Grote boze wolf

Sinds eind januari is de wolf terug in Nederland. Sommigen zien de terugkomst van het dier als een grote aanwinst voor de biodiversiteit, anderen zien in het dier juist een groot gevaar voor onze natuur. De wolf dwingt ons tot nadenken: is natuur iets wat de mens moet beschermen, of moet de mens juist van de natuur worden beschermd?

Tekst: Julia Mars
Illustraties: Roos in 't Velt

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Wolf750x

'Boeren: wolven doodschieten moet kunnen', 'Schapen de dupe van bloeddorstige wolven' en 'Moeten we bang zijn voor de wolf?' kopten de kranten. Vanaf het moment dat één enkele wolvin zich sinds januari officieel inwoner van Nederland mag noemen, is het land in rep en roer. De discussie draait allemaal om één ding: wat moeten we met het dier?

De terugkeer van de wolf is geen toeval, maar het gevolg van een bewuste keuze van beleidsmakers. De maatschappij wil de natuur namelijk steeds meer beschermen. 'In de afgelopen vijftig jaar is de maatschappij gaan inzien hoe belangrijk natuur is', zegt milieufilosoof Martin Drenthen, verbonden aan de Radboud Universiteit. 'Het verlies van bepaalde planten- en dierensoorten kan een enorme impact op het milieu hebben. Denk bijvoorbeeld aan wat er gebeurt als de bij zomaar verdwijnt. Dan ontstaat er voor boeren een enorm probleem bij de bestuiving van hun gewassen.' Om ervoor te zorgen dat de natuur niet zomaar verloren gaat, hebben soorten waarmee het slecht gaat, zoals het damhert en de otter, in Europa een beschermde status gekregen. Ook de wolf heeft sinds 2014 een beschermde status, wat betekent dat er niet op het dier mag worden gejaagd en het zich dus vrij door Europa kan bewegen. Lange tijd lag niemand in Nederland daar wakker van: de wolf leefde immers ver weg van ons land. Maar nu hij er is, realiseren veel mensen zich ineens dat er consequenties kleven aan het beschermen van het dier. 'De wolf dwingt ons tot nadenken', zegt Drenthen. 'Willen we in Nederland wel plaats maken voor dit soort wilde natuur?'

'De wolf staat symbool voor het laatste stukje wilde natuur dat zich niet zomaar door de mens laat opeisen.'

Wie is daar?
De terugkomst van de wolf kan op twee manieren worden gezien: als kroon op het natuurbeschermingsbeleid, of juist als bedreiging voor de Nederlandse natuur. Maurice La Haye, onderzoeker bij de Zoogdiervereniging in Nijmegen, ziet het als een overwinning. 'Dat de wolf terug is in Nederland laat zien dat het goed gaat met het dier. Daar mogen we blij mee zijn. Ik zie het als een stukje beschaving van de maatschappij dat we hem de ruimte bieden om hier te kunnen verblijven, in plaats van dat we hem meteen wegjagen.' Seger Emmanuel baron van Voorst tot Voorst, directeur van Nationaal Park De Hoge Veluwe, vindt juist dat het dier de natuurbescherming tegenwerkt. 'Je moet je afvragen wat we precies willen beschermen. Op De Hoge Veluwe houden we al honderden jaren heel diverse natuur in stand. De wolf kan dit alleen maar verstoren en past er niet zomaar bij.'

De reacties van La Haye en Van Voorst tot Voorst zijn tekenend voor hoe Nederlanders kijken naar natuur. 'Aan de ene kant staat het christelijke idee van rentmeesterschap', vertelt Drenthen. 'Hierin is de mens verantwoordelijk voor de natuur en streeft hij naar een manier waarop mens en natuur in harmonie kunnen samenleven.' Dat is hoe de natuur er in Nederland op dit moment uitziet. Bossen zijn een plek waar wilde dieren, zoals herten, vossen en konijnen leven, maar ook waar mensen wandelen, de hond uitlaten of fietsen. Tegenover het idee van rentmeesterschap staat een groep natuurbeheerders die het belang van 'wilde' natuur benadrukken om zo het verlies van ecosystemen tegen te gaan. 'Een schaap op de hei staat er alleen maar voor de mens, zeggen zij. Op die manier is het schaap niets anders dan een verlengstuk van de mens en kan daarom niet zomaar natuur worden genoemd', zegt Drenthen. Ook De Veluwe is volgens hem een goed voorbeeld van "menselijke natuur". 'Van Voorst tot Voorst noemt zijn park natuur en vindt daarom dat alles recht heeft op bescherming. Maar op deze manier wordt er alleen beschermd wat mensen als natuur beschouwen.' In andere woorden: alles wat dit harmonieuze plaatje verstoort, wordt niet tot natuur gerekend. 'Ook de wolf is niet direct nuttig voor de mens. Voor de nieuwe generatie natuurbeschermers staat hij dan ook symbool voor het laatste stukje wilde natuur dat zich niet zomaar door ons laat opeisen.'

'Wat als straks meer wolven zich voor langere tijd in Nederland vestigen?'

Wolf400xSamen verantwoordelijk
Voor een dier dat zogenaamd niet van de mens is, ontfermen verrassend veel instanties zich over de wolf met allerlei beleidsplannen en regels. Zo kwamen kort na zijn officiële vestiging alle provincies gezamenlijk met een wolvenplan, waarin richtlijnen worden gesteld over hoe het dier moet worden beschermd. 'Als de wolf terugkomt in Nederland, zijn daar consequenties aan verbonden', legt Peter Drenth, gedeputeerde van de provincie Gelderland, uit. 'Valt een wolf bijvoorbeeld het vee van een schapenboer aan, dan kunnen we niet zomaar stellen dat de onkosten onder het eigen risico van de veeboer vallen.' In het plan staat nu dat de provincies tot en met 2022 alle schade die de wolf aanricht bij een boer zullen vergoeden. Drenth vindt dat niet meer dan netjes: 'Als we er als maatschappij voor kiezen om de wolf weer terug te laten komen, zullen we daar ook als maatschappij de verantwoordelijkheid voor moeten dragen.'

Mooie woorden, vindt Ben Haarman, woordvoerder van de Land- en Tuinbouworganisatie, een belangenorganisatie die opkomt voor de boeren in Nederland. 'Maar wat als straks meer wolven zich voor langere tijd in Nederland vestigen?' In het plan staat nog niets over hoe de schadevergoeding geregeld gaat worden na 2022. Wel staat er dat boeren zelf preventieve middelen zoals elektrisch gaas of kuddewaakhonden aan moeten schaffen. 'Voor boeren zelf is dit ontzettend duur, bijna onbetaalbaar', zegt Haarman. 'Wie moet er voor die kosten opdraaien?'

Einde discussie
Deze praktische vraag slaat volgens Drenthen terug op de twee manieren waarop de natuur kan worden gezien. 'Het maakt deel uit van een brede filosofische kwestie: is alle natuur van de mens, of is het alleen natuur als de mens het zo noemt?' Als de natuur gezien wordt als iets van de mens, dan is de mens ook verantwoordelijk. Op die manier kan schade die door de wolf wordt aangedaan ook worden gezien als eigen risico. Maar onder het idee van rentmeesterschap vervalt dat eigen risico. De individuele mens is dan alleen maar verantwoordelijk voor het stukje menselijke natuur. Toch zal er iemand moeten betalen als de wolf schade maakt. 'Tegenstanders vinden dat als de overheid zo graag wilde natuur wil, zij ook maar moet opdraaien voor de kosten', zegt Drenthen.

Toch vindt Drenthen dat we niet moeten vergeten dat het in Nederland nog maar om één wolf gaat. Van Voorst tot Voorst zegt dat voor deze filosofische discussie losbarst eerst maar eens moet worden bewezen dat het dier überhaupt in Nederland blijft. 'Nederland is veel te druk voor de wolf. Naar mijn idee kan dit verhaal maar op twee manieren eindigen: of de wolf zoekt een ander leefgebied, of hij eindigt onder een auto.'

 

Lees meer

Haastige spoed is zelden goed

Emotie, onbegrip en onvoorspelbaarheid: dagelijkse kost voor hulpverleners bij een ongeval. ANS keek mee bij de meldkamer en ambulance en zag hoe onvoorspelbaar het werk kan zijn wanneer elke seconde telt.

Tekst: Camee Comperen
Foto's: Ted van Aanholt

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

ambulance1

Met volle vaart rijdt een ambulance over de busbaan langs treinstation Heyendaal. Voorin zitten een bestuurder en een verpleegkundige, achterin liggen de benodigdheden om patiënten te behandelen. De brancard, vele lades met medicijnen, spuiten, een hartmassageapparaat en verbindmateriaal liggen boven elkaar opgeslagen, klaar om te worden gebruikt. De wagen is volledig voorbereid op elke situatie.

Deze ambulance is net vertrokken vanuit de ambulancepost in de buurt van de campus. Verscholen achter de Subway en station Heyendaal ligt de post, uitgerust met acht startklare ambulances. De wagens staan te wachten op bericht vanuit de meldkamer. Deze ontvangt alle noodoproepen uit veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Wanneer iemand 112 belt, verloopt er een proces van de meldkamer tot de plaats van het ongeval. Maar hoe gaat dit proces eigenlijk in zijn werk?

'Er moeten veel keuzes worden gemaakt in korte tijd, waardoor je het risico loopt de verkeerde beslissing te nemen.'

Een kijkje in de meldkamer
Elke melding komt binnen in de meldkamer, een ruimte gevuld met computerschermen waarop landkaarten, kleurcodes en adressen te zien zijn. De medewerkers nemen met kalme, rustgevende woorden de telefoon op. 'Goedemiddag, u spreekt met meldkamer Nijmegen. Waar kan ik u mee helpen?', luidt de standaard openingszin.

ambulance2Vervolgens komen de medewerkers snel ter zake, want in sommige gevallen is er geen tijd te verliezen. 'Het draait allemaal om snel anticiperen, de situatie onderzoeken en keuzes maken', vertelt Paul Sanders, medewerker van de meldkamer. Sanders werkt al twintig jaar op de meldkamer en heeft in deze tijd veel ervaring opgedaan. 'We moeten de zorgtoewijzing bepalen op basis van een gesprek van enkele minuten. In dat gesprek zet de meldkamer alle informatie over het ongeval op een rijtje. Dit kan erg lastig zijn, want iemand die belt over een ongeval kan natuurlijk erg emotioneel of in paniek zijn', legt Sanders uit. 'Er moeten veel keuzes worden gemaakt in korte tijd, waardoor je het risico loopt de verkeerde beslissing te nemen. Daarnaast spreek je altijd een ander persoon met een ander probleem. Dit maakt het werk erg onvoorspelbaar.' Dat hij nooit weet wat hij kan verwachten, maakt het werk erg zwaar, vertelt Sanders. Wat helpt is dat hij maar kort contact heeft met de patiënten. 'In een ziekenhuis kom je vaker dezelfde mensen tegen, terwijl wij alleen de eerste hulp verlenen. Wij spreken de patiënt of omstander alleen over de telefoon en horen bijna nooit hoe het afloopt.'

Loeiende sirene en volle vaart
Zodra er bij de meldkamer een melding binnenkomt, wordt deze snel doorgezet naar de ambulancepost. Hier zitten de ambulancemedewerkers rustig te wachten op een melding. De enorme verzameling dvd's en boeken, de gezellige zithoek, comfortabele sofa's en het drukbezochte koffieapparaat maken het wachten aangenaam. De medewerkers weten dat ze hun koffie niet altijd rustig kunnen opdrinken. Ze moeten namelijk altijd startklaar staan om in de ambulance te springen zodra er een melding binnenkomt. 'Vanaf dat moment moeten we efficiënt werken, want er zijn gevallen waarbij letterlijk elke seconde telt', vertelt Oscar Francissen. Hij werkt al 27 jaar als ambulanceverpleegkundige. Genoeg ervaring dus, maar toch is Francissen nog zenuwachtig bij elke melding. 'Ik weet nooit wat ik kan verwachten, maar ik probeer me altijd zo goed mogelijk voor te bereiden op basis van de informatie die ik heb. Het draait natuurlijk wel om mensenlevens.' Als de ambulance onderweg is naar een noodgeval is het van belang dat de chauffeur stevig, maar veilig doorrijdt. Eenmaal aangekomen op de plaats delict moet hij de situatie goed in zich opnemen. 'We lopen door, maar rennen nooit, haast werkt namelijk altijd in ons nadeel. Stel je voor dat je een patiënt aan het behandelen bent, maar ergens anders blijkt nog een zwaargewond persoon te liggen. Wanneer je haast hebt, verlies je het overzicht en dat moeten we altijd voorkomen.'

'Vaak is een situatie te de-escaleren door zelf rustig te blijven, begrip te tonen voor de emoties en alles duidelijk uit te leggen aan de patiënt en omstanders.'

Onbegrip
'De ambulance is zo uitgerust dat patiënten in vrijwel alle gevallen ter plaatse kunnen worden behandeld', vertelt Francissen. 'De patiënt hoeft dus niet altijd naar het ziekenhuis, bijvoorbeeld als deze een infarct heeft.' Dit roept soms onbegrip op bij patiënten en omstanders die verwachten dat de patiënt wordt meegenomen naar het ziekenhuis. Soms krijgen omstanders dan het idee dat de patiënt niet de behandeling krijgt die hij of zij nodig heeft. Dit kan lastige situaties veroorzaken. Francissen vertelt over een conflict dat hij enkele jaren geleden met een omstander heeft gehad. 'Een vrouw van rond de zestig was gestruikeld over een tennisbal. Ik kwam met de ambulancemotor aan en kon de vrouw ter plaatse behandelen, maar een omstander eiste dat de vrouw zou worden meegenomen naar het ziekenhuis. In het belang van het slachtoffer ging ik hier niet tegenin en belde een ambulance, maar later werd duidelijk dat dit totaal overbodig was.' Francissen vertelt dat burgers soms weinig begrip hebben voor de ambulancemedewerkers. Hij merkt dat hij en zijn collega's onder het vergrootglas liggen wanneer zij aan het werk zijn. 'Jaren terug gingen we een keer een frietje halen, maar precies op dat moment kregen we een melding. Er zat spoed achter en we moesten met loeiende sirene weg. Omstanders hebben toen een klacht ingediend omdat ze dachten dat we met sirene reden zodat onze friet niet koud zou worden', vertelt Francissen. 'Ik vind het erg jammer om dit soort klachten te krijgen. Dit laat zien dat mensen ons niet volledig vertrouwen.'

    ambulance4  ambulance3  ambulance5

In de media verschijnen vaak berichten dat burgers ambulancepersoneel belagen. Toch denkt Francissen dat het beeld van agressie tegenover ambulancemedewerkers zoals dat wordt geschetst genuanceerder ligt. 'Agressie heb ik niet zo ervaren in de jaren dat ik dit werk heb gedaan.' In heftige situaties zijn mensen vaak emotioneel of in paniek en kunnen daardoor intenser reageren, denkt Francissen. 'In dit soort gevallen gaat het allemaal om goede communicatie. Vaak is een situatie te de-escaleren door zelf rustig te blijven, begrip te tonen voor de emoties en alles duidelijk uit te leggen aan de patiënt en omstanders.'

