ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Het Issue: Ja, ik wil?

In deze rubriek staat iedere maand een ander Issue centraal, waarover de meningen sterk zijn verdeeld. Deze maand: het gebrek aan vrouwelijke hoogleraren

Tekst: Liang de Beer en Ewoud Rohn
Illustratie: Ruud Vos

Blank, autochtoon en van het mannelijke geslacht: de eigenschappen van het elitekorps der hoogleraren, die de Nederlandse universiteiten in zijn greep heeft. Voor vrouwen is daarbinnen nauwelijks plaats. In Nederland is slechts 10 procent van de hoogleraren vrouw. In Europees perspectief horen onze universiteiten bij de slechtste van de klas.
Elk jaar is de helft van de eerstejaarsstudenten vrouw, bij de afgestudeerden is dit deel zelfs nog groter. Echter, hoe hoger op de universitaire ladder, hoe hoger het percentage mannen. Daarom staat in het regeerakkoord geschreven dat voor 2010 het percentage vrouwelijke hoogleraren op 15 procent moet worden gebracht. Naar aanleiding van deze doelstelling hebben een aantal Nederlandse universiteiten een beleid ontwikkeld om meer vrouwen als hoogleraren aan te stellen. Wat houdt wetenschappelijk geschoolde vrouwen tegen om daadwerkelijk carrière te maken?
De stelling van deze maand: Het gebrek aan vrouwelijke hoogleraren, is aan vrouwen zelf te wijten.

Prof. dr. Yvonne Benschop, Hoogleraar Organizational Behavior gelieerd aan instituut voor Genderstudies
‘Ik ben het helemaal niet eens met deze stelling. Het is de manier waarop de universitaire wereld is georganiseerd, die houdt vrouwen tegen in het opbouwen van een carrière. Als je beweert dat het aan de vrouwen zelf ligt, zou je impliceren dat ze minder talent hebben dan hun mannelijke collega’s. Maar hoogleraar word je niet alleen op basis van talent. De procedures daarvoor zijn niet zo open als het lijkt. Vaak is het een kwestie van netwerken. Beeldvorming over hoogleraren is ook nog sterk op mannen gericht. Sinds ik hoogleraar ben, krijg ik vaker brieven gericht aan “meneer professor Benschop” dan aan “mevrouw professor Benschop”. Deze beelden zijn cultureel bepaald.
‘Naast beeldvorming is organisatiecultuur een tweede verklaring. We hebben nog de neiging om Wetenschap met een hoofdletter te schrijven. Het beeld dat je jezelf als wetenschapper 200 procent moet geven, schrikt jonge vrouwen én mannen af. In de toekomst zal meer moeten worden gekeken naar de kwaliteit van de persoon in kwestie en niet naar de kwantiteit van publicaties en beschikbare tijd.’
‘Zelf heb ik in mijn loopbaan nooit obstakels ervaren, maar dat ligt dan ook aan mijn specialisatie. Als je als vrouw carrière wil maken op de universiteit moet je slim opereren en op het juiste moment zeggen dat je hoogleraar wil worden. Dat het aan de ambitie van vrouwen ligt als ze geen hoogleraar worden, kan ik niet bevatten. Wie wil nou niet de meest fantastische baan ter wereld hebben waar onderwijs wordt gecombineerd met wetenschap? Als hoogleraar heb je invloed op het beleid en de vorm van onderwijs. De wetenschap zou voor vrouwen net zo aantrekkelijk moeten zijn als voor mannen.

