Wijkagent: De Wolfskuil
Elke maand doet de Wijkagent zijn ronde door een ander stadsdeel. Van getto tot villapark speurt hij Nijmegen af, op zoek naar de meest studentikoze wijk. Deze maand: Waar zijn de studenten in de Wolfskuil?
Tekst: Roel Neijts
Foto’s: Christien Havranek
Het is meer dan twee eeuwen geleden dat de molenaar voor het laatst zijn Witte Molen beklom en de landerijen ten westen van Nijmegen afspeurde naar naderende roedels wolven. Bij het ontdekken van de roofdieren, blies hij op zijn hoorn om de omwonende boeren te waarschuwen. Gewapend met riek en zeis jaagden de bijeengekomen agrariërs de wolven daarop de zogeheten wolfskuil in, waar volgens de overlevering op 12 augustus 1800 de laatste wolf van Nederland stierf. Tegenwoordig herinnert een gevelsteen van Villa de Wolfskuyl, met daarop afgebeeld een wolf, als het enige tastbare nog aan de Nijmeegse wolvenhistorie.
De moordkuil heeft plaatsgemaakt voor knusse volkshuisjes, gegroepeerd in hofjes en nauwe straatjes, waar zowel Turkse muziek als het Hollandse levenslied uit de speakers schalt. Enig teken van een levendige studentenpopulatie is met moeite te bespeuren: een zoektocht naar de Wolfkuilse student.
Volkswijk
De Wolfskuil kan het best worden bestempeld als een volkswijk met multiculturele invloeden. Kinderen van Mediterrane komaf spelen op straat en even verderop laat een hooggeblondeerde vrouw haar foxterriër tegen een boom pissen, terwijl ze in haar badjas een peuk rookt. Om de hoek, in de Pastor Zegersstraat, sjokken een paar mannen naar de Abibakr Moskee. Van sommige huizen staat de voordeur wagenwijd open. Een vluchtige blik naar binnen laat huiselijke tafereeltjes zien: herdershond en baasje liggen riant op de bank terwijl de muziek van Frans Bauer tot ver in de straat is te horen. De buren schijnen er weinig last van te hebben: een corpulente vrouw en bierdrinkende man kijken ontspannen televisie, gebiologeerd volgen ze het voetbal op SBS6.
Aan taferelen die normaliter alleen aan studenten worden toegeschreven geen gebrek: ontbindende fietsen en rondslingerende winkelwagentjes voeren vooral in de woonhofjes de boventoon. Het Nachtegaalplein balanceert op de rand van het studentikoze en het asociale: hier liggen zelfs vijf wagentjes op hun kant. In combinatie met de sterke begroeiing van onkruid tussen de stoeptegels maakt dit plein een verwaarloosde indruk. De hoop hier Radboudianen te spreken begint te vervagen.
Oud en nieuw
‘De Wolfskuil heeft veel te bieden’, verdedigt mevrouw Paans uit de Mirtestraat haar wijkje. Tijdens het besproeien van haar voortuin verduidelijkt ze: ‘Ik kom hier al 25 jaar niks tekort: er is een Albert Heijn, Kruidvat, Aldi en een Boerenleenbank.’ Ervaringen met studenten heeft ze niet. Paans wijst naar elk huis in haar straat en somt de bewoners stuk voor stuk op. ‘Daar woont een jong stel, en daar een alleenstaand meisje, maar ik denk dat geen van hen student is. Ik heb niet zoveel contact met de jongelui, ik ben al met de vut’, lacht ze gul. ‘Maar als je op zoek bent naar de echte Wolfskuil moet je niet hier zijn, dan moet je richting de Floraweg.’
De Floraweg blijkt slechts drie straten verderop te zijn en van nieuwbouw voorzien. Tussen de nieuwe huizen liggen brede trottoirs en zelfs wat gras, wat niet te ontdekken viel in het vooroorlogse gedeelte van de wijk. Op een hoek staat zowaar een niet onooglijk kunstwerk. De melange van fonkelnieuw en peperduur schrikt de uitwonende student vast en zeker af. Terug naar het oude deel.