Passie voor het vak
'Ambulancemedewerker voelt soms als een zware baan', zegt Francissen, 'met veel emotie, onbegrip en onvoorspelbaarheid. Een situatie raakt mij het meest wanneer het dichtbij komt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als ik ergens binnenkom en de mensen dicht bij jou staan. Je herkent de inrichting van een huis of een gezinssamenstelling. Kleine zaken waardoor je op die momenten beseft dat ook jou of je dierbaren ook iets kan overkomen. Toch blijf ik altijd in mijn professionele rol, ik zal nooit onderscheid maken in behandeling. Ik zou het niet anders doen als de patiënt mijn moeder of mijn vriendin zou zijn, want iedereen verdient de beste zorg.'

 

Lees meer

Het ene cijfer is het andere niet

Veel studenten willen een deel van hun studie in het buitenland spenderen. Ze zijn echter niet altijd goed ingelicht over de voor- en nadelen van hun bestemming. De Radboud Universiteit moet daarom meer aandacht besteden aan de voorlichting over de situatie die studenten op buitenlandse universiteiten aantreffen.

Tekst: Jean Querelle en Wout Zerner
Illustratie: Jonne Aghabozorg

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS. 

Een semester in het buitenland studeren is voor veel studenten een welkome afwisseling van de alledaagse sleur van de Radboud Universiteit (RU). Sommige studenten grijpen hun tijd over de grens aan om monumenten te bekijken of op het strand te liggen. Degenen die naar het buitenland vertrekken om nieuwe kennis op te doen, schrikken soms van het verschil in onderwijsniveau ten opzichte van de RU. Om een weloverwogen keuze te maken voor een buitenlandse universiteit is goede informatie over het instituut in kwestie nodig. Vanuit de RU is er echter weinig voorlichting over de verschillen tussen universiteiten. Hierdoor lopen studenten tijdens of na hun tijd over de grens tegen problemen aan.

Illu openings grootNiveauverschillen
Het regelen van een verblijf in het buitenland is voor studenten veel werk, waardoor velen er niet bij stilstaan dat de kwaliteit van het onderwijs minder kan zijn. Uit een lange lijst met mogelijke bestemmingen wordt vaak de leukste gekozen. Vervolgens moet de student zich al snel richten op praktische zaken zoals huisvesting en verzekeringen, waardoor onderwijstechnische zaken minder aandacht krijgen. Politicologiestudent Nanda van der Sloot, die een half jaar in Edinburgh studeerde, vertelt: 'Je krijgt een lijst met landen waar je naartoe kan gaan om te gaan studeren. De voor- en nadelen van de universiteiten worden nauwelijks toegelicht.' Geschiedenisstudent Annabel Buiter, die momenteel in Belfast studeert, beaamt dat. 'Pas in Belfast kreeg ik een goed beeld van de kwaliteit van de universiteit. Vanuit de RU
is geen voorlichting gegeven over de verschillen tussen universiteiten.'

Ondanks de niveauverschillen die deze studenten ervaren, voldoen alle universiteiten in Europa aan bepaalde eisen. 'Elke onderwijsinstelling waar wij studenten heen sturen moet aan bepaalde kwaliteitsvoorwaarden voldoen', vertelt Wessel Meijer, hoofd van het International Office. 'In Europa hebben we afspraken over de kwaliteit van onderwijsinstellingen en wij vertrouwen erop dat onze partneruniversiteiten deze regels naleven.' Studenten mogen dus verwachten dat universiteiten een bepaald basisniveau hebben, maar de RU erkent dat tussen de onderwijsinstellingen verschil bestaat. 'Een variatie in kwaliteit tussen universiteiten zal altijd bestaan, net zoals de kwaliteit van twee docenten van dezelfde opleiding kan verschillen', zegt Meijer. Hij vindt het niet puur de verantwoordelijkheid van de universiteit om studenten goed te informeren. 'De universiteit maakt een voorselectie van universiteiten. We verwachten van studenten dat ze zelf op onderzoek uitgaan. De RU kan niet voor iedere studie aan een buitenlandse universiteit een boekwerk met informatie opstellen.'

Goochelen met cijfers
Wie de eerste aanpassingsproblemen over de grens heeft overwonnen, krijgt zodra de cijfers binnenstromen te maken met nieuwe problemen. De manier waarop de behaalde resultaten worden weergegeven, is vaak anders dan in Nederland. Om een helder beeld te krijgen van de waarde van de prestaties van RU-studenten, is het noodzakelijk dat de cijfers worden omgezet naar het Nederlandse cijfersysteem. Hoe dit precies gebeurt, is voor sommige studenten echter onduidelijk. 'Het omrekenen van de cijfers is een beetje vreemd. Ik heb wel een omrekentabel gekregen van een professor in Belfast, maar weet nog steeds niet precies welke cijfers ik volgens de RU heb gehaald', geeft Buiter aan. Als het aan Van der Sloot ligt, moet de universiteit überhaupt stoppen met het omrekenen van cijfers. 'Naar mijn mening zijn mijn cijfers te laag uitgevallen, omdat de omgezette cijfers niet overeenkomen met de waarde die er in het Verenigd Koninkrijk aan wordt gehecht. Ik vind dat cijfers eigenlijk helemaal niet omgezet op het diploma moeten staan, omdat het niet mogelijk is om de resultaten op een eerlijke manier om te zetten.'

De verwarring over het omzetten van resultaten komt volgens Meijer door een verschil in de manier waarop cijfers worden gewaardeerd en toegekend. 'In Nederland hanteren we een systeem met tien getallen. De eerste vijf zijn onvoldoende en de negen en tien worden nauwelijks uitgedeeld. Hierdoor blijven er eigenlijk maar drie cijfers over die de meeste studenten behalen', vertelt Meijer. In het Verenigd Koninkrijk wordt daarentegen gebruikgemaakt van een systeem met percentages. Dergelijke verschillen maken het omzetten van cijfers lastig. De RU doet haar best om cijfers zo goed mogelijk te vertalen naar het Nederlandse systeem, door gebruik te maken van een conversietabel. Met deze lijst zijn de in het buitenland behaalde cijfers terug te rekenen naar het Nederlandse systeem.

'Het cijfer van een buitenlandse universiteit is eerder een advies dan een vastgelegd feit.'

'De tabellen worden gemaakt met behulp van een database', vertelt Meijer. Zo'n tabel is volgens Van der Sloot niet op alle buitenlandse universiteiten toepasbaar. 'Voor de universiteit van Edinburgh was geen tabel beschikbaar.' Hierdoor kan het gevoel ontstaan dat het omzetten vooral is gebaseerd op nattevingerwerk. Wel is de examencommissie bij zulke specifieke gevallen altijd een extra controleorgaan, legt Meijer uit. 'We nemen nooit zomaar een cijfer over van een buitenlandse universiteit. De examencommissie is altijd bevoegd om een cijfer aan te passen, omdat het cijfer van een buitenlandse universiteit eerder een advies is dan een vastgelegd feit.'

Studenten lopen in het buitenland vaak tegen problemen aan omdat ze niet genoeg kennis hebben over hun bestemming. Ze voelen zich niet genoeg geïnformeerd door de universiteit. De universiteit verwacht dat studenten zich zelf verdiepen in hun nieuwe omgeving, maar dit schiet er nog wel eens bij in tijdens de drukke voorbereidingsperiode. Door een geheugensteuntje vanuit de universiteit over zaken waar de buitenlandreiziger niet meteen aan denkt, kunnen eventuele onaangename verassingen, zoals een tegenvallende conversie van een behaald punt, worden voorkomen.

 

Lees meer

Het issue: de deeleconomie

In deze rubriek staat iedere editie een ander issue centraal dat de gemoederen flink bezighoudt.Deze editie: de deeleconomie.

Tekst: 
Jasper Bakkers en Joep Dorna
Illustratie: Bibi Queisen

Dit artikel verscheen eerder in de eerste editie van ANS.

De deeleconomie begon als een prachtig ideaal waarbij consumenten hun ongebruikte bezittingen met anderen kunnen delen. Platformen van de deeleconomie profileren zichzelf als een maatschappelijk verantwoord alternatief voor het aanschaffen van nieuwe producten of het gebruik van commerciële diensten. Volgens de deelplatformen wordt hiermee milieuvervuiling tegengegaan en sociale betrokkenheid in de buurt bevorderd. Dit is inderdaad het geval bij sommige initiatieven, zoals Thuisafgehaald.nl en Peerby. Via deze platformen komen buurtbewoners bij elkaar over de vloer om maaltijden en spullen te delen. Ook grote bedrijven, zoals taxi-app Uber en verhuurwebsite Airbnb, beroepen zich op de nobele idealen van de deeleconomie, maar veroorzaken ondertussen veel overlast voor concurrerende bedrijven en burgers. Zo klagen reguliere taxichauffeurs over oneerlijke concurrentie van Uber. Inwoners van Amsterdam beklagen zich op hun beurt over hoge woningprijzen dankzij huisjesmelkers die woningen opkopen om via Airbnb te verhuren aan toeristen. Draagt de deeleconomie bij aan een betere wereld of veroorzaakt het vooral problemen?

Deeleconomie

Anne van Arkel, Community Manager van deelplatform Thuisafgehaald.nl
'Ik ben ervan overtuigd dat de deeleconomie iets kan bijdragen aan de sociale betrokkenheid in een buurt. Veel deelplatformen bieden de gelegenheid om je sociale netwerk uit te breiden en mensen in je buurt te leren kennen. Zo komen buurtbewoners via ons initiatief bij elkaar over de vloer om maaltijden af te halen. Het sociale aspect is bij ons minstens zo belangrijk als de maaltijd zelf. Deelplatformen kunnen zelfs worden ingezet om mensen in kwetsbare situaties te helpen. Wij koppelen bijvoorbeeld ouderen aan een thuiskok die hen wekelijks van een maaltijd voorziet. Zo woont de dochter van een oudere vrouw uit Apeldoorn in Amsterdam, waardoor zij niet iedere dag langs kan komen. Bij deze vrouw komt vijf keer per week een thuiskok over de vloer die voor haar kookt, en nog belangrijker, een oogje in het zeil houdt. Voor de moeder en dochter betekent de thuiskok dus veel meer dan alleen een maaltijd. We horen wel vaker dat buren en thuiskoks naar elkaar toegroeien.

'Voor veel deelplatformen zonder winstoogmerk is het helaas lastig om financieel het hoofd boven water te houden. Bij ons betalen de mensen die via onze website maaltijden delen slechts een kwartje per portie, maar dat dekt maar een vijftiende van de kosten die wij als platform maken. Daarnaast zijn we afhankelijk van samenwerking met gemeenten, landelijke fondsen en subsidies. Veel van die geldbronnen zijn echter van tijdelijke aard. Je moet iets verzinnen om levensvatbaar te blijven, zonder je maatschappelijke idealen te verliezen.'

'Een andere keerzijde van de deeleconomie is dat deelplatformen het gat tussen arm en rijk kunnen vergroten.'

Martijn Arets, onderzoeker naar de deeleconomie aan de Universiteit Utrecht
'De deeleconomie verlaagt drempels voor consumenten om zaken te doen met elkaar. Hierdoor kunnen zij extra geld verdienen met de spullen die ze al hebben. Tegelijkertijd ontstaat er zo een positief milieueffect. Goederen worden immers effectiever benut, waardoor er minder hoeft te worden geproduceerd. Stel je voor dat tien buren een boor delen, dan hoef je negen boren minder te produceren. Producenten zullen hierdoor minder inkomsten binnenkrijgen. Sommige bedrijven spelen hierop in door de levensduur van hun producten te verlengen en deze producten zelf te verhuren. Dit komt het milieu ook weer ten goede.

'Toch is er ook een keerzijde aan de deeleconomie. Wat betreft het milieueffect kan er een zogeheten reboundeffect optreden. Hiervan is sprake wanneer gevolgen die in eerste instantie positief zijn, omslaan in negatieve gevolgen. Zo verdwijnt het positieve milieueffect van het verhuren van je woning via Airbnb wanneer je van het verkregen geld met het vliegtuig op vakantie gaat.

'Een andere keerzijde van de deeleconomie is dat deelplatformen het gat tussen arm en rijk kunnen vergroten. Alleen als je zelf een auto of een huis hebt, kan je die verhuren. Wie niets heeft, kan ook niks delen. Tot slot kan het wegnemen van de drempels ook tot grote maatschappelijke problemen leiden. In New York zijn er naast de 13.000 taxichauffeurs met vergunningen, die daarvoor grof geld moeten betalen, 50.000 Uber-taxi's bijgekomen. Die weggenomen drempels hebben voor een oneerlijk speelveld gezorgd. De deeleconomie staat dus voor de uitdaging een balans te vinden tussen de positieve en negatieve gevolgen.'

'De meeste bedrijven binnen de deeleconomie zijn ooit begonnen als goed bedoelde particuliere initiatieven.'

Bernadet Naber, woordvoerder van brancheorganisatie Koninklijke Horeca Nederland (KHN)
'Op dit moment hoeven online deelplatforms zich niet aan dezelfde regels te houden als reguliere ondernemers. Hotels hebben te maken met eisen voor brandveiligheid en moeten zich aan bepaalde hygiënevoorschriften houden, bijvoorbeeld om legionella te voorkomen. Daarnaast moeten ze toeristenbelasting afdragen. Deze eisen en belastingen zijn voor hotelondernemers vanzelfsprekend, want die komen weer ten goede aan de inwoners van de betreffende plaats. Mensen die een vakantiewoning op Airbnb aanbieden, hoeven zich niet aan al die regels te houden. Ze opereren onder de radar, want ze worden niet of nauwelijks gecontroleerd door toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Natuurlijk mag iedere burger iets extra's verdienen, maar wel onder dezelfde voorwaarden als reguliere bedrijven.

'De meeste bedrijven binnen de deeleconomie zijn ooit begonnen als goed bedoelde particuliere initiatieven. Bij overheidsinstanties was er veel welwillendheid om hen tegemoet te komen, omdat ze werden gezien als platformen die een positieve bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. In veel gevallen is dat ook zo. Wat we op dit moment echter zien, vooral in grotere steden, is dat er op grote schaal panden worden opgekocht en via Airbnb verhuurd. Zulke uitwassen stroken totaal niet met de charmante ideeën waarmee de platformen ooit zijn begonnen. Deze bedrijven genereren inmiddels een aanzienlijke omzet, waardoor zij niet meer door idealistische waarden, maar door commercie worden gedreven. Daarom pleit KHN voor een landelijke registratieplicht voor particuliere verhuurders, zodat instanties ook deze verhuurders kunnen controleren. Ondernemers binnen de deeleconomie moeten aan dezelfde eisen voldoen als reguliere ondernemers en hierop worden gecontroleerd door de bevoegde instanties.'

'Er zijn ook veel bedrijven die zich profileren als deelplatform, terwijl zij dit volgens per definitie niet zijn.'

