Remco Campert: Zestig jaar Vijftiger
Op het Nijmeegs poëziefestival Onbederf’lijk Vers, 17 oktober
aanstaande, is hij een van de grote namen en in november komt een nieuwe bundel gedichten van hem uit. Zelfs na zestig jaar poëzie lijkt de dichter er geen genoeg van te kunnen krijgen. Vindt Remco Campert het dichterschap nog altijd even aantrekkelijk?
Tekst: Alexander Thijssen en Janneke Wijkmans
Foto: Valentijn Brandt
Aan de rand van het Museumplein opent zich langzaam de witte barokke deur van een riant herenhuis. Als een oude landheer staat Remco Campert (78) bovenaan de trap en wenkt ons naar boven. De werkkamer waarin we worden ontvangen, is aan alle kanten bekleed met boekenkasten. Een rode schrijfmachine neemt een prominente plek in op zijn bureau. ‘Ik heb gehoord dat je op een computer toch alles kwijtraakt’, zegt Campert. De dichter voelt überhaupt geen behoefte zich nog op vernieuwingen te richten. ‘Mijn stijl, mijn voorkeuren en mijn werkwijze veranderen niet meer in de tijd die me nog rest.’
U bent inmiddels 78, en u schrijft nog steeds veelvuldig. Komt u tijd te kort voor alle ideeën die u nog heeft?
‘Ik heb geen lijst van onderwerpen die ik nog wil afwerken, maar er valt altijd iets te schrijven. Zolang ik er plezier in heb, zie ik geen reden om te stoppen. Vanaf de tijd dat ik als jongen besloot “nu ben ik een schrijver”, werd het mijn leven. Zo lang ik adem, zal ik schrijven.
‘Wel heb ik ervoor gekozen me nu puur te richten op proza en poëzie en niet langer op de column die ik voorheen voor de Volkskrant schreef. Het kostte me steeds meer moeite en bovendien heb ik niet meer alle tijd van de wereld. In mijn resterende tijd stort ik me liever op proza en poëzie, wat me meer voldoening geeft. In de periode dat ik de column schreef, heb ik geen bundel poëzie uitgegeven. Kennelijk was er teveel energie in de columns geslopen. In november komt eindelijk weer een nieuwe bundel van me uit.’
Bevat de bundel enkel recentelijk geschreven werk?
‘Nee, er zijn ook gedichten die al langere tijd op de plank lagen. Gedichten kun je laten liggen, laten rijpen. Poëzie heeft geen haast. Maar als een gedicht na een proces van schrappen en schrijven af is, moet het wel zo blijven. Hugo Claus kijkt nog vaak terug naar zijn oude poëzie om er dingen aan te veranderen. Mijn poëzie is altijd terug te plaatsen naar een moment in de tijd. De situatie zoals die toen was, kun je niet veranderen, dus van oude gedichten moet je afblijven. Een gedicht ademt de tijdgeest.’
Hoe was die tijdgeest in uw jonge jaren?
‘In de tijd dat ik me serieus met dichten ging bezighouden, kwam Nederland net uit de oorlog. Eten was nog op de bon en we moesten het doen met één pakje sigaretten in de week. Er viel geen moer te beleven. Daarom trok ik met een tiental andere jonge dichters naar Parijs. Die stad leefde wél, het broeide en gistte allemaal. De stroming waarbij ik me aansloot, de Vijftigers, bestond uit jonge dichters en schrijvers die uit zeer verschillende milieus kwamen. We hadden veel aan elkaar, inspireerden elkaar.
‘Het was een mooie tijd, maar ook een moeilijke. Het heeft jaren geduurd voordat ik wat geld verdiende met schrijven. We moesten hard werken en dan nog waren we niet zeker van succes. Als jonge dichter moest ik destijds een plaatsje zien te veroveren in de gevestigde dichtwereld.
‘Om inspiratie op te doen, las ik veel werk van anderen. Tegenwoordig lees ik bijna niet meer. Dat komt allereerst doordat ik nu goed weet hoe anderen schrijven en ik weet vooral beter dan vroeger hoe ik het zelf schrijf. Daarnaast ben ik me bewust van het feit dat ik niet zoveel tijd meer heb. Ik vind het zinvoller die tijd aan mijn eigen werk te besteden dan aan het werk van anderen.’

In oktober staat u op het dichtfestival Onbederf’lijk Vers. Vindt u het nog zinvol om op te treden?