Aan de Nieuwe Nonnendaalseweg is het dan eindelijk raak: een betegelde voortuin, beladen met fietsen mét flyers op bagagedrager en stuur. Sanne Bergs (22), vijfdejaars Geschiedenis, begrijpt de moeizame zoektocht: ‘De studentenhuizen in deze wijk vallen niet op: alle huisjes zijn even klein en even slecht onderhouden.’ Binnen geniet Roy Jehoel (19), tweedejaars Biomedische Wetenschappen, net van een Aviko-aardappelschotel en scharen Tom Schut (21), vierdejaars Kunstmatige Intelligentie, en Katelijne Kijlstra (19), HBO-Rechten, zich bij Roy en Sanne in de gezamenlijke voorkamer. In de achtertuin verschijnt buurman Theo bij de lage schutting en vertelt tevreden over de huidige Wolfskuil. ‘Hier helpen de mensen je, mits ze je mogen. Vroeger was de buurt een echte achterbuurt, gedomineerd door asociale oud-ijzerboeren.’ Geen gebrek aan lovende verhalen van de plaatselijke bevolking. De Wolfskuil is geen broedplaats voor het intellect, maar zal nog geruime tijd een paradijs blijven voor de man van het volk.
Ligging en bereikbaarheid
Roy: ‘Onder de tunnel door en je bent in het centrum.’
Sanne: ‘De universiteit is wel wat verder, een kwartiertje op de fiets.’
Tom: ‘Met lijn 6 kun je daar ook heen, maar dat duurt wel veertig minuten.’
Roy: ‘Veertig? Nee, veel minder! Ik stap al uit bij het ziekenhuis.’
Tom: ‘Ja, jij hebt college bij het UMC. Ik moet langer blijven zitten. Ik dacht al: jouw bus rijdt veel sneller.’
Bewoners
Roy: ‘Hier wonen enkel allochtonen en oude mensen. En de paupers niet te vergeten.’
Sanne: ‘Noem het liever arbeiders.’
Tom: ‘We hebben alleen contact met onze buurman, Theo.’
Buurman Theo: ‘Dat jonge grut van hiernaast is goed opgevoed. Ik heb er geen last van.’
Sanne: ‘De voorbijrijdende brommers zijn wel irritant.’
Katelijne: ‘Van andere bewoners ondervinden we geen overlast.’
Roy: ‘Ik heb wel eens met de jongetjes uit de buurt gevoetbald.’
Uiterlijk
Tom: ‘Het is een knus ogend wijkje. Hiertegenover heb je van die gezellige kronkelstraatjes.’
Roy:’Er zitten altijd mensen in hun voortuin om de buurt in de gaten te houden.’
Sanne: ‘Theo zwaait geregeld wanneer ik het huis uit ga.’
Roy: ‘Alleen onze straat vind ik mooi. Hier staan tenminste bomen.’
Katelijne: ‘Verderop staat allemaal lelijke nieuwbouw.’
Groen
Tom: ‘In de buurt van de molen ligt het Florapark. Ik kom er wel eens.’
Sanne: ‘Bij de Wolfkuilseweg heb je een hondenuitlaatplaats.’
Roy: ‘Als ik ooit naar een park ga, is het dat op het Keizer Karelplein. Of het Kronenburgerpark natuurlijk.’
Middenstand
Sanne: ‘De wijk heeft genoeg winkels waar je boodschappen kan doen.’
Roy: ‘In de buurt van de Albert Heijn zitten zelfs een visspeciaalzaak en een apotheek.’
Tom: ‘Ik ga wel eens bij de Turkse bakker brood halen.’
Katelijne: ‘Er is ook een Turkse kapper.’
Tom: ‘Wanneer de supermarkt is gesloten, kun je altijd nog bij de pizzeria chips en cola kopen.’
Cafés
Tom: ‘Hier in de straat zit Café Elmeran. Ik kom daar nooit.’
Sanne: ‘Er is eigenlijk niets voor studenten.’
Roy: ‘Alleen buurtbewoners gaan naar dat soort cafés, om te bingoën, of te biljarten.’
De Wijkagent kent toe: 2/5






