Het gras bij de buren
University colleges: ze lijken een voorbeeldfunctie in te nemen in Plasterks grootse plannen voor het hoger onderwijs. Wat studeren aan deze universiteiten precies inhoudt is voor velen een raadsel. ANS nam
een kijkje achter de poorten van University College Utrecht.
De UCU opende in 1999 haar deuren.
De toelatingsprocedure vereist een aanbevelings- en motivatiebrief en een bewijs van voldoende beheersing van het Engels. Uit de aanmeldingen worden kandidaten geselecteerd voor een gesprek. Hierna wordt een definitieve selectie van ca. 225 personen gemaakt.
De University College kent drie disciplines: science (natuurwetenschappen), social science (sociale wetenschappen) en humanities (geesteswetenschappen). Studenten moeten in hun drie jaar UCU minstens een vak uit elke discipline volgen.
University College studenten kiezen geen studie maar een major: een studierichting waarin zij zich willen verdiepen, daarnaast is er veel ruimte voor het volgen van vakken in andere richtingen.
Met een UCU-diploma kan worden doorgestroomd naar een reguliere master. Van de afgestudeerden gaat 35 procent een master in het buitenland volgen.
Een ‘crèche voor rijkeluiskinderen’, zo bestempelde minister Plasterk het fenomeen university college in 2004 in een van zijn Volkskrant-columns. Vijf jaar later laat hij bij de opening van het academisch jaar op de Universiteit Twente weten gecharmeerd te zijn van deze Engelstalige universiteiten. In zijn hervormingsplannen voor het hoger onderwijs is een speciale rol weggelegd voor de university colleges, die brede bacheloropleidingen voor een select aantal studenten aanbieden. Volgens Plasterk is hier grote behoefte aan en ook universiteiten gaan mee in de hype. In navolging van Utrecht en Maastricht komen nu ook de Universiteit Leiden en de twee Amsterdamse universiteiten met een dergelijk initiatief. Hoewel de populariteit toeneemt, hebben de meeste reguliere studenten geen duidelijk beeld van wat zich op de campussen van deze colleges afspeelt. Hoog tijd om dit mysterie te ontrafelen door middel van een bezoek aan de oudste, en volgens de Elsevier studentenmonitor beste, university college van het land: University College Utrecht (UCU).
Stalinistische schransbunker
Achter een poort en gietijzeren boog waarop in sierlijke letters university college te lezen is, ligt de campus van de Amerikaans gemodelleerde UCU. Op deze zonnige dag lijkt de campus uit een promotiefolder gegrepen. Totdat tussen de statige panden en gemoedelijke grasveldjes een log, grauw gebouw opduikt dat niet zou misstaan in het voormalig Oostblok. ‘Dat is de Dining Hall’, legt Diede de Kok (19), tweedejaars met een major in Social Science, uit. UCU-studenten wonen intern en worden geacht al hun maaltijden in deze mensa te nuttigen. Bovenop het reguliere collegegeld betalen zij hiervoor een bedrag tussen de 7000 en 8000 euro. Het interieur van het universiteitsrestaurant blijkt fraaier dan de Koude Oorlog-look van het pand doet vermoeden. Bij binnenkomst is er een hippe lounge met postvakjes voor alle studenten. Het eetgedeelte doet denken aan V&D’s La Place, inclusief salad bar.
Toch zijn niet alle studenten tevreden met de geleverde faciliteiten. Niels Brants (20), derdejaars met een major pre-med, – een major waarmee de overstap naar een master in de geneeskunde kan worden gemaakt – is voorzitter van de All Students Interests Council (ASIC) dat de belangen van UCU-studenten behartigt. Hij vertelt: ‘De ASIC probeert het verplicht eten op de campus al een hele tijd afgeschaft te krijgen, tot nog toe helaas zonder succes.’ Diede vult aan: ‘Het is fijn dat je nooit hoeft af te wassen, maar op een gegeven moment heb je elk menu wel gehad. Bovendien kun je maar van half 6 tot 7 uur dineren. Dat is vooral vervelend voor de grote groep internationale studenten, die zijn gewend veel later op de avond te eten.’
Vlakbij de Dining Hall staan de studentenflats. Diede woont in gebouw Belijn en deelt een woonkamer, keukentje en douche met zeven ganggenoten. Haar eigen kamer is ruim twintig vierkante meter en door een veelheid aan ramen erg licht. Niet elke student heeft echter zoveel geluk. ‘Iedereen betaalt hetzelfde bedrag aan kost en inwoning, maar de kamergroottes zijn variabel.’ Elk jaar moeten de studenten weer verkassen. ‘Het idee is dat je dan steeds nieuwe mensen leert kennen.’
Klein, kleiner, kleinst
Het UCU-terrein oogt als een kleinschalige, stijlvolle versie van de RU-campus. Er is een studentenkerk, een college bar à la Piecken, er zijn goede sportvoorzieningen en er zijn twee studentorganisaties. Naast het ASIC is er de University College Student Association (UCSA), die sociale en culturele activiteiten verzorgt. Zo is er een yoga-commissie en een DJ-commissie. ‘Het is hier klein maar daardoor wel hecht en gezellig. Het leuke aan het verenigingsleven op de UCU is dat je van alles kunt realiseren. Voor elk idee kan budget worden verkregen, zolang er maar animo voor is’, vertelt Niels. Over de enkele heren– en damesdisputen, fraternities en sororities zoals die hier heten, is hij kritischer: ‘Dat is eigenlijk belachelijk. Het is hier al zo klein, dan hoef je niet nog een apart kringetje op te richten.’ Op de vraag of UCU-studenten meer dan gemiddeld actief zijn in verenigingen antwoordt Diede bevestigend. ‘Het is hier ook gemakkelijker dan op gewone universiteiten, alles speelt zich af op de campus. Niets is meer dan een paar stappen van je kamer verwijderd.’
