adje?’, vraagt hij, ‘Leuk je eindelijk te ontmoe-’
‘Ja ja!’, onderbreek ik hem, met de indringende ondertoon dat ‘Adje’ geen tijd voor hem heeft. ‘Aangenaam hè. Nou, ik moet er maar eens vandoor, ik heb nog een paar laarzen in te vetten.’ Slecht verzonnen.
Ik probeer weg te stappen, maar helaas. Meneer Remco dringt aan op een conversatie. ‘Flink litteken. Waar heb je die ook alweer vandaan?’
‘In de apenheul aangevallen door een makaai.’ Nog slechter bedacht, zeker omdat we Remco eerder al iets anders hebben verteld. Hopelijk heeft hij het niet door.
‘Maar ik dacht dat Graard zei dat-…’
‘Ik loog!’, onderbreek ik hem. Ik geef de maskerade op en ruk het litteken van mijn gezicht. ‘Ik ben het, Graard. Adje bestaat niet: we hebben hem bedacht.’






