ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Robbert Dijkgraaf: ‘Ik wil talent de wetenschap in sleuren’

Van het Nederlandse onderwijssysteem moet hij niks hebben, toch staat Robbert Dijkgraaf er middenin. Een briljante bèta over de verkwisting van talent en het gebrek aan toewijding van Nederlandse studenten. ‘In het buitenland zie ik bij studenten nog het vuur in de ogen dat ik hier zo node mis.’

Tekst en foto’s: Boy van Dijk

De indrukwekkende carrière van Robbert Dijkgraaf (47) begint in 1978 wanneer hij Natuurkunde gaat studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij behaalt cum laude zijn kandidaatsexamen, maar voelt zich te weinig gemotiveerd. ‘Ik moest bijvoorbeeld de baan van planeten om de zon tekenen. Op de middelbare school had ik allang een computerprogramma gemaakt dat de baan van een planeet om een zwart gat kon uitrekenen.’ Aan de Rietveld Academie hoopt hij meer van zijn creativiteit kwijt te kunnen. Een jaar van schilderen later, mist hij intellectuele uitdaging en besluit hij Natuurkunde weer op te pakken. Dan gaat het snel. Drie jaar na het cum laude behalen van zijn doctoraal promoveert hij, wederom met lof. Hij vertrekt naar Princeton, een Amerikaanse topuniversiteit, en stort zich met een groep gemotiveerde onderzoekers op de snaartheorie. Tot op de dag van vandaag blijft Dijkgraaf erdoor gefascineerd. Niet langer in de VS, maar sinds 2005 als universiteitshoogleraar Mathematische Fysica aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Deze bijzondere aanstelling weerhield hem ervan om in te gaan op een ‘fantastische aanbieding’ van Harvard. ‘Ik ben nu vrij om te doen wat ik wil.’
Dijkgraaf is bij het grote publiek vooral bekend vanwege zijn activiteiten buiten het wetenschappelijk onderzoek. Zo schrijft hij columns voor het Amsterdamse universiteitsblad Folia en het NRC Handelsblad. In 2005 was hij ‘Zomergast’ en dit jaar gaf hij, in een afgeladen tent, college op Lowlands.
Dijkgraaf arriveert buiten adem en iets te laat, hij komt net terug van een college. Zijn vensterbank wordt gesierd door boeken die nog niet zijn uitgepakt en de tafel is bezaaid met paperassen: de kamer ademt wetenschap. ‘College geven vind ik nog steeds leuk om te doen’, zegt hij terwijl hij zuchtend plaatsneemt op de bank. ‘Vooral voor eerstejaars, die zijn het belangrijkst.’

Er is al jaren een gebrek aan bètastudenten. Om meer eerstejaars te behouden, biedt de RU met succes een intensieve begeleiding door tutoren. Hoe denkt u daarover?
‘Het idee spreekt mij erg aan. Mijn ervaring leert dat bèta’s op de middelbare school de beste cijfers haalden. Het is een publiek geheim dat zij het beste scoren bij de eindexamens Nederlands en Latijn. In bètastudenten schuilt dus veel potentieel, maar eenmaal op de universiteit wordt de helft al op korte termijn naar huis gestuurd. Dat is zonde. De universiteit dient die mensen goed te begeleiden. Het Nijmeegse voorbeeld zou daarom moeten worden gevolgd.’

U staat voor een intensiever beurzensysteem, waarin zeer getalenteerde studenten meer worden beloond en gemotiveerd. U kiest voor elitair onderwijs?
‘Tijdens mijn studietijd werd gezegd: “Kijk nog eens goed links en rechts van je, want je buren zijn er straks niet meer.” Op dat afschrikbeleid zijn de universiteiten wel teruggekomen; nu willen ze graag iedereen aan boord houden. Tussen individuele studenten zijn grote kwaliteitsverschillen en die doen zich binnen de exacte wetenschappen het scherpst voor. De allerbeste wil je echt motiveren. Ik wil talenten de wetenschap in sleuren. Excellente meisjes en jongens moeten worden beloond en dat kan op een heleboel manieren. Wanneer ik buitenlandse studenten spreek, valt het me op hoeveel studiebeurzen sommigen hebben gekregen. De Nederlandse mentaliteit van “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” is niet meer van deze tijd. Als mensen iets bijzonders doen, moeten ze daarin worden erkend. Bij andere studies ligt er misschien een enorme beloning te wachten als je aan het werk gaat als bijvoorbeeld topadvocaat of topchirurg. In de wetenschap gaat het niet om geld, maar om de interne drive. Die moet worden aangejaagd en daarbij kunnen kleine dingen helpen. Ikzelf mocht bijvoorbeeld op jonge leeftijd werkcollege geven, waardoor ik me onderdeel van de universiteit voelde.’

De meeste studenten hebben juist doodnormale bijbaantjes die niets met hun studie van doen hebben. In het ‘NRC Handelsblad’ van 6 september 2003 noemde u dat ‘idioot’.
‘Ik begrijp waarom studenten een bijbaantje nemen, maar de manier waarop ze hun energie verdelen, vind ik vreemd. Tijdens de studie moet de ontwikkeling van het individu centraal staan. De bijklussende student gaat uit van een studie die ook wel met twintig uur per week kan, of zelfs in enkele avonduren. Dat is een verkeerde houding. Zorg dat je tijdens je studietijd de diepte ingaat, zodat je in deze fase van je leven daadwerkelijk wordt gevormd. Je moet worden geïnvolveerd in de universiteit en kopje onder gaan. Dat kost tijd.’