Een A voor onderwijs
Tegenover de praktische mankementen van de verplichte kost en wisselende inwoning staat dat de studenten zeer positief zijn over het onderwijs. Zowel Diede als Niels zien het kleinschalige onderwijs als het groot-
ste voordeel ten opzichte van reguliere universiteiten. Vakken kunnen worden gevolgd door maximaal 25 studenten. Dit betekent dat er geregeld mensen worden geweigerd voor een vak. Studenten met een relevante
specialisatie of die eerder zijn afgewezen krijgen voorrang. De colleges zijn verplicht, tentamens worden niet voorafgegaan door een collegevrije periode, en zijn niet herkansbaar. Het eindpunt bestaat naast tentamens uit essays, presentaties en participatie in de colleges. Dit punt ligt niet tussen de 1 en de 10, maar is opgedeeld naar Amerikaans model van A t/m F. Hoewel dit handig is in het kader van de internationale focus van de UCU, wordt het niet altijd als een voordeel gezien. ‘Het is lastig te vertalen en minder nauwkeurig. Een 10 zul je niet snel halen aan een universiteit, terwijl een A hier een veelvoorkomend punt is’, aldus Diede. Dit betekent volgens haar echter niet dat aan de UCU gemakkelijk hoge punten worden behaald. Diede: ‘Voor een A moet hard worden gewerkt.’
Armeluiskindjes
Het grote aantal buitenlandse studenten – ongeveer 40 procent van de studentenpopulatie is niet van Nederlandse afkomst – bevestigt het internationale karakter van de UCU. Ook zijn er veel dubbele nationaliteiten en
Nederlandse studenten die in het buitenland hebben gewoond. Een van de buitenlandse studenten is Lior Kalder (20), tweedejaars met een major in Social Science, een Israëlische die in Barcelona woonde voordat ze hier kwam studeren. ‘Mijn oom woont in Nederland en attendeerde mij op het bestaan van de UCU. Het was de enige universiteit waar ik me voor aanmeldde. Als ik niet was toegelaten had ik dus een probleem gehad.’ Met haar Israëlische nationaliteit is Lior geen exotische verschijning op deze campus. Waar de internationale gemeenschap in Nijmegen door Duitsers en Spanjaarden wordt gekenmerkt, loopt op de UCU een keur aan intercontinentale nationaliteiten rond.
Het door Plasterk geschetste beeld van university colleges als een plek vol rijkeluiskindjes wil Diede graag ontkrachten. ‘Vergeleken met soortgelijke universiteiten in het buitenland is de UCU juist goedkoop. Verder zijn veel studenten hier met een beurs. Ik hoorde laatst nog een meisje zeggen dat ze echt een A moest halen omdat ze anders haar beurs zou verliezen.’ Op de vraag of er een competitief klimaat heerst antwoordt ze: ‘Ik heb niet het gevoel dat dit een enorm concurrerende omgeving is. Het is misschien wel zo dat mensen meer bezig zijn met punten. Hier wordt niet gevraagd of je een tentamen hebt gehaald, maar met welk punt je het hebt gehaald.’
225 gelukkigen
De selectieve procedure, het academische karakter, de focus op het buitenland: stuk voor stuk passen deze kenmerken perfect in Plasterks visie op het hoger onderwijs. De UCU-studenten twijfelen echter over een breed ingevoerd university college model. ‘Er is zeker steeds meer belangstelling voor. Ik denk dat er veel meer aanmeldingen zouden binnenkomen als meer mensen op de hoogte waren van het bestaan van university colleges, maar het karakteristieke van de UCU is juist de kleinschaligheid’, aldus Niels.
De studenten nemen Plasterks plotselinge interesse niet al te serieus. ‘Het is nu populair en hij waait met de wind mee’, stelt Diede. Ze waarschuwt dat university college niet voor iedereen is weggelegd. ‘Ik kan begrijpen dat sommigen een dergelijk Amerikaans model inclusief intern wonen juist helemaal niks vinden. Je moet hier niet alleen heen gaan omdat het goed staat aangeschreven.’ Wel denkt Diede dat de brede ontwikkeling waar de university colleges voor instaan belangrijker zal worden. ‘Mensen hebben steeds meer moeite met kiezen, de uitval in reguliere studies is hoog. Hier kun je veel gemakkelijker switchen als een bepaalde major toch niet leuk blijkt. Bovendien hebben de studenten een bewuste keuze gemaakt voor deze universiteit. Als je een toelatingsprocedure hebt doorlopen en je behoort tot de 225 gelukkigen, dan stop je niet zomaar.’ Hoewel het university college-model veel voordelen biedt, is het verschil met het reguliere universitaire studentenleven groot. Niels: ‘Het is heel anders dan wat ik me altijd bij het studentenleven had voorgesteld. Maar ik heb er geen spijt van gehad.’
Tekst: Anne Elshof en Pieter Hengst
Illustratie: Marieke Meijer
Klik hier voor alle artikelen van ANS oktober 2009.






