ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

M#

‘Ik wist niet dat jij zo muzikaal was.’
‘Ben ik ook niet.’
Hij stoorde me. Ik had het druk. De hele dag had ik nog geen vin verroerd en voor me uit zitten staren op de bank. Ik was mijn kamer niet uit gekomen. Ik had gedoucht, verder niets. Niet eens ontbeten. Alleen een stuk chocola verorberd dat ik op tafel vond.
Het was half acht toen de telefoon ging:
‘Wat ben je aan het doen?’
God, wat een vraag. Alsof ik ook maar het flauwste idee heb waar ik mee bezig ben in dit leven.
‘Liedjes schrijven.’
Waarom zouden alleen muzikale mensen liedjes mogen schrijven? Waarom mogen artiesten maandenlang verdwijnen om ‘aan hun nieuwe album te werken’ terwijl ik nog niet eens een dagje afgesloten van de wereld kan zijn?
Ik heb even een dag zonder mensen nodig, dacht ik. Het was toch niet zo’n goed idee geweest. Ik ging te diep nadenken. Het was die ochtend dat ik me realiseerde dat ik te lang in Nijmegen woon. Ik ben hier geboren en heb nooit ergens anders een huis gehad. En dat niet alleen. Ik ben nooit langer dan drie weken hier weggeweest. Ik besefte me dat ik nooit in mijn leven langer dan een maand mijn moeder én de Sint Stevenstoren niet had gezien en gehoord. Ieder seizoen van ieder jaar had ik de afgelopen 22 jaar gezien in deze stad. Dat geeft niet het gevoel alsof je ver bent gekomen in je leven. En ik ben ook nog eens niet muzikaal.
Die telefoon had ik moeten uitzetten, stom natuurlijk. Maar ik zie graag het bewijs dat er iemand aan me denkt, in de vorm van het vrolijk knipperende schermpje van mijn roze telefoon dat een beller of sms verraadt. Dus het komt niet snel in me op om hem uit te zetten, als ik niet in de bioscoop of een college zit. Niet muzikaal en wanhopig op zoek naar aandacht. Wat is er in godesnaam van me geworden?
Ik drukte zo hard mogelijk op ‘ophangen’. Zo. Pak aan.
Ik stond op, een revolutionair moment die dag. Ik liep naar buiten, sprong op mijn fiets en reed weg alsof er niets aan de hand was. Op de fiets belde ik naar huis. ‘Mam, vind je het leuk als ik thuis kom eten?’ Retorische vraag. En ik hoefde ook geen boodschappen meer te doen.
Het was rustig op de weg, zoals het daar hoort. De lucht was zacht en stil. Een vlucht regenwulpen vloog over me heen terwijl ik de ondergaande zon tegemoet reed.
Iemand zou hier een liedje over moeten schrijven.