Prof. dr. Marit Monteiro, hoogleraar Geschiedenis der Nederlands Katholicisme
‘Op deze stelling is het nodige af te dingen. Onderzoek richt zich voornamelijk op de gebrekkige doorstroom van vrouwen, niet op de vraag hoeveel studenten überhaupt de ambitie ontwikkelen om universitair docent te worden. Wel is bekend dat slechts 30 procent van de vrouwelijke studenten een leidinggevende wetenschappelijke functie ambieert. Deze groep acht de eigen kansen op een dergelijke carrière overigens nihil, en dat is helaas een tamelijk realistische inschatting. Toch is er de laatste jaren een grotere doorstroming van vrouwen naar de universitaire top, dit komt door verbetering van beoordelings- en sollicitatieprocedures.
‘Het imago van de universitaire top is wellicht een grotere barrière dan de procedures. Vrouwen laten het hoogleraarschap eerder aan zich voorbij gaan dan mannen. Dit komt doordat die functie een zeer veeleisende baan is. Niet iedereen kiest voor een baan met een structureel hoge werkdruk, in een organisatie die niet bepaalt uitblinkt in de ondersteuning van haar ‘toppers’. Vrouwen moeten zich ermee kunnen verzoenen dat ze daarbij een van de weinigen in de functie van hoogleraar zijn.
‘De werkdruk manifesteert zich ook in het privé-leven van de academici. Daarvan hebben niet alleen vrouwen, maar ook hun mannelijke collega’s last. Vooral zij kunnen het imago van een academische baan veranderen. Mannen kiezen er steeds vaker voor om parttime te werken en hun zorgplichten thuis te delen met een veelal hoogopgeleide werkende partner. De maatregelen die de werkgever dan moet treffen om hen aan boord te houden, zullen uiteindelijk de instroom van vrouwen in leidinggevende posities bevorderen.’

Drs. Marieke van den Brink, junioronderzoeker Instituut voor Genderstudies en Bedrijfswetenschappen
‘Ik ben het niet met deze stelling eens, maar ik zal niet ontkennen dat vrouwen het spel soms strategischer mogen leren spelen. Ik heb onderzoek gedaan naar de invloed van gender binnen de organisatiestructuur van universiteiten. Uit mijn onderzoek blijkt dat de benoemingsprocedures in het voordeel van de man werken. In de meeste gevallen is er sprake van een gesloten vacature; zo wordt er bijvoorbeeld tijdens de befaamde vrijdagmiddagborrel een nieuwe docent of hoogleraar gevonden. In de benoemingscommissies zitten zogenaamde scouts, meestal mannen, die opdracht hebben mensen voor functies te zoeken.
Zij zoeken in hun eigen netwerken die ook weer voornamelijk uit mannen bestaan. Zo krijgen vrouwen, en bijvoorbeeld ook allochtonen, minder kansen om carrière te maken. Men houdt het graag veilig en vertrouwd, scouts zoeken klonen van zichzelf. Dit staat haaks op het beeld van de innovatieve wetenschap.
‘Aan de andere kant onderschatten vrouwen het belang van een netwerk. Vrouwen zouden strategischer met hun loopbaan kunnen omgaan, aangezien scouts een vrouwelijke hoogleraar nog steeds niet als vanzelfsprekend zien. Ten eerste worden vrouwen minder vaak gezien door scouts. Ten tweede zijn vrouwen vaak te bescheiden bij sollicitaties en promoties. Ze moeten worden gezien en zichzelf zichtbaar maken.
‘Ik verwacht dat in de toekomst de vertegenwoordiging veel evenrediger wordt, maar dit zal een mentaliteitsverandering vereisen bij met name de benoemingscommissies, maar ook bij de vrouwen. Er heerst nog steeds een beperkt idee van wat wetenschappelijke kwaliteit is. Bij het UMC betekent een zwangerschap doorgaans het einde van de loopbaan. Vaak wordt alleen naar de kwantiteit van het aantal wetenschappelijke publicaties en beschikbare uren gekeken en niet naar de kwaliteit. Vrouwen die parttime werken, leveren nog steeds een goede wetenschappelijke bijdrage aan de faculteit. Mijn conclusie is dat vrouwen echter ook ambitie moeten uitdragen en zeggen: Ja, ik wil!’

Heb jij ook een mening over dit issue? Discussieer mee op www.ans-online.nl.