Wat is de deeleconomie?
Volgens een definitie van de Utrechtse hoogleraar Koen Frenken is er alleen sprake van een deelplatform wanneer consumenten hiermee spullen met elkaar delen die zodoende effectiever worden benut. Een goed voorbeeld van een deelplatform is Snappcar. Consumenten kunnen via deze website hun auto verhuren wanneer ze deze zelf niet gebruiken. Er zijn ook veel bedrijven die zich profileren als deelplatform, terwijl zij dit volgens per definitie niet zijn. Zo koopt Studentcar auto's op om te verhuren. Hiermee is dit platform eigenlijk een gewoon verhuurbedrijf. Om onder de deeleconomie te vallen, mogen goederen dus niet worden gekocht om te worden verhuurd. Hierbij maakt het niet uit of de verhuur tegen betaling is of niet. Ook mogen personen winst maken met het verhuren van hun goederen. De manier waarop deelplatformen geld verdienen, verschilt per bedrijf. Vaak wordt door het bemiddelende platform een commissie gevraagd wanneer twee consumenten zakendoen. Zo strijkt Snappcar 17,5 procent van de omzet per verhuurde auto op. Sommige not-for-profit initiatieven worden ondersteund door weldoeners. Peerby, een website waar buurtbewoners spullen als gereedschap met elkaar delen, wordt bijvoorbeeld ondersteund door goede doelen, loterijen en donateurs. Toch introduceren ook de idealistische platformen steeds vaker initiatieven die geld in het laatje moeten brengen. Peerby introduceerde bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het vragen van een vergoeding bij het uitlenen van de spullen. Voor de platformen met een winstoogmerk is streven naar rendement al jarenlang bittere noodzaak om investeerders tevreden te houden. Dat de juiste investering kan leiden tot grote winst, laat Airbnb zien. Afgelopen jaar maakten zij zo'n 100 miljoen euro winst.

 

Lees meer

Het issue: Nederland wordt steeds hoger opgeleid

In deze rubriek staat iedere editie een ander issue centraal dat de gemoederen flink bezighoudt. Deze editie: Nederland wordt steeds hoger opgeleid.

Tekst:
Myrte Nowee
Illustratie:
Jonne Aghabozorg

Dit artikel verscheen eerder in de tweede editie van ANS.

'Onderwijs is duur, domheid is duurder.' Oftewel: mensen hoog opleiden is een investering, maar het volledig waard. Met deze stelling prijst Rosanne Hertzberger, hoogopgeleid NRC-columnist, een steeds hoger opgeleid Nederland. Het maakt Nederland minder crimineel en bedrijven innovatiever, beweert ze. Niet iedereen deelt het toekomstbeeld van Hertzberger. Voor een functionerend land zijn namelijk ook praktisch geschoolde mensen nodig, vindt bijvoorbeeld de mbo-raad. Het zijn buschauffeurs, beveiligers en verzorgers die Nederland draaiende houden.

Het debat over de waarde van de verschillende opleidingsgroepen brandde los toen Marianne Zwagerman, een Nederlandse schrijver en columnist, tijdens een interview in woede uitbarstte toen iemand een vraag over 'lager opgeleiden' stelde. 'Dit mag je nóóit meer zeggen', antwoordde ze giftig. 'Als jij dat nog één keer zegt, zoek ik je op en hak ik je kop eraf!' Haar uitspraken leidden tot een publieke discussie over het nut van hoog opgeleid zijn. Aan de termen 'hoog' en 'laag' zou bovendien een onjuist waardeoordeel hangen. Heeft Zwagerman een punt, of heeft Hertzberger gelijk en moeten er meer hoogopgeleiden komen? ANS vraagt het drie experts.

Issue 450x

Frank Cörvers, hoogleraar demografische transitie, menselijk kapitaal en werkgelegenheid van Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
'Ik zie voornamelijk voordelen van een hoger opgeleid Nederland. Sommige politici stellen dat te veel Nederlanders van het hbo of wo afstuderen. De hoogopgeleiden, zouden beneden hun niveau moeten gaan werken. Hierdoor verdringen ze de lager opgeleiden op de arbeidsmarkt, is volgens die politici het idee. Naar mijn mening is dat niet het geval, omdat in Nederland de loonkloof tussen hoger- en lageropgeleiden steeds groter wordt. Hoogopgeleiden verdienen dus steeds meer dan laagopgeleiden. Als verdringing op de arbeidsmarkt op zou treden moet je dat ook zien in die loonkloof, maar dat gebeurt niet. Je ziet juist dat die kloof over de afgelopen decennia alleen maar groter wordt.' Hoogopgeleiden zijn, ondanks het groeiende aantal, nog steeds meer in trek dan lager opgeleiden. De vaardigheden en kennis die je opdoet tijdens een studie aan de universiteit of hogeschool, blijven zeer gewild. 'Wanneer er in de toekomst toch teveel hogeropgeleiden zijn, is het mogelijk dat grote groepen tijdelijk onder hun eigen niveau moeten werken voordat ze uiteindelijk kunnen doorstromen naar functies op een hoger niveau. Daarbij is het mogelijk dat het vergrote aanbod in hoger opgeleiden zijn eigen vraag gaat creëren. Het takenpakket van een van oorsprong laag opgeleide functie wordt in zo'n situatie bijvoorbeeld verbreed of complexer gemaakt. Dit kan omdat hier nu een hoogopgeleide gaat werken en deze meer hooi op zijn vork kan nemen. Hierdoor blijf je steeds meer hoogopgeleiden nodig hebben, zeker in een kenniseconomie als Nederland.'

'Zelf hoop ik dat scholieren gestimuleerd worden om een opleiding te volgen die het beste bij hem of haar past.'

Han van Krieken, rector magnificus van de Radboud Universiteit
'Naar mijn mening moeten we een heel diverse populatie van mensen in onze samenleving hebben, zowel hoger als lageropgeleiden. Ik heb een hekel aan de term 'hoger opgeleid', omdat het suggereert dat iemand die een uitstekende mbo-opleiding heeft gevolgd niet goed opgeleid is. Het idee dat iedereen maar zo 'hoog' mogelijk opgeleid moet worden, impliceert namelijk dat intellectuele arbeid beter of belangrijker is dan andere arbeid. Dat vind ik erg jammer, want daar doe je talent voor het oplossen van praktische problemen mee tekort. Mensen die deze vaardigheden hebben zijn reuze belangrijk op de arbeidsmarkt. Mensen die praktische problemen kunnen oplossen, vind je typisch op het hbo, terwijl mensen die met hun handen werken op het mbo te vinden zijn. Loodgieters, verpleegkundigen en verzorgenden zijn eigenlijk ook specialist op hun eigen terrein. Laatst hoorde ik dat je mensen die expert zijn in een vakgebied hoogopgeleid zou moeten noemen. Daar ben ik een voorstander van, want zo krijgen ook mensen in het mbo de erkenning die ze verdienen.

'Zelf hoop ik dat scholieren door zulke ideeën gestimuleerd worden om een opleiding te volgen die het beste bij hem of haar past, zonder druk te voelen om naar het hbo of wo te gaan. Universiteiten leiden mensen op met een acade-mische manier van denken, hogescholen vragen om een meer oplossingsgerichte en praktische denkwijze, terwijl mbo-opleidingen zich dan weer meer richten op praktisch handelen. Dit kan allemaal bij mensen passen en ik vind dit alle drie uitstekende opleidingsvormen.'

'Ik kan me niet voorstellen dat we een maatschappij zouden hebben waar we allemaal in een kantoor zitten en alleen maar denken.'

Tamar van Gelder, algemeen secretaris in het bestuur van de Algemene Onderwijsbond (AOb)
'Je hebt niets aan een wereld met alleen theoretisch geschoolden. Praktisch geschoolden zijn juist de ruggengraat van de samenleving. Verschillende groepen zeggen dat veel functies die worden ingevuld door praktisch geschoolden overgenomen kunnen worden door robots en computers. Toch zal er naar mijn mening altijd praktisch werk blijven waar mensen voor nodig zijn. Een robot kan namelijk geen handelingen uitvoeren waar menselijke interpretaties bij komen kijken. Natuurlijk, machines kunnen medicijnen produceren, maar ze kunnen mensen niet op een sociale manier verzorgen.

'Ik kan me niet voorstellen dat we een maatschappij zouden hebben waar we allemaal in een kantoor zitten en alleen maar denken. Toch neigen we daar heen te gaan. In de maatschappij stijgt de druk om een studie te volgen, omdat men denkt dat dit een hogere slagingskans op de arbeidsmarkt garandeert. Iedereen weet dat praktisch geschoolde specialisten vaak meteen aan de slag kunnen en hetzelfde kunnen verdienen als hoger opgeleiden.

'Op dit moment werkt de helft van Nederland op mbo-niveau, daarom is het belangrijk om hun toevoeging aan de maatschappij te benadrukken. De Algemene Onderwijsbond zet zich in voor mensen uit het middelbaar beroepsonderwijs. Het is ingewikkeld, want de beleidsmakers rondom mbo-functies hebben vaak zelf geen mbo-opleiding afgerond maar een hbo- of wo-opleiding gevolgd. Dat geldt ook voor mijzelf. Ik heb echter wel met mbo'ers gewerkt en dan krijg je een beter beeld van het belang van praktisch geschoolden en hoe belangrijk zij zijn voor de maatschappij.'

'Veel onderzoekers vinden het ook lastig om onderzoek te doen naar dit thema.'

Hoger onderwijs in de toekomst
Het aandeel hoogopgeleiden, of 'theoretisch geschoolden' zoals sommigen ze liever noemen, stijgt al jarenlang. Waar volgens het CBS in 2013 nog 28,3 procent van de Nederlandse bevolking hoger opgeleid was, steeg dit percentage in 2017 naar 43,8 procent. Deze stijging wordt vooral verklaard door de toename van het aandeel hoogopgeleide vrouwen. Vroeger was doorleren vooral iets voor mannen, tegenwoordig studeren er meer vrouwen af.

De verschuiving van laag- naar hoogopgeleid is ook te zien in het middelbaar onderwijs. Het aantal havo- en vwo-leerlingen stijgt, terwijl het aandeel vmbo-leer-lingen daalt. Naar schatting zal hierdoor de helft van de huidige scholieren uiteindelijk een diploma in het hoger onderwijs halen.

Wat zullen deze verschuivingen voor de economie betekenen? Wetenschappers kunnen er geen consensus over bereiken. Veel onderzoekers vinden het ook lastig om onderzoek te doen naar dit thema, omdat de behoefte naar verschillende opleidingsniveaus per land verschilt. In Zwitserland zal er bijvoorbeeld meer vraag zijn naar hoogopgeleide bankiers, terwijl er in Bulgarije juist meer behoefte zal blijven aan laagopgeleide arbeidskrachten. Welke kant het in Nederland op gaat, zal met de tijd duidelijk worden.

 

Lees meer

Het Issue: Seksrobots

In deze rubriek staat iedere editie een ander issue centraal dat de gemoederen flink bezighoudt. Deze editie: de ontwikkeling van seksrobots.

Tekst: Pleun Weijers
Illustratie: Bibi Queisen

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS

Seks met een robot? Volgens een recent afgenomen enquête van Middlesex University staat een op de vijf mensen ervoor open. Sex tech bedrijven hebben de laatste jaren veel geld geïnvesteerd in de ontwikkeling van seksrobots. De eerste robots zijn gepresenteerd, al kunnen ze momenteel weinig meer dan een simpel gesprek voeren en houterige bewegingen maken. Heel sexy zijn ze dus nog niet, maar daar zou verandering in kunnen komen. Met behulp van kunstmatige intelligentie functioneren seksrobots in de toekomst mogelijk als volwaardige levenspartners, die zowel de seksuele als emotionele behoeftes van mensen kunnen bevredigen. Voorstanders zijn enthousiast, omdat seksrobots mensen meer vrijheid kunnen geven om hun seksualiteit uit te oefenen. Anderen zijn kritisch over de sociale gevolgen die de ontwikkeling met zich mee kan brengen. Is de opkomst van seksrobots positief voor onze samenleving, of juist niet? ANS geeft het woord aan drie specialisten.

Issue seksrobots grootLambèr Royakkers, universitair hoofddocent Ethiek van de Techniek aan de Technische Universiteit Eindhoven
'Ik denk dat de opkomst van seksrobots geen positieve ontwikkeling is, omdat het aangaan van relaties met seksrobots kan leiden tot desocialisatie. Wanneer we seks en relaties overlaten aan machines lopen we het gevaar om de sociale vaardigheden die hierbij komen kijken te verliezen. Seksrobots hebben geen imperfecties zoals mensen dat hebben, ze doen en zeggen precies wat jij wilt horen. Waarom zou je dan nog de moeite nemen om een relatie aan te gaan met een mens?

'Het zou jammer zijn als seksrobots ervoor zorgen dat we menselijke relaties te grabbel gooien. Het is misschien makkelijk om een relatie met een robot te beginnen, maar het blijft een simulatie. Je wordt eigenlijk continu voor de gek gehouden. Als we echt gaan fantaseren over robots die op een gegeven moment beseffen dat ze bestaan, komen we wat dichter in de buurt van een "echte" relatie. Tegelijkertijd ontstaat er daardoor een nieuw dilemma, omdat we dan moeten gaan praten over hun rechten. Als robots een bewustzijn krijgen, kun je er niet langer zomaar mee doen wat je wilt.

'Voor mij zijn seksrobots ethisch gezien dus problematisch. Een algeheel verbod gaat me daarentegen te ver. Wat mensen in hun slaapkamer doen, is hun eigen keuze. Wel zou ik een verbod willen op robots die op kinderen lijken. Daarmee kweken we een subcultuur waarbij we het normaal vinden dat mensen seks hebben met kinderen. Zo keur je pedofilie indirect goed. Daarnaast bestaat de kans dat kindseksrobots seksueel misbruik juist aanmoedigen.'

'Het is belangrijk dat we ons realiseren dat seksrobots nog lang niet gelijk zijn aan de mens.'

Chloé De Bie, klinisch psycholoog en seksuoloog en bestuurslid van de Vlaamse Vereniging voor Seksuologie
'De ontwikkeling van seksrobots is een ontzettend boeiend onderwerp, waar genuanceerd over nagedacht moet worden. Een groot voordeel van seksrobots is dat mensen op een vrije manier hun eigen seksualiteit kunnen onderzoeken zonder anderen daarmee te schaden. Je kan van alles uitproberen om te kijken of het jouw ding is. Hoewel lang niet iedereen seksrobots zal willen gebruiken, zie ik voor veel mensen mogelijkheden.Voor een koppel dat een trio wil uitproberen bijvoorbeeld, of voor iemand van wie de partner vaak van huis is. Ook kunnen ze worden ingezet op scholen om betere seksuele voorlichting te geven.

'Toch moeten we niet te naïef zijn, want er zijn zeker negatieve effecten. Een nadeel is dat seksrobots mogelijk de indruk geven dat seks moet kunnen wanneer we maar willen. We moeten ons daarom afvragen of een robot altijd "ja" moet zeggen. Dan zijn er nog andere ethische kwesties, zoals het maken van robots van kinderen, of een robotversie van je ex of overleden partner.

'Het is belangrijk dat we ons realiseren dat seksrobots nog lang niet gelijk zijn aan de mens. Het blijven veredelde seksspeeltjes. Soms gaat men erg ver in het pleiten voor de rechten van seksrobots. In de toekomst zal de technologie misschien zo ver zijn dat we ons moeten afvragen of een seksrobot nog wel een object is, maar nu is het nog een ding zonder eigen wil. Ze zijn in ieder geval een mooi middel om ons te laten nadenken over menselijke relaties en de normen en waarden rondom onze eigen seksualiteit.'

