Adriaan van Dis: ‘Placebo ergo sum.’
In het kader van het Wintertuinthema ‘Het woord en het wit’ stelt ANS-Online vijf vragen aan verscheidene gastsprekers en muzikanten. Ditmaal: Adriaan van Dis, begenadigd retoricus en literair wereldreiziger.
Adriaan van Dis spreekt op de tweede Nijmeegse Nachten voor een volle zaal. Hij wordt geïnterviewd door Anna Luyten over zijn nieuwe roman Tikkop, maar het gesprek draait al snel naar zijn eigen verleden. Van Dis heeft een bijzondere relatie met Zuid-Afrika en kan hier zeer geanimeerd over vertellen. Tevens oreert hij vrijelijk over het leven en de literatuur: ‘Ik lees om de werkelijkheid te ontvluchten, als je teveel nadenkt is het namelijk niet meer dragelijk.’ In de artiestenfoyer treft ANS hem voor een gesprek over Indonesië en het placebo-effect.
Wat voor rol speelt leegte in uw werk?
‘In mijn laatste twee romans heb ik de heer Mulder gecreëerd, een verloren ziel die zijn eenzaamheid koestert. Ik ben goed in het ten tonele brengen van eenzame mensen, in hun leven zit leegte. Alle mensen hebben hier deep down last van, vooral zij die dat het hardst ontkennen.’
Wat is uw favoriete woord?
‘Als het er meer dan een mag zijn: vallen en opstaan. Als je valt, moet je immers ook weer opstaan.’
Wat is uw favoriete stijlfiguur?
‘Dat heb ik niet, maar ik zoek naar een soort melodische eenvoud. Het juiste woord moet op de juiste plaats staan. Ik lees altijd alles hardop voor en dan hoor ik vanzelf wat niet deugt.’
Eet u wit of bruin brood?
‘Bruin brood, ik maak mezelf constant wijs dat bruin gezonder is. Mijn vriendin zegt dat het niets uitmaakt omdat enkel het meel een andere kleur heeft. Toch geloof ik er in, placebo ergo sum.’
Wat gaat u nog doen deze winter?
‘Ik bereid me voor op een reis naar Indonesië, daar ga ik een documentaire maken voor de VPRO. Tevens ga ik er onderzoek doen voor mijn nieuwe boek. Ik ben nu dus de taal aan het leren. Het is de vraag of een nieuwe taal zich nog in deze oude kop wil vestigen. Van negen tot tien uur ’s morgens spreek ik aardig Indonesisch, maar om vier uur ben ik het weer kwijt.’

Tekst: Dirk van den Brand en Jozien Wijkhuijs
Foto’s: Jaap Baarends








