Cleijne Column
De meeste mensen zien meteen een domme mastodont met armen als meloenen; ik zie dat korte koppie, die oenige blik, alsof hij de hele tijd verbaasd is. Ik ontmoette hem bij de ingang van de fitnessruimte. Hij kreeg zijn pasje niet door de scanner. ‘Kan ik je misschien helpen?’ Hij draaide zich naar me om en brak met zijn schouder een tussenmuur af. Hij schutterde wat en begon te blozen. ‘Sorry’, stamelde hij tegen de kale fitnessinstructeur. Die schudde meewarig zijn hoofd en begon een nieuwe muur te metselen.
We stonden nog steeds tegenover elkaar. Ik glimlachte knullig, en hij speelde wat met zijn pasje, dat bij de pasfoto scheurde. Van schrik liet hij het vallen. ‘Ik heb mezelf doormidden gescheurd!’ riep hij verdrietig. Ik raapte het op en zei dat het een leuke halve foto was. Dat brak de ban een beetje. ‘De muur is ook gebroken!’ zei ik overdreven lachend. Ach’, frutselde hij terwijl hij de stukken van zijn pasje weer aan elkaar drukte. ‘Het was toch een lelijke muur’, waarop de instructeur zijn spatel in het cement gooide en huilend wegrende.
We gingen vaak wandelen in Heumensoord om bloemen te plukken. Hij liep altijd door de slagboom heen, en ik plakte hem dan weer aan elkaar. Hele verhalen vertelde hij over hoeveel gram hij die dag was aangekomen door het vele bankdrukken, en hij vergat daarbij altijd zijn omgeving, behalve mij. Ik vond het heerlijk om naar hem te luisteren. Ik plukte de eerste keer een gele bloem voor hem, en hij stopte hem meteen in zijn mond. ‘Die is niet om te eten, barbaar!’ De steel stak nog uit zijn mond, en ik zag dat hij een beetje geschrokken was. Vermurwd deed ik een stap naar voren en kuste hem half op zijn steel.
Hij sprong juichend op, dartelde verder Heumensoord in en begon het militaire Vierdaagsekamp in elkaar te slaan. Ik keek verliefd toe hoe hij de ene na de andere soldaat aan vezels scheurde. Na een kwartier rende hij naar me toe met een brandend been in zijn mond. Hij keek trots naar me op en haastte zich terug om de aangekomen versterkingen op te eten. Toen rukte hij de rupsbanden van een tank los en gespte ze aan elkaar als een riem. ‘Kijk! Mijn riem kan schieten!’ riep hij blij, en schoot bulderend de afdeling geschiedenis uit het Erasmusgebouw.
‘s Avonds liggen we lepeltje lepeltje. Hij achter mij natuurlijk; mijn arm past niet om hem heen. Gekromd in een warm kuipje voel ik me veilig. Slaap zacht, grote beer van me.
Klik hier voor alle artikelen van ANS november 2008.