‘Zolang ik ertoe in staat ben, wil ik dat graag blijven doen. Op mijn leeftijd geldt dat, als je ergens mee ophoudt, je er definitief mee stopt. Heel anders dan met het schrijven, voelt optreden nog steeds als een vorm van jezelf bewijzen. Ik vind het leuk om aan een volle zaal te laten zien wat ik kan. Dat is overigens niet altijd zo geweest; de eerste keren dat ik optrad, had ik van tevoren moed ingedronken in de vorm van een paar flinke glazen jenever. De podiumangst was daarmee verdwenen, evenals de kwaliteit van het optreden.
‘Nu heb ik meer ervaring en voel ik de zaal beter aan. Ik kom nooit met een vast programma, omdat de stemming van het publiek van essen-tieel belang is voor mijn keuze. Dat is ook de reden dat ik weinig op tv te zien ben. Voor een camera heb je geen direct contact met je publiek. Je hebt van die schrijvers die echt televisiefiguren worden. Ik wil graag een bekende schrijver zijn, maar niet via televisie, want daar gaat het nooit echt over literatuur. Schrijvers als Joost Zwagerman hebben over alles een mening, zo ben ik niet. Ik wil leuk voor de dag komen in wat ik schrijf, niet in wat ik daarnaast allemaal beweer.’
Is er een verschil tussen optreden vroeger en nu?
‘De verhoudingen zijn anders. Toen was er een enorme hiërarchie, waarin wij als nieuwelingen helemaal onderaan stonden. De oude letterkundigen, zoals ze zichzelf graag noemden, voelden zich te goed om met ons op te treden. Wij hadden daar ook niet zo’n behoefte aan, want wij vonden onszelf veel beter. Een van de gevestigde dichters, Bertus Aafjes zei toentertijd over ons: “de SS is de poëzie binnen gemarcheerd.” Zo werden wij ontvangen door de oudere dichters.’
Waar kwam die kritiek vandaan?
‘Wij vielen alles aan wat zij als schrijvers liefhadden. De poëzie die zij schreven bestempelden wij als huis-, tuin- en keukenpoëzie. Het ging alsmaar over verloren liefdes en dat soort zaken. Die dingen hielden absoluut geen verband met de wereld zoals wij die meemaakten. Wij wilden de wereld veroveren.’
Denkt u nu, een halve eeuw later, dat het u is gelukt?
‘We hebben de poëzie zeker veranderd. Dat wil niet zeggen dat elke dichter nu hetzelfde schrijft als wij destijds. Integendeel; de poëzie is juist vrijer geworden. Er is veel meer mogelijk dan vroeger. Dit is met name te danken aan de invloeden van buitenlandse dichters. Stromingen als het dadaïsme en het surrealisme hebben wij naar Nederland gehaald.
‘Het gaat er uiteindelijk om dat de poëzie zo mooi mogelijk is. Kennelijk is daarvoor een strijd nodig. Tegenwoordig lijken veel jonge dichters in verschillende kenmerken op elkaar, maar als geheel vormen ze geen stroming. Doordat er meer vrijheid is, is het voor dichters niet nodig zich te verenigen. Dergelijke groeperingen ontstaan enkel uit onvrede, uit de behoefte zich af te zetten tegen de gevestigde orde. Met een poëtisch milieu waarin alles mogelijk is, bestaat er geen onvrede.’
Een mededichter en tijdgenoot van u, Simon Vinkenoog, beweert in de april-editie van het ANS van 2006 dat hij nog steeds in een tegencultuur zit. Leeft de geest van de Vijftigers ook nog in u voort?
‘De idealen zijn niet veranderd, maar ik voel me nu tot de cultuur behorend. Ik ben überhaupt nooit zo tegendraads geweest als Simon. Nu nog tegendraads zijn, zie ik als een soort van eeuwig jongensachtig verzet tegen de bestaande cultuur. En ach, Simon hoort natuurlijk ook al lang bij de cultuur, hij kan nog wel denken dat hij in een tegencultuur zit, maar ik denk dat hij daar niet helemaal gelijk in heeft.
‘Het gevoel van toen herleeft alleen in mij wanneer ik weer in Parijs ben, de stad van mijn inspiratie. Dan wordt er nog altijd iets in me wakker, iets tegenculturigs.’
Op dinsdag 16 oktober, de dag voor het poëziefestival Onbederf’lijk Vers, wordt er een kort filmportret van Remco Campert vertoond in de Rode Laars.