'Ik denk niet dat seksrobots de sociale relaties van mentaal gezonde mensen zullen beïnvloeden.'

Rob van den Hoven van Genderen, docent Robot Law en directeur van het Centre for Law and Internet aan de Vrije Universiteit Amsterdam
'Ik denk dat de opkomst van seksrobots een goede ontwikkeling is voor mensen die hun afwijkende seksuele behoeftes niet kunnen bevredigen, omdat die een bedreiging vormen voor anderen. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat kindrobots de behoefte aan seks met kinderen zouden stimuleren, maar dat ze juist kunnen helpen om misbruik te voorkomen. Een seksrobot kan ook mensen helpen die moeilijk in contact komen met andere personen. De man die onlangs in Toronto op een menigte inreed, deed dat waarschijnlijk om wraak te nemen op vrouwen, omdat hij vond dat hij te weinig aandacht kreeg. Misschien dat seksrobots kunnen helpen om dit soort gedrag te voorkomen.

'Verder denk ik niet dat seksrobots de sociale relaties van mentaal gezonde mensen zullen beïnvloeden. Een enkeling zal vervreemden van de maatschappij, maar dat ligt eerder aan het feit dat iedere behoefte tegenwoordig kan worden bevredigd via het internet en andere technologieën. Seksrobots zijn een eigenaardig fenomeen, maar ik denk niet dat je hun opkomst kunt of moet tegenhouden. Net zoals andere robots passen ze goed bij onze huidige samenleving.

'Privacy zou mogelijk een probleem kunnen vormen. Een Amerikaanse producent is ooit veroordeeld, omdat hij via WiFi gebruiksgegevens van vibrators verzamelde zonder toestemming te vragen. Seksrobots zullen waarschijnlijk zijn voorzien van cameraogen en geluidsopnameapparatuur, dus kunnen ze de meest intieme gegevens van hun gebruikers opslaan. Toch is het delen van persoonlijke data zo geïntegreerd in ons dagelijks leven dat het verschil tussen een robot en een app die je gegevens bijhoudt erg klein is.'

Seksrobots in de huidige samenleving
In zijn boek Love and Sex with Robots voorspelde robotspecialist David Levy dat seks en relaties met robots halverwege deze eeuw genormaliseerd zouden zijn. Inmiddels zijn we tien jaar verder, maar zover is de ontwikkeling nog niet gekomen. Momenteel komt robot Roxxxy, die op je reageert met flirterige zinnetjes, enigszins in de buurt. Volgens de website van de producent, TrueCompanion, heb je haar voor 9.995 dollar met je favoriete haarkleur in huis. Een ander bedrijf, Realbotix, werkt hard aan hun robot Harmony, die al expressie toont en je lievelingsboek kan onthouden. Ook zijn deze bedrijven bezig met de ontwikkeling van een mannelijke variant.

Seksrobots zijn echter nog lang geen ideale bedpartners. Voorlopig kunnen ze geen diepgaand gesprek voeren en zijn ze fysiek gezien makkelijk te onderscheiden van een mens. Bovendien zijn producenten niet altijd even open over hun producten en verkoopcijfers, waardoor het onduidelijk is hoe ver de industrie rondom seksrobots daadwerkelijk reikt. Tot dusver zijn er dan ook geen plannen bekend om robots te ontwikkelen die op kinderen lijken.

Het scenario dat Levy schetst is voor mensen dus nog een ver-van-mijn-bed-show. Toch leidt het onderwerp al tot veel discussie. Waar Levy bijvoorbeeld positief is over het idee van seksrobots, probeert robotethicus Kathleen Richardson met haar Campaign Against Sex Robots juist de negatieve kanten, zoals objectivering van vrouwen en kinderen, te belichten. Ondertussen blijft de opkomst van seksrobots vooral een theoretisch dilemma, maar het debat hierover leidt in ieder geval tot bewustwording van de ethische kwesties die ermee gepaard gaan.

 

Lees meer

Het spoor bijster

Studenten volgen steeds vaker bijvakken bij andere universiteiten en lopen stages in andere steden. Om die reden hebben zij een flexibeler reisproduct nodig. Om studenten deze flexibiliteit te bieden, moet DUO hen de mogelijkheid bieden zelf vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen.

Tekst: Floor Toebes en Julia Meilink
Illustratie: Inge Spoelstra

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS

opinie 700xHet studentenreisproduct stamt uit 1991. In het begin van zijn bestaan was het reisproduct gedurende de hele week geldig. Volgens toenmalig minister van Onderwijs Jo Ritzen werd deze regeling ingevoerd omdat men voorspelde dat studenten in het hoger onderwijs steeds meer van traditionele studiepatronen zouden afwijken. Verwacht werd dat studenten op verschillende plaatsen en op verschillende momenten aanwezig moesten zijn. Die flexibiliteit in het onderwijs liet echter nog even op zich wachten en veel studenten vonden een reisproduct voor de hele week niet nodig. Daarom werd de keuze tussen weekend- en week-OV in 1994 een feit. Tegenwoordig zijn afwijkende studieprogramma’s echter alom vertegenwoordigd in het hoger onderwijs en hebben studenten juist een vernieuwd reisproduct nodig. Om studenten flexibiliteit te bieden, moet DUO hen de mogelijkheid geven zelf vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen. Dit alternatief levert vooral voordelen op: het ontlast de maandagochtendspits, het is niet aantoonbaar duurder dan de huidige regeling en het is vooral flexibel. 

Flexibiliteit 
Niemand kijkt er meer van op als een student na de studie er een bestuursjaar, bijvakken en een pre-master op heeft zitten. Studenten moeten zich in hun studieactiviteiten onderscheiden om een goede baan te krijgen. Dat is een noodzakelijkheid voor veel studenten in de huidige tijd van blitse cv's met bergen vrijwilligerswerk, uitzonderlijke prestaties en bijzondere stages. De tijd van hyperconcurrentie tussen studenten is aangebroken. Nederlandse universiteiten stimuleren dit door studenten meer mogelijkheden voor extracurriculaire activiteiten te bieden en samen te werken met andere universiteiten. De universiteit neemt aan dat haar studenten activiteiten op veel verschillende plaatsen ondernemen. DUO lijkt echter blind voor deze veranderingen: het huidige studentenreisproduct groeit niet mee met de ontwikkelingen in studievrijheid. Het is sterk verouderd en vernieuwing is hard nodig. 

 

'Studenten blijven zich aanpassen. Het is echter het reisproduct dat vertraging heeft.' 


Voorspellen met voorstellen 
Dat het studentenreisproduct op de schop moet, is geen nieuw idee. In 2017 opperde D66-Kamerlid Paul van Meenen dat het studentenreisproduct gedurende de hele week geldig zou moeten zijn. Dit voorstel werd niet serieus genomen omdat het de overheid te veel geld zou kosten. Een oplossing die wel realistisch is, is studenten zelf de mogelijkheid bieden om vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen. Dit voorstel is financieel wel mogelijk. In de huidige regeling reist 91 procent van de studenten al vijf dagen met hun week-OV. Een reisproduct met hetzelfde aantal dagen is dus niet aanzienlijk duurder. 9 procent van de studenten heeft nu nog een weekend-OV. Die groep studenten mag dan drie dagen meer reizen. De kosten voor dat uitgebreidere abonnement vallen wellicht iets hoger uit, maar ze zouden nooit zo veel stijgen als bij een zevendaags product. Bovendien zou deze mogelijkheid heel wat flexibeler zijn dan de huidige regeling waarin de dagen in beide abonnementsmogelijkheden aaneengesloten zijn. Studenten moeten ervoor kunnen kiezen om vijf reisdagen over de hele week te verspreiden: ze moeten zowel in het weekend als doordeweeks kunnen reizen. Het komt namelijk ook voor dat studenten in het weekend studieactiviteiten ondernemen of tussen hun drukke programma door nog op visite bij hun ouders willen gaan.

Spits
Tegenstanders stellen dat de spits alleen maar drukker wordt naarmate studenten meer reizen. Dat is volgens Ritzen echter een mythe: de spits wordt vooral veroorzaakt door werkenden. De drukte in het openbaar vervoer zal niet verergeren door het voorgestelde reisproduct. In het beste geval kan het de maandagochtendspits zelfs wat ontlasten. De verwachting is dat studenten op andere tijden gaan reizen. Momenteel reizen veel studenten die
een kamer hebben op vrijdagavond naar hun ouderlijk huis. Zij gaan dan massaal op de maandagochtend terug naar hun kamer, wat leidt tot volgestouwde coupés. Met de voorgestelde regeling kunnen zij ook op zondag al terugreizen waardoor de studentenmania op maandagochtend vermindert.Al met al is de huidige OV-regeling sterk verouderd en past deze niet meer bij de huidige, flexibele studieprogramma’s die studenten volgen. Het is daarom de hoogste tijd dat studenten zelf de vijf dagen mogen uitkiezen waarop ze gratis kunnen reizen. Dan kunnen ze meedoen met flexibele studieprogramma's, bij al hun stages aanwezig zijn en nog eens op de koffie komen bij hun ouders. Studenten blijven zich aanpassen aan studieontwikkelingen, het is echter het reisproduct dat vertraging heeft. Om een inhaalslag te maken, moet het reisproduct veranderen. Zet het studentenreisproduct op het goede spoor, voordat het voorgoed de trein mist.

 

Lees meer

Het spoor bijster

Studenten volgen steeds vaker bijvakken bij andere universiteiten en lopen stages in andere steden. Om die reden hebben zij een flexibeler reisproduct nodig. Om studenten deze flexibiliteit te bieden, moet DUO hen de mogelijkheid bieden zelf vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen.

Tekst: Floor Toebes en Julia Meilink
Illustratie: Inge Spoelstra

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS

opinie 700xHet studentenreisproduct stamt uit 1991. In het begin van zijn bestaan was het reisproduct gedurende de hele week geldig. Volgens toenmalig minister van Onderwijs Jo Ritzen werd deze regeling ingevoerd omdat men voorspelde dat studenten in het hoger onderwijs steeds meer van traditionele studiepatronen zouden afwijken. Verwacht werd dat studenten op verschillende plaatsen en op verschillende momenten aanwezig moesten zijn. Die flexibiliteit in het onderwijs liet echter nog even op zich wachten en veel studenten vonden een reisproduct voor de hele week niet nodig. Daarom werd de keuze tussen weekend- en week-OV in 1994 een feit. Tegenwoordig zijn afwijkende studieprogramma’s echter alom vertegenwoordigd in het hoger onderwijs en hebben studenten juist een vernieuwd reisproduct nodig. Om studenten flexibiliteit te bieden, moet DUO hen de mogelijkheid geven zelf vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen. Dit alternatief levert vooral voordelen op: het ontlast de maandagochtendspits, het is niet aantoonbaar duurder dan de huidige regeling en het is vooral flexibel. 

Flexibiliteit 
Niemand kijkt er meer van op als een student na de studie er een bestuursjaar, bijvakken en een pre-master op heeft zitten. Studenten moeten zich in hun studieactiviteiten onderscheiden om een goede baan te krijgen. Dat is een noodzakelijkheid voor veel studenten in de huidige tijd van blitse cv's met bergen vrijwilligerswerk, uitzonderlijke prestaties en bijzondere stages. De tijd van hyperconcurrentie tussen studenten is aangebroken. Nederlandse universiteiten stimuleren dit door studenten meer mogelijkheden voor extracurriculaire activiteiten te bieden en samen te werken met andere universiteiten. De universiteit neemt aan dat haar studenten activiteiten op veel verschillende plaatsen ondernemen. DUO lijkt echter blind voor deze veranderingen: het huidige studentenreisproduct groeit niet mee met de ontwikkelingen in studievrijheid. Het is sterk verouderd en vernieuwing is hard nodig.

 

'Studenten blijven zich aanpassen. Het is echter het reisproduct dat vertraging heeft.' 


Voorspellen met voorstellen 
Dat het studentenreisproduct op de schop moet, is geen nieuw idee. In 2017 opperde D66-Kamerlid Paul van Meenen dat het studentenreisproduct gedurende de hele week geldig zou moeten zijn. Dit voorstel werd niet serieus genomen omdat het de overheid te veel geld zou kosten. Een oplossing die wel realistisch is, is studenten zelf de mogelijkheid bieden om vijf dagen uit te kiezen waarop ze gratis mogen reizen. Dit voorstel is financieel wel mogelijk. In de huidige regeling reist 91 procent van de studenten al vijf dagen met hun week-OV. Een reisproduct met hetzelfde aantal dagen is dus niet aanzienlijk duurder. 9 procent van de studenten heeft nu nog een weekend-OV. Die groep studenten mag dan drie dagen meer reizen. De kosten voor dat uitgebreidere abonnement vallen wellicht iets hoger uit, maar ze zouden nooit zo veel stijgen als bij een zevendaags product. Bovendien zou deze mogelijkheid heel wat flexibeler zijn dan de huidige regeling waarin de dagen in beide abonnementsmogelijkheden aaneengesloten zijn. Studenten moeten ervoor kunnen kiezen om vijf reisdagen over de hele week te verspreiden: ze moeten zowel in het weekend als doordeweeks kunnen reizen. Het komt namelijk ook voor dat studenten in het weekend studieactiviteiten ondernemen of tussen hun drukke programma door nog op visite bij hun ouders willen gaan.

Spits
Tegenstanders stellen dat de spits alleen maar drukker wordt naarmate studenten meer reizen. Dat is volgens Ritzen echter een mythe: de spits wordt vooral veroorzaakt door werkenden. De drukte in het openbaar vervoer zal niet verergeren door het voorgestelde reisproduct. In het beste geval kan het de maandagochtendspits zelfs wat ontlasten. De verwachting is dat studenten op andere tijden gaan reizen. Momenteel reizen veel studenten die
een kamer hebben op vrijdagavond naar hun ouderlijk huis. Zij gaan dan massaal op de maandagochtend terug naar hun kamer, wat leidt tot volgestouwde coupés. Met de voorgestelde regeling kunnen zij ook op zondag al terugreizen waardoor de studentenmania op maandagochtend vermindert.Al met al is de huidige OV-regeling sterk verouderd en past deze niet meer bij de huidige, flexibele studieprogramma’s die studenten volgen. Het is daarom de hoogste tijd dat studenten zelf de vijf dagen mogen uitkiezen waarop ze gratis kunnen reizen. Dan kunnen ze meedoen met flexibele studieprogramma's, bij al hun stages aanwezig zijn en nog eens op de koffie komen bij hun ouders. Studenten blijven zich aanpassen aan studieontwikkelingen, het is echter het reisproduct dat vertraging heeft. Om een inhaalslag te maken, moet het reisproduct veranderen. Zet het studentenreisproduct op het goede spoor, voordat het voorgoed de trein mist.

 

Lees meer

Hoe meer zielen

Geweigerd worden bij kroegen, verenigingen en hospiteeravonden of door universitair studenten schamper 'figuurzagers' worden genoemd. Om duidelijk te maken dat dit echt niet meer kan, heten mbo'ers vanaf 2020 voor de wet ook studenten. Hoe past deze verbreding binnen de geschiedenis van het woord student en zal de verandering effect hebben?

