ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Cleijne Column

Het was een mooie dag vandaag. Echt zo’n dag om rond elf uur mijzelf te onthoogslaperen en het bos in te rennen om fijn bloempjes te plukken en onderwijl allerlei snode plannen te bedenken. Ik pluk meestal gele bloempjes. Maar in Heumensoord zijn nauwelijks bloemen, dus pluk ik maar onkruid.

Na een uurtje of twee heb ik toch een heel mooi boeket, en vaak begin ik dan te fantaseren dat ik ze aan ga bieden aan de Refterkassaman. Hij kijkt altijd zo ondeugend naar me, maar hij heeft me nog nooit iets stiekemgratis meegegeven, dus ik ploep wakker en denk dat ik hem dan maar zangzaad ga geven in plaats, zodat hij naar mijn noeste bosje kan fluiten. Als ik dan zingend mijn bundeltje bekijk, word ik mij bewust van een treurig geruis, en ik doorzoek het bladerdak dat mij omsluit. Ik wist niet dat bomen jaloers konden zijn.

Gelukkig ben ik de kwaadste niet. ‘Dag Beuk, wil je erbij?’ ‘Ja’, zegt Beuk met een traan in zijn knoest. De andere bomen zijn erg blij voor Beuk, en Beuk pronkt parmantig op mijn schouder. Beuk stoot alles om, en nog geen honderd meter verder word ik bij de slagboom staande gehouden door de politie. ‘Jij daar, met dat hoofd! Leg de boom neer en schop hem hierheen!’ Dat was niet zo’n slimme woordkeus van die agent.

Nu Beuk met de dienders naar verre oorden vliegt, loop ik richting sportcentrum om een plekje te zoeken voor mijn florazameling. Misschien de nis in de biceps van één der mastodonten? Of in een klamme bokshandschoen? Erg vruchtbaar allemaal! Ik ontwijk hordes bommen, voelsprieten met joggingschoenen en alles vernietigende kinnebakken, en vraag me af waar alle dikke mensen zijn, als ik de ideale plek zie. Er ontbreekt nog een hap zand, maar daar staat hij, op de balie van de receptie! Een paarse fluoriserende fruitschaal met een paars fluoriserend bord eronder!

Mijn onkruid vindt het ook een goede plaats en roert zich. Dat had het beter niet kunnen doen. Kruidje-Roer-Me-Niet vindt het weer lelijk, tot ergernis van de rest. Ik doe mijn best om de boel in de hand te houden, maar mijn blinkende spiermassa schiet hopeloos tekort als de ruiker escaleert. Zelfverzekerd komt De Ariër mij te hulp schieten, maar schiet mis en struikelt. De accumulatie innerveringen is niet bij machte om zichzelf te stoppen, slaat een silhouet in de achteruitgang en dondert een diepe put in de bodem van de parkeergarage. Mijn kruid ontworstelt zich, vliegt door het Duitse gat en laat mij achter. Ik stort grienend ter aarde. Boven mij klinkt de stem van een kale portier. ‘Zal ik er met Sinterklaas dan maar kruidnootjes in doen?’