De Nieuwe Stad
Alleen de veiligheidswaarschuwingen hangen er nog. De brandblussers zijn gestolen of, ver over hun uiterste houdbaarheidsdatum heen, uit voorzorg verwijderd. Er hangt nog een schakelkast met afgeknipte bedrading. Op de kast ligt een briefje met een kort rapport van de laatste duurproef. ‘Schakelaar nooit uitzetten!!!’, staat er, met drie uitroeptekens. Dat is, voor zover ik dat kan uitmaken, nooit gebeurd.
De stroom is allang weg hier. Het gebouw lijkt te willen grijpen naar de batterijen in onze zaklampen en de accu’s in onze telefoons, camera’s en mp3-spelers. Vroeger gebruikte de fabriek die hier zat de helft van
de stroom in de stad. Hier werden dingen gemaakt. Dingen die in onze huizen de andere helft van die stroom zouden claimen. En meer dan de helft van onze tijd.
Soms slepen we een deel van daarbuiten terug. De vloeren trillen verheugd als we met de aggregaten aankomen. Dit is hoe een gebouw popelt. Het weet dat er geleefd gaat worden. Nu ligt het dood. Dit is de leegstand en daar leven we voor. Niets heeft zoveel potentie als een dode fabriek.
We denken in enclaves, want alleen in enclaves is het goed feesten. Er heeft altijd iemand bekers. Er is altijd iemand die plaatjes kan draaien of lampen kan regelen. Voor een blikken biertap mag je binnen; wat flessen sterke drank en je mag in de lounge, die we met kussens van oude bankstellen hebben bekleed. Je moet sowieso min of meer op een lijst staan. We hebben nog nooit een flyer gedrukt. Onze mobiele nummers veranderen elke maand. Wij ontdekken de plekken en stippelen een route uit. We bewaken de ingang en de goede smaak. Eenmaal binnen ben je op jezelf aangewezen, net als de rest.
Er zijn geen buren, dus er is geen sluitingstijd. We gaan door tot alles op is en de aggregaten opnieuw moeten worden opgeladen. Vanavond zijn we eigenaar en morgen vragen ook wij ons faillissement aan. Maar dat is morgen.
Niets heeft zoveel pretentie als een dode fabriek.