Tekst: 
Aaricia Kayzer en Noor de Kort
Illustratie: Paula Koenders

Dit artikel verscheen eerder in de eerste editie van ANS.

Een avond losgaan in de Drie Gezusters zit er voor mbo'ers niet in, want de kroeg laat doordeweeks alleen hbo'ers en wo'ers binnen. Ook op kijkavonden zijn ze vaak niet welkom, net als bij veel studentenverenigingen. De tweesplitsing tussen hbo'ers en wo'ers enerzijds en mbo'ers anderzijds is niet alleen zichtbaar tijdens een avondje stappen, ook voor de wet heten ze niet hetzelfde. De eerste groep wordt aangeduid als 'studenten', terwijl mbo'ers volgens de Wet educatie en beroepsonderwijs 'deelnemers' zijn. In de volksmond worden zij daarnaast vaak 'leerlingen' genoemd. Uit de aanspreekvormen 'deelnemer' en 'leerling' spreekt volgens de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB), de belangenbehartiger van mbo-studenten, een negatief stereotype. Om vooroordelen over het mbo tegen te gaan, startte de organisatie dit voorjaar de actie #ditisnietmbo. Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kwam vervolgens tegemoet aan de wens van veel mbo'ers: vanaf studiejaar 2020-2021 heten zij voor de wet ook 'student'. 'Jongeren in het mbo zijn net zo goed studenten als al die anderen', twitterde de minister, nadat het besluit was genomen. 'Door nu ook in de wet de term deelnemer te veranderen in het woord student doen we aan iedereen recht.' De beslissing leidt tot veel reacties, zowel positief als negatief. JOB is blij met de maatregel en ziet het als een teken van gelijke behandeling. Volgens anderen studeer je alleen aan de universiteit, zoals Quote-hoofdredacteur Sander Schimmelpenninck stelde in een uitzending van Pauw. Hoe is de tweedeling in de termen student en deelnemer ontstaan en zal het opheffen hiervan daadwerkelijk meer waardering voor mbo'ers opleveren?

Student2 400xjpgAl eeuwenlang gescheiden 
Het huidige onderscheid tussen studenten en leerlingen of deelnemers stamt al uit de middeleeuwen, vertelt Nicoline van der Sijs, hoogleraar Historische taalkunde aan de Radboud Universiteit (RU). De tweedeling is volgens Van der Sijs ontstaan door de toenmalige scheiding tussen het zogenoemde gilde-onderwijs en de Latijnse school. 'Het gilde-onderwijs was het beroepsonderwijs van nu', zegt zij. 'Kinderen die naar die school gingen, waren leerlingen. Dat is afgeleid van het Nederlandse werkwoord leren. Op de Latijnse school, het huidige gymnasium, werd Latijn gesproken en noemden de leerlingen elkaar met een Latijns woord studentes. Dat werd vernederlandst tot studenten.'

Deze middeleeuwse studenten gingen vervolgens naar de universiteit, waar zij zich in groepen organiseerden. Aan het begin van de negentiende eeuw kwam binnen deze groepen meer nadruk te liggen op intellectuele vorming, vertelt Pieter Caljé, gepensioneerd universitair hoofddocent Politieke Geschiedenis aan Maastricht University. 'Er ontstond een heel nieuwe studentencultuur, waarbij studenten zich in sociëteiten gingen organiseren.' Deze studentencultuur was nogal elitair en gesloten. 'Men zag studenten als de toekomstige bloem der natie', zegt Caljé. 'Contacten met personen buiten deze wereld werden geweerd, omdat dat een verzwakking zou zijn van de studentencultuur.' Tot 1870 waren studenten dan ook altijd lid van een studentencorps.

Dit veranderde in de loop van de negentiende eeuw, toen steeds meer jongeren uit burgerlijke milieus gingen studeren. 'Zij pasten niet echt binnen de corporale studentencultuur en richtten daarom hun eigen studentenverenigingen op', aldus Caljé. Met de toestroom van deze nieuwe groep kreeg de term student al een andere, minder elitaire lading. Het woord onderging in de jaren 70 van de twintigste eeuw opnieuw een betekenisverandering. 'De studentenaantallen namen toe, waardoor het merendeel van de studenten tegenwoordig geen lid meer is van de traditionele studentenvereniging', legt Caljé uit.

'Of je nu mbo, hbo, of wo doet, je bent student, want je leert voor de toekomst.'

Niet meer op de middelbare
De afgelopen twee eeuwen is de term student dan ook steeds breder toepasbaar geworden. Studenten van nu zijn niet per definitie lid van een vereniging en ze studeren niet altijd aan de universiteit: ook hbo'ers worden in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van 1992 aangeduid als studenten. Bovendien plukken hbo'ers tegenwoordig vrijwel dezelfde vruchten van het studentenleven als wo'ers. Zo laat Carolus Magnus sinds 1980 ook hbo-studenten toe. De mbo'er is een vanzelfsprekende toevoeging aan de groep studenten, vindt Timon van Engen, voorzitter van JOB. 'In eerste instantie was men alleen aan de universiteit een student, daarna kwam het hbo erbij, dus het is niet meer dan logisch dat ook mbo'ers studenten gaan heten.' Mbo'ers van het ROC Nijmegen lijken blij te zijn met de aanpassing. 'Of je nu mbo, hbo, of wo doet, je bent student, want je bent aan het leren voor je toekomst', vindt Lotte van Kruijsbergen, die een opleiding tot schoonheidsspecialiste volgt. 'Het zou niet mogen uitmaken op welk niveau dat is.' Hier sluit Maud Haselhorst, die Maatschappelijke Zorg 4 studeert, zich bij aan. 'We doen een vervolgopleiding op ons eigen niveau en zitten niet meer op de middelbare school.'

Ook de RU heeft geen moeite met de wijziging. 'Toen ik hoorde dat mbo'ers in de wet als deelnemers worden bestempeld, vond ik dat een gekke term', vertelt rector magnificus Han van Krieken. 'Dan denk je niet aan mensen die hard werken voor hun diploma, zowel theoretisch als praktisch. Ik vind het daarom helemaal niet vreemd dat zij student zullen worden genoemd.' Daarmee wil Van Krieken niet zeggen dat de opleidingsniveaus vergelijkbaar zijn. 'Ik vind het dat er een heel

'De wetwijziging is vooral bedoeld als erkenning van mbo-studenten.'

Twijfelachtig effect
Van Engen hoopt dat er door de wetswijziging meer erkenning komt voor mbo'ers. 'Zij moeten het gevoel hebben dat ze erbij horen, niet dat ze het afvoerputje van de samenleving zijn', aldus Van Engen. 'Mbo'ers verzetten dezelfde hoeveelheid werk als hbo'ers of wo'ers, alleen op een andere manier.'

Of het imago van mbo'ers inderdaad zal worden opgevijzeld door de wijziging, is nog maar de vraag, legt universitair docent Nederlandse Taalkunde Sterre Leufkens uit. 'Van deze groep bestaat een negatief stereotype en dat voorkom je niet door een nieuwe
term te gebruiken', stelt ze. 'Chirurgen hebben meer aanzien dan verpleegkundigen. Onterecht, maar dat is zo. Verpleegkundigen krijgen echter niet meer status als je hen ook chirurgen gaat noemen. Het tegenovergestelde kan gebeuren: de term 'chirurg' neemt in status af', vertelt Leufkens. Mogelijk gebeurt dit dus ook met de term student wanneer mbo'ers student gaan heten in plaats van deelnemer of leerling.

JOB ziet de term student dan ook niet als de oplossing voor het imagoprobleem waar mbo'ers mee kampen. 'De wetswijziging is vooral bedoeld als erkenning van de mbo-studenten, maar ook als een signaal aan bijvoorbeeld bestuursleden van studentenverenigingen en eigenaren van studentenkroegen', zegt Van Engen. 'We hopen dat deze mensen door de naamsverandering beseffen dat ook mbo'ers bij de samenleving horen en dus toegang moeten krijgen tot de studentenkroeg.' Toch kunnen verenigingen en kroegen er nog steeds voor kiezen geen mbo'ers toe te laten. 'Wij zorgen er alleen voor dat het woord wordt aangepast in de wet. Hoe kroegen daarmee omgaan, is aan hen', laat Jorgen Trommelen, woordvoerder van minister Van Engelshoven, weten.

Student1 400xjpgDat de naamsverandering niet per definitie meer mogelijkheden voor mbo'ers creëert, wordt duidelijk tijdens een gesprek met Kevin Brinkers, praeses van Carolus Magnus. Bij de vereniging zijn mbo'ers op dit moment niet welkom en daar lijkt de naamsverandering weinig aan te gaan veranderen. 'Wij hebben statutair vastgelegd dat onze leden
aan de RU of de HAN moeten studeren, of een gelijkgestelde opleiding in Nijmegen of Arnhem moeten volgen', vertelt Brinkers. 'Er verandert dus niets als mbo'ers studenten heten.' Hij erkent dat een wijziging van de statuten mogelijk is en dat hier intern wel over wordt gediscussieerd, maar voorlopig lijkt dit niet te gaan gebeuren. 'Zodra de eerste mbo'ers lid willen worden, zullen we er grondig naar kijken', zegt hij. 'Tot die tijd zijn we niet van plan om iets te wijzigen.' Ook Mart de Vree, praeses van Ovum Novum, geeft aan dat mbo'ers nog nooit interesse hebben getoond in lidmaatschap. 'Misschien gaat dat veranderen met de aandacht die er nu is voor het onderwerp.' Brinkers ziet vooral nadelen aan het toelaten van mbo'ers bij een vereniging als Carolus Magnus. 'Als

...
Lees meer

In de blubber van Bemmel

Begin dit jaar deed een groep archeologen een bijzondere vondst in de buurt van Bemmel. Tussen de klei vonden zij een enorm Romeins grafveld met askisten en allerlei indrukwekkende grafgiften als aardenwerken kruikjes en ijzeren olielampen. 'Zo'n vondst behoort niet tot de dagelijkse praktijk.'

Tekst: Edwin Jonkman
Foto's: Aaricia Kayzer en Rijkswaterstaat

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS.

Voor Pepijn van de Geer, werkzaam bij het Leidse archeologisch onderzoeksbureau Archol, zijn de recente opgravingen van een Romeins grafveld bij Bemmel een geliefd gespreksonderwerp. Terwijl zijn collega's en hij in opdracht van Rijkswaterstaat een nieuw tracé van de A15 verkenden, troffen ze iets aan. 'Zomaar op stenen bodem stuiten is altijd verdacht want het komt in Nederland niet van nature voor. Een collega belde mij: "Je moet even komen kijken hier, ik weet niet wat dit is".' Eenmaal ter plekke werden de contouren van een Romeinse askist zichtbaar. Maanden van graaf- en speurwerk later bleek het om een enorm grafveld uit de tweede tot derde eeuw na Christus te gaan. In totaal vonden de archeologen zes tufstenen askisten, met daarin crematie-as en talloze grafgiften, zoals een aardewerken wijnamfoor en een bronzen oorlepeltje. Al met al is het een bijzondere ontdekking. 'Askisten zijn heel zeldzaam en worden bijna nooit gevonden, zeker niet met zo veel bij elkaar.' Daarbij komt dat tot op heden niets bekend was over Romeinse nederzettingen of villaterreinen in de buurt van Bemmel. Dat juist hier een grafveld is gevonden, maakt de vondst dus extra opmerkelijk. Van de Geer vertelt over het proces en de betekenis van de opgravingen.

Interview Pepijn groot zw

Schatgravers op de loer
Met een team van ongeveer tien man heeft Van de Geer maandenlang in de grond bij Bemmel gespit. Eerst haalden graafmachines de bovenlaag van de akkers weg, waarna het precisiewerk kon beginnen. 'Zodra je verkleuringen tegenkomt in de grond, ga je alles met de hand onderzoeken', legt hij uit. 'Dat begint met een schep. Als je bijzondere dingen aantreft, wordt het priegelwerk. Daarvoor gebruiken we troffels en tandartsgereedschap.' Elk voorwerp wordt vervolgens gefotografeerd, geregistreerd en elektronisch ingetekend. Omdat het zulk arbeidsintensief werk was, werden de Leidse archeologen ondersteund door een club vrijwilligers uit de buurt. 'We noemen ze amateurarcheologen, maar dat betekent niet dat ze onprofessioneel zijn', grinnikt Van de Geer. 'Het is leuk om die mensen ook de kans te bieden om zoiets bijzonders mee te maken. Daarnaast zijn ze natuurlijk een helpende hand.' In totaal hebben de archeologen ruim achtduizend objecten gevonden, uiteenlopend van een scherf tot bronzen vaatwerk. Inmiddels is alles naar het onderzoeksbureau in Leiden versleept. Hoewel de euforie groot was bij het aantreffen van de Romeinse graven, mocht niemand het nieuws naar buiten brengen. 'Het was bekend dat we vooronderzoek aan het doen waren, maar we hebben stilgehouden dat we daadwerkelijk iets hebben gevonden', zegt hij. Het risico bestaat namelijk dat schatgravers hun kans grijpen. 'Waarschijnlijk doen ze dat 's nachts met een schijnwerper.' Door de geheimhouding was van zulke Indiana Jones-achtige taferelen op de Gelderse akkers gelukkig geen sprake. Erg diep hoefden de archeologen niet te graven. De askisten lagen slechts een halve meter onder het oppervlak. Daarom is Van de Geer verbaasd dat ze er überhaupt nog lagen. 'In de afgelopen tweeduizend jaar is er veel in die grond geploegd, dus de bovenste laag is vaak omgewoeld. Als telkens tijdens het ploegen zo'n broksteen wordt geraakt, halen boeren het weg.' Ook hadden de stenen kisten in de Middeleeuwen in de handen van fanatieke bouwvakkers kunnen vallen.
'Steen werd toen vaak hergebruikt om een huis of kerk te bouwen.'

Tussen de botresten vond het team het bijna intacte skelet van een baby.

Van buiten naar binnen
Nu de opgravingen achter de rug zijn, is het tijd voor de interpretatie van de gevonden voorwerpen. Als archeoloog is Van de Geer vooral bezig met sporenonderzoek in de grond. Voor de historische context moet hij zich eerst inlezen. 'Ik ben niet gespecialiseerd in een bepaalde periode. Als ik dingen ga schrijven over de prehistorie of de Romeinse tijd is het wel handig om bepaalde kennis te hebben, die haal ik dan uit literatuur en rapporten.' In dit project heeft hij een coördinerende rol. 'Veel vondsten liggen nu bij de verschillende materiaalspecialisten, die leveren rapporten aan mij af. Ik breng die bij elkaar en maak er een algemene interpretatie van.' Het denkwerk gebeurt op het kantoor in Leiden, een groot contrast met het graven in de frisse buitenlucht. Een evenwichtige balans tussen veld- en binnenwerk heeft Van de Geer het liefst. 'Ik doe dit werk nu tien jaar. In het begin vond ik het prima om alleen buiten bezig te zijn. Nu ben ik blij als ik af en toe thuis ben en voor de kachel zit', lacht hij.