Ging u zelf ‘kopje onder’ tijdens uw studietijd?
‘Tijdens mijn eerste studiejaren niet, maar wel toen ik serieus aan mijn onderzoek in de doctoraalfase begon. Ik vond de universiteit in het begin heel bureaucratisch, heel ambtelijk. “Dit is je nummer, meld je daar, schuif maar aan”; het was net een fabriek. Ik vind juist dat je moet worden gevormd en zoiets moet van twee kanten komen. De universiteit moet zich ontfermen over de studenten, tegelijkertijd moeten die zich voor haar openstellen.’

Elk jaar weer stoppen veel eerstejaars met hun studie. Wat vindt u daarvan?
‘Dat is treurig. In het buitenland hoor ik dat er al serieuze vraagtekens worden geplaatst bij een studie waar 10 procent afhaakt. Daarvan word ik even heel stil en dan verzwijg ik de percentages waar wij in Nederland mee kampen maar. Sommige studenten besluiten één dag voor de uiterste inschrijfdatum om Wiskunde te gaan studeren. Dan denk ik: “Zij moeten helemaal niet kiezen, maar eerst maar eens een jaar rondkijken.”
‘De liberal arts sluiten beter aan bij de moderne samenleving. Dat systeem biedt studenten een brede algemene vorming. In Europa wordt het echter nergens meer gebruikt en dat vind ik pijnlijk. Alleen in de VS is het nog terug te vinden. Daar zijn universiteiten transformerende ervaringen. In Europa is de persoonlijke ontwikkeling tijdens de studie toch vaak door toeval geregeerd. De Nederlandse ontwikkelingen geven mij, en anderen die deze visie delen, gelijk. Zo groeien de university colleges sterk en zijn alle kleinschalige en intens begeleide opleidingen erg succesvol. Ik denk dat we in vergelijking daarmee echt een slag hebben te slaan.’

Ziet u een bredere en minder specifieke opleiding als oplossing?
‘Binnen het Nederlandse onderwijssysteem wordt de algemene ontwikkeling op de middelbare school voltooid. Bij mij was dat niet zo, ik interesseerde me nog in een heleboel dingen. Het had mij erg geholpen als ik op de universiteit wat slagen in de rondte had kunnen maken. Natuurlijk zijn er ook mensen die al vanaf dag één weten dat ze hoogleraar Getaltheorie willen worden en voor wie zelfs een college Meetkunde afleidend werkt. Een universiteit moet dus smalle en brede opleidingen bieden. Ik denk dat er vooral in de breedte nog veel kan worden verbeterd. In Groot-Brittannië en de VS bijvoorbeeld, gaan studies veel breder van start.
‘Op Amerikaanse universiteiten is er eveneens de mogelijkheid om tijdens de bachelor al mastercolleges te volgen, zo wordt ook individueel talent bediend. Positieve uitzonderingen daargelaten zien wij universiteiten als beroepsopleidingen. Dat is niet meer van deze tijd. De universiteit moet worden gezien als een plek waar de student kan uitgroeien tot een volledig mens. Die gedachte ontbreekt op dit moment.’

Wringt zo’n breed eerste jaar niet met het huidige strikte aantal jaren studiefinanciering?
‘Het hoeft niet te wringen. Zo lopen Amerikaanse studenten op hun achttiende één of twee jaar achter wanneer ze naar college gaan. Onze middelbare scholen zijn namelijk nog steeds, alle negatieve geluiden daargelaten, veel beter. In de bachelorfase doen die Amerikanen wat aan Shakespeare en pas in de masterfase branden ze los. Een brede start zorgt er ook voor dat studenten een specialisatie kiezen die ze interesseert en waarvoor ze zich werkelijk willen inzetten. Daardoor gaat minder tijd verloren. Studenten die zich willen richten op bepaalde onderzoeksrichtingen kunnen al in hun bachelor veel van hetzelfde kiezen en daarna in de master helemaal voluit gaan.’

Hoe kan de kwaliteit binnen zo’n brede opleiding worden gegarandeerd?
‘De moeilijkheidsgraad van een vak is aan de docent. De kwaliteit en de eisen die aan colleges worden gesteld, verschillen binnen de universiteit heel sterk. Op elke Amerikaanse universiteit is een commissie die zich zorgen maakt over het onderwijs in het totale onderwijs in de bachelorfase. Zo’n systeem spreekt mij aan. Opleidingen moeten zich qua intellectueel niveau eigenlijk op eenzelfde hoogte bevinden. Je zou moeten kunnen zeggen: “Jij bent een student aan de RU, dus jij bent op deze manier als bachelor opgeleid.” Op dit moment is dat nog geen realiteit. De verschillende opleidingen zijn gescheiden werelden. Toen ik in Utrecht studeerde, had ik ook geen identiteit als student aan de Rijksuniversiteit Utrecht, slechts als student Natuurkunde. We zijn bang om groter over de universiteit na te denken. Dat vind ik jammer.’