Het eindrapport is nog niet af, maar Van de Geer weet al veel over de betekenis van het grafveld en de askisten. De stenen omhulsels van pakweg een halve meter bij een meter dienden voor de Romeinen als laatste rustplaats op aarde. 'De meeste mensen werden gecremeerd, dat was normaal in die tijd. Met de verbrandingsovens van nu blijft bij een crematie alleen maar as over, maar de Romeinen legden overledenen op brandstapels. Dan bleven er herkenbare stukken bot over. Die werden verzameld, gewassen en gingen in een doek de graven in.' Tussen de botresten vond het team ook het bijna intacte skelet van een baby. 'Aan de botjes konden we zien dat het tijdens of net na de geboorte is overleden.' Dat de vroeg gestorven zuigeling niet is gecremeerd maar begraven, is volgens hem logisch. 'Kinderen werden in de Romeinse tijd niet als volwaardig mens gezien. Waarschijnlijk omdat veel kinderen vroeg kwamen te overlijden. Het kwam regelmatig voor dat ze pas een naam kregen als ze een bepaalde leeftijd hadden bereikt.'

Interview Pepijn van de Geer parfumflesjeInterview Pepijn van de Geer askist
Links: een glazen parfumflesje met poederachtig residu. Rechts: een stenen askist die werd gebruikt om het as van overledenen in te begraven.

De grenzen opzoeken
De locatie van het ontdekte grafveld biedt nieuwe inzichten over het leven van de Romeinen. Het Romeinse Rijk eindigde ter hoogte van de Nederlandse rivieren. 'De Limes, oftewel de rijksgrens, lag bij de Rijn, dus het gebied waarin de graven zijn gevonden ligt tussen de grens en Nijmegen. Op zich weten we dat in Nijmegen en zelfs ten noorden daarvan veel activiteit was, maar dat er zo'n rijk grafveld ligt, is wel onverwacht.' Van nederzettingen is geen sprake, dus er moet een andere verklaring voor zijn. 'Wat meer voor de hand ligt, is dat er een nog onbekende Romeinse villa heeft gelegen met hooggeplaatste of vermogende bewoners. Misschien waren dit wel geen Romeinen, maar Bataven die heel geromaniseerd waren.' Hun hoge status zou ook de dure grafgiften verklaren, die ongebruikt de graven in zijn gegaan. 'We hebben ook een varkensschedel en dierlijk bot gevonden, dus waarschijnlijk lag er eten op de schalen en borden. Dan hadden mensen een beetje comfort tijdens hun reis naar het hiernamaals.'

Ergens bij Bemmel liggen dus waarschijnlijk de resten van de villa, een interessante aanleiding om verder te zoeken. Helaas zit dat er niet in voor Van de Geer. 'Ik werk voor een commercieel archeologiebedrijf, dat opdrachten van anderen aanneemt. Een universiteit kan vanuit een onderzoek waarmee ze bezig is gaan opgraven. Wij hebben het niet voor het kiezen wat en waar we opgraven.' Als hij straks het eindverslag aan Rijkswaterstaat heeft afgeleverd, gaan de objecten terug naar de provincie Gelderland. In het weekend van 28 en 29 april zal een klein deel van de vondsten te zien zijn in het gemeentehuis van Bemmel. Zulke tentoonstellingen bieden voor mensen die niet al te veel van Romeinse grafvelden weten een kijkje in het leven van toen. 'Al die losse objecten zeggen niet zo veel. Het gaat over de context waarin je de stukken vindt, hoe je het vindt en waar.' Komend jaar worden de askisten en grafgiften waarschijnlijk geëxposeerd in het Valkhof Museum in Nijmegen, vertelt Van de Geer met gepaste trots. 'Voor mij is het de eerste keer dat iets wat ik heb opgegraven wordt tentoongesteld.'

 

Lees meer

In de blubber van Bemmel

Begin dit jaar deed een groep archeologen een bijzondere vondst in de buurt van Bemmel. Tussen de klei vonden zij een enorm Romeins grafveld met askisten en allerlei indrukwekkende grafgiften als aardenwerken kruikjes en ijzeren olielampen. 'Zo'n vondst behoort niet tot de dagelijkse praktijk.'

Tekst: Edwin Jonkman
Foto's: Aaricia Kayzer en Rijkswaterstaat

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS.

Voor Pepijn van de Geer, werkzaam bij het Leidse archeologisch onderzoeksbureau Archol, zijn de recente opgravingen van een Romeins grafveld bij Bemmel een geliefd gespreksonderwerp. Terwijl zijn collega's en hij in opdracht van Rijkswaterstaat een nieuw tracé van de A15 verkenden, troffen ze iets aan. 'Zomaar op stenen bodem stuiten is altijd verdacht want het komt in Nederland niet van nature voor. Een collega belde mij: "Je moet even komen kijken hier, ik weet niet wat dit is".' Eenmaal ter plekke werden de contouren van een Romeinse askist zichtbaar. Maanden van graaf- en speurwerk later bleek het om een enorm grafveld uit de tweede tot derde eeuw na Christus te gaan. In totaal vonden de archeologen zes tufstenen askisten, met daarin crematie-as en talloze grafgiften, zoals een aardewerken wijnamfoor en een bronzen oorlepeltje. Al met al is het een bijzondere ontdekking. 'Askisten zijn heel zeldzaam en worden bijna nooit gevonden, zeker niet met zo veel bij elkaar.' Daarbij komt dat tot op heden niets bekend was over Romeinse nederzettingen of villaterreinen in de buurt van Bemmel. Dat juist hier een grafveld is gevonden, maakt de vondst dus extra opmerkelijk. Van de Geer vertelt over het proces en de betekenis van de opgravingen.

Interview Pepijn groot zw

Schatgravers op de loer
Met een team van ongeveer tien man heeft Van de Geer maandenlang in de grond bij Bemmel gespit. Eerst haalden graafmachines de bovenlaag van de akkers weg, waarna het precisiewerk kon beginnen. 'Zodra je verkleuringen tegenkomt in de grond, ga je alles met de hand onderzoeken', legt hij uit. 'Dat begint met een schep. Als je bijzondere dingen aantreft, wordt het priegelwerk. Daarvoor gebruiken we troffels en tandartsgereedschap.' Elk voorwerp wordt vervolgens gefotografeerd, geregistreerd en elektronisch ingetekend. Omdat het zulk arbeidsintensief werk was, werden de Leidse archeologen ondersteund door een club vrijwilligers uit de buurt. 'We noemen ze amateurarcheologen, maar dat betekent niet dat ze onprofessioneel zijn', grinnikt Van de Geer. 'Het is leuk om die mensen ook de kans te bieden om zoiets bijzonders mee te maken. Daarnaast zijn ze natuurlijk een helpende hand.' In totaal hebben de archeologen ruim achtduizend objecten gevonden, uiteenlopend van een scherf tot bronzen vaatwerk. Inmiddels is alles naar het onderzoeksbureau in Leiden versleept. Hoewel de euforie groot was bij het aantreffen van de Romeinse graven, mocht niemand het nieuws naar buiten brengen. 'Het was bekend dat we vooronderzoek aan het doen waren, maar we hebben stilgehouden dat we daadwerkelijk iets hebben gevonden', zegt hij. Het risico bestaat namelijk dat schatgravers hun kans grijpen. 'Waarschijnlijk doen ze dat 's nachts met een schijnwerper.' Door de geheimhouding was van zulke Indiana Jones-achtige taferelen op de Gelderse akkers gelukkig geen sprake. Erg diep hoefden de archeologen niet te graven. De askisten lagen slechts een halve meter onder het oppervlak. Daarom is Van de Geer verbaasd dat ze er überhaupt nog lagen. 'In de afgelopen tweeduizend jaar is er veel in die grond geploegd, dus de bovenste laag is vaak omgewoeld. Als telkens tijdens het ploegen zo'n broksteen wordt geraakt, halen boeren het weg.' Ook hadden de stenen kisten in de Middeleeuwen in de handen van fanatieke bouwvakkers kunnen vallen.
'Steen werd toen vaak hergebruikt om een huis of kerk te bouwen.'

Tussen de botresten vond het team het bijna intacte skelet van een baby.

Van buiten naar binnen
Nu de opgravingen achter de rug zijn, is het tijd voor de interpretatie van de gevonden voorwerpen. Als archeoloog is Van de Geer vooral bezig met sporenonderzoek in de grond. Voor de historische context moet hij zich eerst inlezen. 'Ik ben niet gespecialiseerd in een bepaalde periode. Als ik dingen ga schrijven over de prehistorie of de Romeinse tijd is het wel handig om bepaalde kennis te hebben, die haal ik dan uit literatuur en rapporten.' In dit project heeft hij een coördinerende rol. 'Veel vondsten liggen nu bij de verschillende materiaalspecialisten, die leveren rapporten aan mij af. Ik breng die bij elkaar en maak er een algemene interpretatie van.' Het denkwerk gebeurt op het kantoor in Leiden, een groot contrast met het graven in de frisse buitenlucht. Een evenwichtige balans tussen veld- en binnenwerk heeft Van de Geer het liefst. 'Ik doe dit werk nu tien jaar. In het begin vond ik het prima om alleen buiten bezig te zijn. Nu ben ik blij als ik af en toe thuis ben en voor de kachel zit', lacht hij.

Het eindrapport is nog niet af, maar Van de Geer weet al veel over de betekenis van het grafveld en de askisten. De stenen omhulsels van pakweg een halve meter bij een meter dienden voor de Romeinen als laatste rustplaats op aarde. 'De meeste mensen werden gecremeerd, dat was normaal in die tijd. Met de verbrandingsovens van nu blijft bij een crematie alleen maar as over, maar de Romeinen legden overledenen op brandstapels. Dan bleven er herkenbare stukken bot over. Die werden verzameld, gewassen en gingen in een doek de graven in.' Tussen de botresten vond het team ook het bijna intacte skelet van een baby. 'Aan de botjes konden we zien dat het tijdens of net na de geboorte is overleden.' Dat de vroeg gestorven zuigeling niet is gecremeerd maar begraven, is volgens hem logisch. 'Kinderen werden in de Romeinse tijd niet als volwaardig mens gezien. Waarschijnlijk omdat veel kinderen vroeg kwamen te overlijden. Het kwam regelmatig voor dat ze pas een naam kregen als ze een bepaalde leeftijd hadden bereikt.'

Interview Pepijn van de Geer parfumflesjeInterview Pepijn van de Geer askist
Links: een glazen parfumflesje met poederachtig residu. Rechts: een stenen askist die werd gebruikt om het as van overledenen in te begraven.

De grenzen opzoeken
De locatie van het ontdekte grafveld biedt nieuwe inzichten over het leven van de Romeinen. Het Romeinse Rijk eindigde ter hoogte van de Nederlandse rivieren. 'De Limes, oftewel de rijksgrens, lag bij de Rijn, dus het gebied waarin de graven zijn gevonden ligt tussen de grens en Nijmegen. Op zich weten we dat in Nijmegen en zelfs ten noorden daarvan veel activiteit was, maar dat er zo'n rijk grafveld ligt, is wel onverwacht.' Van nederzettingen is geen sprake, dus er moet een andere verklaring voor zijn. 'Wat meer voor de hand ligt, is dat er een nog onbekende Romeinse villa heeft gelegen met hooggeplaatste of vermogende bewoners. Misschien waren dit wel geen Romeinen, maar Bataven die heel geromaniseerd waren.' Hun hoge status zou ook de dure grafgiften verklaren, die ongebruikt de graven in zijn gegaan. 'We hebben ook een varkensschedel en dierlijk bot gevonden, dus waarschijnlijk lag er eten op de schalen en borden. Dan hadden mensen een beetje comfort tijdens hun reis naar het hiernamaals.'

Ergens bij Bemmel liggen dus waarschijnlijk de resten van de villa, een interessante aanleiding om verder te zoeken. Helaas zit dat er niet in voor Van de Geer. 'Ik werk voor een commercieel archeologiebedrijf, dat opdrachten van anderen aanneemt. Een universiteit kan vanuit een onderzoek waarmee ze bezig is gaan opgraven. Wij hebben het niet voor het kiezen wat en waar we opgraven.' Als hij straks het eindverslag aan Rijkswaterstaat heeft afgeleverd, gaan de objecten terug naar de provincie Gelderland. In het weekend van 28 en 29 april zal een klein deel van de vondsten te zien zijn in het gemeentehuis van Bemmel. Zulke tentoonstellingen bieden voor mensen die niet al te veel van Romeinse grafvelden weten een kijkje in het leven van toen. 'Al die losse objecten zeggen niet zo veel. Het gaat over de context waarin je de stukken vindt, hoe je het vindt en waar.' Komend jaar worden de askisten en grafgiften waarschijnlijk geëxposeerd in het Valkhof Museum in Nijmegen, vertelt Van de Geer met gepaste trots. 'Voor mij is het de eerste keer dat iets wat ik heb opgegraven wordt tentoongesteld.'

 

Lees meer

Kamervragen Anne en Lotte

In kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Anne en Lotte.

Anne1Lotte1

Tekst en foto's: Vincent Veerbeek

Dit artikel verscheen eerder in de eerste editie van ANS.

Lotte op bezoek bij Anne
Bij binnenkomst in de kamer moet Lotte even nadenken over hoe ze zich voelt bij het nauwkeurig afgewerkte interieur. 'Alles is vrij strak en hoekig. De ronde vormen van die gloeilampen maken het wat zachter, maar ik vind het wel heel wit.' Wanneer ze de steile ladder ziet die los tegen de muur staat, kijkt Lotte beduusd omhoog naar het bed op 3,5 meter hoogte. 'Ik weet niet of ze van stappen houdt, maar die beklimming is wel heftig. Zeker met drank op.' Wanneer ze een verzameling drankflessen tegenkomt en er in de kast ook nog een drankspel blijkt te liggen, neemt haar verbazing verder toe. 'Nou, ik ga sowieso vragen hoe ze die trap opkomt.'

Kamer Anne1Niet alleen de ladder naar Annes bed staat op een vreemde plek. Ook in het badkamertje staat Lotte een interessante verrassing te wachten. De douchecabine doet namelijk dienst als opslagruimte voor een stofzuiger en een wasrek. 'Volgens mij doucht ze hier nooit', grinnikt ze. 'Het is wel een handige multifunctionele ruimte.' Met een blik op de agenda aan de muur ontdekt Lotte dat de bewoner van festivals houdt en bij de Hema werkt. 'Mijn zusje heeft ook bij de Hema gewerkt, die is even netjes.' Ook de studie van de bewoner is snel geraden. 'Alle boeken gaan over kinderen, dus ik denk dat ze iets studeert wat daarmee te maken heeft.'

Kamer Anne2Verder beschrijft Lotte de persoon als sociaal en zachtaardig. 'Misschien is ze zelfs een beetje alternatief', zegt Lotte terwijl ze naar de kapstok kijkt, die gemaakt lijkt te zijn uit een stuk wrakhout. 'Ik denk dat ze van de natuur houdt. Waarschijnlijk is ze veel bezig met biologisch en gezond eten, gezien al die kruiden en kookspullen.' Nu ze meer van de kamer heeft gezien, is Lotte best te spreken over de kamer. 'Ik vind het wel wat hebben. Zelf zou ik het alleen niet zo wit laten. Misschien dat ik een muur een leuke kleur zou verven, maar voor de rest vind ik het mooi aangekleed.'

Anne op bezoek bij Lotte
Wanneer ze het terrein van de Stadsnomaden oprijdt, schiet Anne in de lach. 'Heftig, maar het ziet er wel gezellig uit. Vakantie in eigen land.' Tussen een verzameling sleurhutten en tiny homes staat het gele busje waar Lotte woont, omringd door afgedankte etalagepoppen. 'Ik zou me helemaal de pleuris schrikken 's avonds', zegt Anne huiverend. Binnen neemt ze even de tijd om het interieur in zich op te nemen. 'Het is zeker anders', zegt ze aarzelend. 'Wat moet ik hiervan zeggen. Ze heeft een panoramisch dak, dat vind ik wel luxe. Je kunt hier 's avonds sterren kijken.' Hoewel ze de bus omschrijft als knus geeft Anne toe dat het niks voor haar is. 'Ik zou hier niet kunnen leven', roept ze stellig. 'Ik heb altijd gekampeerd, maar ik zou niet mijn hele leven zo willen wonen.'

Kamer Lotte1 2

Anne twijfelt geen seconde over het geslacht van de bewoner. 'Het is duidelijk een meisje, gezien de roze aankleding.' De studie van de bewoner kost meer moeite. 'Het zou Geschiedenis kunnen zijn', zegt ze terwijl ze een boek van Foucault oppakt. Vanwege het ogenschijnlijke gebrek aan literatuur besluit Anne een paar kastjes open te trekken op zoek naar een studieboek. Bij de derde is het raak. 'Europese integratietheorie, wat voor studie is dat? Misschien iets filosofisch.'

Kamer Lotte2

'Ik kijk vooral mijn ogen uit. Over alles valt iets te zeggen', lacht Anne, terwijl ze wat rondsnuffelt in het busje. Dan pakt ze een stapel cd's die op het dashboard ligt om te kijken of ze iets herkent. 'Gorillaz, moet ik dit kennen? Er moet toch wel iets zijn wat ik ken… Oh, de Spice Girls!' Over mogelijke andere hobby's van de bewoner moet Anne even nadenken. 'Niet poetsen', zegt ze uiteindelijk terwijl ze nog eens rondkijkt. 'Alhoewel, ik vind het aanrecht er netjes uitzien, maar ik weet niet of ze dat gebruikt.' Anne twijfelt hoe ze de persoon het beste kan omschrijven. 'Vrolijk, gezellig en alternatief', zegt ze uiteindelijk. 'Ik ben heel benieuwd naar de bewoner.'

Vragenuurtje
Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

'Dat is wel even wat anders hè', zegt Lotte (26, vierdejaars Politicologie) als ze Anne (21, eerstejaars Logopedie en Taalwetenschap) nog steeds geïntrigeerd ziet rondkijken op het terrein van de Stadsnomaden. 'Zoiets had ik zeker niet verwacht', lacht Anne. Hoewel Lotte dacht dat Anne haar bus verschrikkelijk zou vinden, is ze eigenlijk best enthousiast. Ze wil weten hoe Lotte hier is beland. 'Vanaf mijn vijftiende ging ik met krakers om en heb ik veel in pandjes rondgehangen. Toen dat verboden werd, zijn we hiermee begonnen, ook omdat we iets met milieu en sociaal welzijn wilden doen. De bus heb ik via Marktplaats gevonden.' Trots voegt ze eraan toe: 'Hij komt uit 1973.' 

De woonsituatie van Lotte roept genoeg vragen op, maar ook Annes kamer was niet zonder verrassingen. 'Ik zag die trap', zegt Lotte, terwijl Anne begint te lachen. 'Hoe kom jij in godsnaam boven als je een drankje ophebt?' Terwijl Lotte geboeid luistert, legt Anne uit dat de ladder aan het bed kan worden gehaakt. 'Ik ga die ladder niet op als ik veel gedronken heb. Dan slaap ik op mijn bank.' Ook de inrichting van Annes badkamer roept vragen op. 'Ik haal de stofzuiger er echt iedere ochtend uit om te douchen. Daarna maak ik de douche droog en zet ik alles terug.' 

Anne merkt op dat het best krap is in Lottes busje. 'Gelukkig hebben we een gemeenschappelijke woonkamer', grinnikt Lotte. 'Soms kom ik gestrest thuis en dan zitten mensen al bij het kampvuur met een biertje. Dat is heel fijn.' Al met al is Anne erg te spreken over de Stadsnomaden. 'Je bent altijd op vakantie wanneer je hier woont.' 

Gesprek 2 

 

 

 

Lees meer

Kamervragen ANS 3

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat?

Tekst: Eva van Keeken, Vincent Veerbeek en Eva Vervoort
Foto's: Eva van Keeken en Vincent Veerbeek

Dit artikel verscheen eerder in de derde editie van ANS.

Marissa op bezoek bij Jochem
Kamervragen 2 kamer Jochem'Tja', is Marissa's eerste reactie als ze de kamer van Jochem binnenloopt. Ze zoekt duidelijk naar woorden die de puinhoop het beste kunnen omschrijven. Verspreid over de ruimte liggen resten van joints, ongewassen handdoeken en bedorven etensresten. Om nog maar te zwijgen over de rode vlekken op het dekbed, waarvan Marissa denkt dat het wijn is. 'Veel troep, het is een typische studentenkamer', zegt ze voorzichtig. 'Deze persoon moet echt een keer zijn lege flessen wegbrengen. De Coop is hier tegenover.' Wanneer ze de koelkast opent, begint ze te lachen. 'Alleen een pizza, dat is wel sad.' Dan valt haar oog op een pet en mannendeodorant waaruit ze opmaakt dat het een jongenskamer is. Ze schat dat de bewoner iets ouder is dan zij, een jaar of 23. Uit zijn boeken maakt ze op dat hij 'iets met marketing en communicatie' studeert.

Marissa verwacht dat de bewoner van de kamer regelmatig uitgaat, omdat hij in de Molenstraat woont. 'Ik denk dat hij een chill persoon is, echt zo'n type dat veel gamet en blowt', zegt ze. Op de vraag of hij aan sport doet, antwoordt ze ontkennend. Ze denkt niet dat hij een gezonde levensstijl heeft. Dan ziet ze een skateboard staan. 'Misschien is het toch wel een sportief persoon. Ik kan me voorstellen dat hij iemand is die overal op zijn skateboard naartoe gaat.' Marissa zou best met hem in een huis kunnen wonen. 'Ik denk dat hij een gezellige huisgenoot is, bij wie je makkelijk binnenloopt om even te kletsen.' Wel zou ze zich ergeren aan zijn troep. 'Misschien is hij ook zo slordig in de keuken of in de badkamer.'

'Ik vind het lullig om te zeggen, maar ik zou niet in deze kamer kunnen wonen', zegt Marissa stellig. 'Ik vind het gewoon fijn om een georganiseerde en rustige kamer te hebben.' Een positief punt is de locatie. Het idee midden in het centrum te wonen en zicht te hebben op de Molenstraat bevalt haar wel.

Jochem op bezoek bij Marissa
Kamervragen 2 kamer MarissaOp zijn skateboard komt Jochem aan bij studentencomplex Galgenveld, waar Marissa woont. 'Het is hier een stuk netter dan bij mij, dat is duidelijk’, is zijn eerste reactie als hij binnenkomt op haar kamer. De boeken staan recht in de kast, de kleren zijn keurig opgeborgen en de dekentjes op de bank liggen er perfect opgevouwen bij. Jochem denkt in een meisjeskamer te zijn beland: 'Alles is opgeruimd en de kleuren roze en lichtgroen komen vaak terug in het meubilair.' Dan valt zijn blik op de Engelse woordenboeken in de boekenkast. 'Ze studeert vast Engels', concludeert hij. 'Ik verwacht dat ze haar studie serieus neemt en niet zoveel uitgaat. Ze doet weinig onverstandige dingen.' De leeftijd van Marissa vindt hij moeilijker in te schatten. 'De inrichting van de kamer oogt een beetje jeugdig door de lichte kleuren'. Hij gokt dat ze rond de 20 jaar is.

Jochem vindt de kamer ook niet heel speciaal. De woorden 'normaal' en ‘standaard’ vallen vaak. Hij ziet een getekende poster en een rozenkunstwerk die op de muur zijn geplakt. 'Misschien is ze wel een kunstzinnig type', merkt hij op. Jochem zou best een huisgenoot van Marissa willen zijn. ‘Het is in ieder geval iemand die niet veel herrie maakt en van wie je weinig last hebt. Prima om een babbeltje mee te maken.' Dan valt zijn oog op iets dat hem blij verrast: een Wii en een verzameling games. 'Eindelijk een raakvlak', zegt hij lachend. 'Call of Duty is iets dat ik ook nog wel zou spelen. Een meisje dat gamet is sowieso wel bijzonder.'

Het is geen kamer waar Jochem zich thuis voelt. 'Ik zou hier echt gek worden, vooral omdat het zo netjes is. Van de inrichting word ik niet heel gelukkig, het is veel te strak. Het zou snel een puinhoop worden als ik hier zou wonen.' Omdat de woning is opgedeeld in twee kleine kamertjes, is het voor hem niet ruimtelijk genoeg. De locatie vindt hij daarentegen best prima.

Vragenuurtje
Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Kamervragen 2 gesprekMarissa is zichtbaar verbaasd over de jongen die achter de rommelige kamer schuilgaat. 'Heel anders dan ik had verwacht', is de eerste reactie van de 20-jarige studente Amerikanistiek, als ze Jochem ziet. 'Je ziet er verzorgd uit', zegt Marissa nadat ze zich aan elkaar hebben voorgesteld. 'Jouw kamer past wel bij je nette uitstraling', reageert Jochem, 19 jaar en student Small Business Retail Management.

Marissa vraagt zich af of haar beeld van het alternatieve imago van Jochem klopt. 'Zo zou ik mezelf niet noemen, maar ik skateboard wel', zegt hij. 'Doe je verder nog aan sport?', vraagt Marissa. 'Ja, ik fitness af en toe.' Dan snijdt Marissa een onderwerp aan dat niet onbesproken kan blijven: de rode vlekken op het bed. 'Is dat wijn?' 'Nee', antwoordt Jochem. 'Dat is van een bloedneus van mijn ex.' Marissa wijst hem erop dat hij echt een keer zijn statiegeldflessen moet wegbrengen. Jochem lacht: 'Luiheid is wel een probleem voor mij, juist omdat alles vanaf de Molenstraat zo dichtbij is.'

'Die gamecollectie van jou is wel dope', merkt Jochem op. Ze spelen helaas niet dezelfde games. 'Het enige dat ik speel is Mario Kart en af en toe Call of Duty', zegt Marissa. 'Ben je creatief?', vraagt Jochem. Marissa ziet zichzelf niet als een heel creatief persoon. 'Ik kleed wel graag mijn kamer leuk aan', zegt ze. Tot slot merkt Jochem op dat Marissa niet zo verlegen is als hij dacht. 'Dat heb ik verkeerd ingeschat', zegt hij. 'Oh, jij dacht zeker dat ik heel saai zou zijn?', reageert Marissa. 'Nee, saai ben ik niet. Ik vind het gewoon fijn als het opgeruimd is.'

Kamervragen 2 portret JochemKamervragen 2 portret Marissa

Marissa en Jochem

 

Lees meer

Kamervragen ANS 4

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat?

Tekst: Bram Jodies
Foto's: Kelley van Evert

Dit artikel verscheen eerder in de vierde editie van ANS.

Kamer 1Arn op bezoek bij Robin
'Volgens mij woont hier een man', zegt Arn, wanneer hij de kamer op de derde verdieping van complex Mariënbosch betreedt en zijn oog op een stel whiskyflessen valt. 'Meestal drinken vrouwen geen whisky. Bovendien staat er een Playstation 4 en hangen er sportshirts en een Kud-shirt aan de muur.' Hij loopt naar de tafel toe, waar een samenvatting tussen een groot boek vastgeklemd zit, en grinnikt. 'Iets met de Tudor-monarchie. Ik gok dat hij Geschiedenis studeert, of iets in die trant.' Daarnaast vermoedt Arn dat de student een tweede- of derdejaars is, want zo'n grote kamer ligt voor eerstejaars niet snel in het verschiet. Over het uitzicht is de bezoeker stellig. 'Beetje treurig, elke ochtend wakker worden en de universiteit moeten zien.' De omgeving vindt hij verder wel te tolereren door de nabijheid van de natuur bij het SSH&-complex.

Dan valt zijn blik op een zwarte leren jas aan de deur. 'Ik heb zelf ook zo’n jas gehad.' Arn ziet wel meer overeenkomsten met zijn eigen kamer. 'De indeling lijkt op mijn kamer, maar dan met wat meer ruimte.' Op de vraag of hij met deze persoon in een huis zou kunnen wonen, reageert Arn positief. 'Ik zie genoeg aanwijzingen dat we dezelfde hobby's hebben. Ik denk dat het wel een gezellig persoon is.'

Plotseling slaakt hij een kreet terwijl hij behoedzaam een stapeltje Pokémonkaarten oppakt. 'O mijn god, de eerste generatie kaarten, die heb ik ook!', roept hij extatisch. Verder is Arn zeer te spreken over de twee gitaren en de nerdy spullen, zoals Yoda-sloffen en een Fallout-poppetje. 'Ik heb het gevoel dat de eigenaar een geeky persoon is, dus waarschijnlijk zou ik het wel goed met hem kunnen vinden.' Het enige voorwerp dat vragen oproept, is een kokosnoot in de vensterbank. Arn concludeert dat hij het niet erg zou vinden om de eigenaar van de kamer te leren kennen, gezamenlijk whisky te drinken en te gamen. 'Ja, daar zou ik van kunnen genieten.'

Kamer 2Robin op bezoek bij Arn
Zodra Robin over de drempel van de kamer stapt, komt een warme wierookwalm hem tegemoet. In het vertrek liggen een Nintendo 64, een paar exotisch uitziende schaakborden en boven het bed hangt een Fullmetal Alchemist-poster. Door de inrichting denkt Robin dat er een man woont. 'De kamer heeft een interessant sfeertje, door al die dingen uit verschillende werelddelen. Ik denk dat hier iemand woont die veel reist, of die mensen kent die veel reizen.'

Wat betreft de studierichting twijfelt Robin een beetje. 'Hij lijkt me niet een echte diehard bèta of een heel exact iemand. Als ik dan toch moet gokken, zou ik zeggen Biologie of Biochemie, afgaande op de boeken.' Robin denkt dat het een ouderejaars is, vanwege de hoeveelheid spullen. Op de vraag of hij met deze persoon in een huis zou kunnen wonen, antwoordt hij positief. 'Het lijkt me een gezellig huis. Deze kamer is wel een beetje een rommeltje en ik ben een opgeruimd persoon, maar ook ik maak er geregeld een troep van.'

'Ik denk dat het een gezellig iemand is met wie je lol kan hebben en een biertje kan drinken. Hij heeft meer films dan boeken en een grote collectie Pokémonfilms, dat is ook wel wreed', zegt Robin. Hij kan de eigen smaak van de kamerbewoner waarderen. 'Hij houdt van anime, spellen, maar ook van muzikale klassiekers zoals Johnny Cash. Hij heeft een goede muzieksmaak.' Zelf zou Robin ook best in deze kamer willen wonen, ook al staat het vrij vol omdat het gezellig is ingericht. De extra stoelen en zitzak in de volle kamer betekenen volgens Robin dat de eigenaar in ieder geval voorbereid is om mensen over de vloer te hebben. Daarnaast valt het uitzicht op Nijmegen-West ook in de smaak. Het schaaltje met as op de magnetron kan hij in eerste instantie niet plaatsen, maar hij concludeert uiteindelijk dat de as de bron van de wierookgeur is.

Vragenuurtje
Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Gesprek grootDe jongens nemen plaats op de bank in de woonkamer van Arn en binnen enkele seconden beginnen ze te lachen als de kokosnoot ter sprake komt. Arn (21, eerstejaars Pedagogische Wetenschappen) is benieuwd naar het verhaal erachter, maar daarin moet Robin (26, derdejaars Geschiedenis) hem teleurstellen: het was slechts een verjaardagscadeau. 'Laat ik het zo zeggen, alles in mijn kamer dat niet functioneel is, heb ik gekregen.' Robin vraagt of de beeldjes in Arns kamer souvenirs van zijn reizen zijn. Arn lacht, maar vertelt dat hij daar helaas het geld niet voor heeft. 'Het meeste heb ik gekregen van vrienden en familie, zoals dat neushoornbeeldje. Dat heeft mijn zus voor me meegenomen uit Zuid-Afrika.' Arn studeert ook geen Biologie, maar is een van de weinige mannelijke studenten Pedagogische Wetenschappen. Daarentegen klopt het wel dat Robin Geschiedenis studeert.

Arn blijkt niet echt van het stappen te zijn. 'Als ik met vrienden de stad in ga, is het meestal omdat ze me meeslepen', vertelt hij. Voor Robin is dit niet het geval, maar ook hij is niet vier keer per week in de kroeg te vinden. De jongens zijn positief over elkaars eigendommen. Ze praten nog wat na over muzieksmaken en huurprijzen, en bij het noemen van het Kud-shirt beginnen ze weer te lachen, totdat het gesprek onherroepelijk bij games belandt. Beiden gamen wel eens, vooral met vrienden onder het genot van een biertje of een jointje. Vol trots vertelt Arn dat hij op drie games na zijn Nintendo 64-collectie compleet heeft. Althans, alle goede spellen, zoals de originele Supersmash Bros en Mario Kart. Grijnzend vraagt Arn: 'Wil je mijn gameverzameling dadelijk nog zien?'

RobinArn

Robin en Arn

 

Lees meer

Kamervragen ANS 5

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Yvette en Eileen.

Tekst: Joep Dorna
Foto's: Mayke Postma

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Kamervragen kamer EileenYvette op bezoek bij Eileen
'Hipsterkamer', stelt Yvette meteen bij binnenkomst. 'Met van die interieurideeën die ik zelf ook op mijn Pinterestbord heb staan, zoals de gehaakte mandala's en het gebruik van een kledingrek als kast. De bewoner heeft hier veel aandacht aan besteed.' Yvette is duidelijk onder de indruk van de lichte kamer aan de Willemsweg. 'Waarschijnlijk heeft ze veel moeite gedaan om alles bij elkaar te zoeken. Alles matcht heel goed', vindt ze. Tijdens het bewonderen van de kamer valt haar blik op een oude stoel in de hoek. 'Het grappige aan deze kamer is dat alle spullen heel zorgvuldig uitgekozen lijken te zijn, behalve die stoel. Die valt van ellende uit elkaar.'

In een hoek van de kamer zijn op een aantal foto's tropische bestemmingen en katten te zien. 'Ik denk dat het een gezellig persoon is, die veel van reizen houdt en een obsessie voor katten heeft. Dat laatste is overigens zeker geen veroordeling', lacht ze. Yvette verlegt haar aandacht naar de boekenkast. Op basis van de aanwezige studieboeken concludeert ze dat de bewoner Psychologie studeert. 'Dat is zo'n brede studie met zulke verschillende mensen, daar kan je geen stereotype aan plakken. Wel hoor ik van veel mensen dat die studie erg zwaar is, dus dat er weinig tijd overblijft voor andere dingen.' Verstopt onder het bureau hangt een gedetailleerde, met potlood getekende afbeelding van een vrouw. 'Als ze die tekening zelf heeft gemaakt, is dat echt amazing. Aan de andere kant, als ze het zelf heeft getekend, zou ze het misschien wat hoger hangen.'

Ook denkt Yvette dat de bewoner groene vingers heeft. 'Gebaseerd op de plantjes in de vensterbank, denk ik dat ze van tuinieren houdt. In deze kamer staan echt veel planten trouwens. Dat is knap van haar, ik laat mijn planten altijd doodgaan.' Als andere bezigheid komt Yvette terug op de eerdergenoemde obsessie van de bewoner. 'Waarschijnlijk knuffelt ze vaak met katten. Leuke hobby hoor. Maar verder, wie weet, binnenhuisarchitect? Ze heeft zeker oog voor detail.'

Kamervragen kamer YvetteEileen op bezoek bij Yvette
Als Eileen door het trappenhuis naar de kamer van Yvette loopt, kijkt ze haar ogen uit. De glas-in-lood-ramen, de brede, lichte gang en de wc-poetsende schoonmaker maken indruk. 'Die hebben wij niet', lacht Eileen. Eenmaal aangekomen op de tweede verdieping begint ze haar ontdekkingstocht. 'Ik denk dat hier een meisje woont, vanwege deze vlinders', zegt ze, wijzend naar kleurrijke plastic vlinders boven het bed. Naast het bed staat een platenspeler, waarop een LP van Barbra Streisand ligt. 'Niet mijn smaak', grinnikt ze. Ook vallen haar enkele kattenfoto’s op. 'Waarschijnlijk houdt ze van katten', zegt Eileen terwijl ze naar de afbeeldingen kijkt. Ze pakt enthousiast een boek van Remco Campert op dat in de buurt ligt. 'Dagboek van een poes, dat klinkt als een leuk boek.'

'Ik denk dat ze geïnteresseerd is in kunst en andere culturen', merkt Eileen op wanneer ze de goed gevulde boekenkast bekijkt. Ze pakt Kunstgeschiedenis voor Dummies uit de kast. 'Het is moeilijk te zeggen wat de bewoner precies studeert. Misschien Genderstudies? Of iets cultureels? Ze lijkt me in veel verschillende dingen geïnteresseerd.' Op basis van de inhoud verwacht Eileen dat de bewoner een rustig en open-minded meisje is. In de boekenkast ligt ook een dvd-box van Harry Potter. Wanneer ze verder de kamer rondspeurt, vindt ze al snel een deurstopper, een dekentje en spellen met het logo van de tovenaarsleerling. 'Wat leuk, ze houdt duidelijk van Harry Potter.'

De innerlijke binnenhuisarchitect van Eileen komt naar boven wanneer ze het interieur van de kamer beoordeelt. 'Sommige dingen passen niet echt bij elkaar. Deze vlinders en deze plastic bloemen zijn gecombineerd met dingen van hout. Dat maakt het een beetje een ratjetoe.' Toch heeft ze ook veel lof voor de inrichting. 'In de kamer staan veel verschillende dingen, dat is gaaf om te zien. Ik vind het tapijt en dit houten kastje mooi', zegt ze. 'Ook houdt ze alles netjes.' Hoewel de schoonmaker hier nooit langskomt, ziet de kamer er inderdaad brandschoon uit. 'Klein, knus en interessant', vat Eileen de kamer samen.

Vragenuurtje
Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Kamervragen gesprek grootHet gesprek komt wat onwennig op gang en de dames gaan weinig op elkaar in. Wel wil Yvette (19, tweedejaars Algemene Cultuurwetenschappen) meer weten over de kamer van Eileen (25, eerstejaars Psychologie). 'Ik vind het fijn om veel ruimte te hebben en geniet ervan dat ik nu een grote kamer met weinig spullen heb', legt Eileen uit. Ze vertelt dat ze uit Duitsland komt en veel kleine kamers heeft gehad. In haar moederland heeft ze twee modegerelateerde studies gedaan, waarvoor ze vaak moest tekenen. 'Na mijn modestudie wilde ik nooit meer tekenen, maar nu geniet ik er weer van.' De student bloost als Yvette haar met de tekeningen complimenteert. 'Je hebt zeker talent.' Yvette tekent zelf ook graag, maar noemt zichzelf 'niet zo goed'. 'Daar ga ik mijn geld niet mee verdienen, maar ik vind het bestuderen van tekeningen en kunst ook heel tof. Misschien wil ik later in die richting verder.'

Beide studenten leven op zodra de kattenfoto's ter sprake komen. Yvette pakt meteen het boek erbij dat Eileen eerder aanwees: Dagboek van een poes van Remco Campert. 'Het boek is geschreven vanuit het perspectief van een huiskat. Ik vind het echt supergrappig', glundert Yvette. Beide dames zeggen zeker een kat te nemen zodra ze de kans krijgen. Ook zijn ze allebei vaste bezoekers van het kattencafé aan de Van Welderenstraat. 'Dat vind ik echt leuk. In Duitsland ben ik ook vaak in kattencafés geweest', zegt Eileen. Yvette voegt lachend toe: 'Het is hier vlakbij, dus ik ga er vaak naartoe. Ik ken nu zelfs bijna alle katten bij naam.'

Kamervragen portret YvetteKamervragen portret Eileen

Yvette en Eileen

 

Lees meer

Kamervragen ANS 6

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Jesse en Britt.

Tekst: Simone Bregonje en Vincent Veerbeek
Foto's: Rein Wieringa

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS.

Kamervragen ANS 6 kamer BrittJesse op bezoek bij Britt
Wanneer Jesse de kamer in de Van Welderenstraat binnenstapt, valt zijn mond nog net niet open. 'Het is hier zo opgeruimd', zegt hij verbaasd. 'Al ruikt het wel een beetje naar friet.' Over het geslacht van de bewoner hoeft hij dan ook niet lang na te denken. 'De kamer is zo opgeruimd dat de bewoner wel een vrouw moet zijn, op basis van het genderstereotype.' Als een wervelwind trekt Jesse door de nette kamer van Britt heen, terwijl hij her en der kasten en lades opentrekt. 'Mag ik eigenlijk dingen openmaken?' vraagt hij met een verbandtrommel in zijn handen. 'Oh, het is gewoon een verbanddoos, ik had iets bijzonders verwacht.'

Op een plank staat een collectie Nutella-potten van diverse afmetingen. Om ze van dichtbij te kunnen bekijken springt Jesse op Britts bed. 'Zijn ze echt? Nee, dit is een speaker.' Naast de potten staat een verzameling boeken, waaronder de Harry Potter-reeks. 'Volgens mij leest ze graag. Hier staat ook een boek over De Jeugd van Tegenwoordig en ik zag net ook al een concertkaartje voor De Jeugd. Ze heeft een goede muzieksmaak', concludeert Jesse. Na het openen van een kast is meteen duidelijk wat de bewoner studeert. 'Hier staan wettenbundels, ze studeert dus Rechten.'

Naast de kast staat een koelkast, die Jesse enthousiast opengooit. 'Laten we een kijkje in de koelkast nemen, net als in MTV Cribs.' De inhoud vindt hij verwarrend. Naast drie soorten kaas, eieren en een bosje citroengras liggen er sausjes van McDonald's en drank. 'Hier staat ook een blikje Mountain Dew, misschien is ze een twaalfjarige gamer.' In een hoekje liggen wat sportspullen, waaronder een hockeystick, een tennisracket en een pet van The Blue Socks. 'Dat is een honkbalteam toch? Volgens mij doet ze aan honkbal, want op het prikbord hangt ook een sticker van de Radboud Rangers.' Jesse denkt dat de bewoner sportief, belezen en natuurlijk opgeruimd is. 'Deze kamer is zo netjes, zelfs de scheurkalender is goed bijgehouden.'

Kamervragen ANS 6 kamer JesseBritt op bezoek bij Jesse
Jesses huis bevindt zich aan de andere kant van Nijmegen in de middle of nowhere. Jesse heeft twee kamers. Bij binnenkomst in de eerste kamer valt Britt even stil. 'Het is hier zo anders dan bij mij.' De chaos in de kamer steekt schril af tegen Britts opgeruimde kamer.

Meteen vallen de spelcomputers van de bewoner op. 'Hij heeft meerdere consoles, dus hij houdt van gamen', constateert Britt. In de andere kamer is het al net zo rommelig. Hier struikelt ze bijna over de boodschappentassen met kleding en boeken. De algehele anarchie zorgt ervoor dat Britt in het duister tast over de studie van de bewoner. Vanwege de tassen met boeken is haar eerste ingeving Nederlands, maar later begint ze toch te twijfelen. 'Ik heb eigenlijk geen studieboeken gezien, misschien studeert hij wel helemaal niet of is hij al klaar met zijn studie.' Op de grond, naast een van de boodschappentassen, vindt Britt een envelop met stempassen voor de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen. 'O, hij heeft zo te zien niet gestemd', lacht Britt. Nadat ze een tas van Campus in Beeld en een stapel ingelijste tekeningen vindt, komt Britt tot de conclusie dat de bewoner creatief is. Inmiddels heeft ze een duidelijk beeld in haar hoofd van wat voor persoon de bewoner is. 'Volgens mij is hij heel easy going, omdat hij zo makkelijk met zijn spullen omgaat. Een beetje hippie, alto en groen.'

Op het eerste oog lijken de verschillen groot. Britt is echter vastberaden om gelijkenissen te vinden, ook al kost dat haar enige moeite. Uiteindelijk komt ze erachter dat ze dezelfde gympen hebben, allebei een Levi's broek bezitten en van Smintjes houden. Ze twijfelt of ze met deze persoon samen zou kunnen wonen. 'Ik zou het prima vinden, zo lang hij de rommel in zijn kamer houdt.' De woonsituatie van Jesse is niets voor Britt, maar ze snapt dat het fijn kan zijn. 'In dit huis maakt het waarschijnlijk niemand wat uit als je een mandarijn drie weken laat liggen.'

Vragenuurtje
Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Kamervragen ANS 6 gesprek grootNadat Britt (derdejaars Notarieel recht) en Jesse (vierdejaars Nederlandse taal en cultuur) elkaar de hand hebben geschud, vertelt Jesse dat hij al eerder bij Britt thuis is geweest. Haar huisgenootje is namelijk een vriendin van hem. Dat is niet het enige wat haar verrast. 'Ik had iemand verwacht die meer alto is', zegt Britt. 'Ik ben best normaal toch?' lacht Jesse. Het gesprek verloopt vlot en de twee blijken meer gemeen te hebben dan verwacht. Britt deelt haar kooktrucs met Jesse en ze praten honderduit over hun Indonesische roots, Harry Potter en hun studies.

Britt wil graag weten hoe Jesse in zo'n uithoek terecht is gekomen. 'Ik woon antikraak. Het is inderdaad een gekke plek, een beetje als een dorp uit een horrorfilm.' Hoewel Jesse er pas een week woont, is dat niet de reden dat alles vol staat met boodschappentassen. 'In mijn vorige kamer heb ik een jaar zo geleefd', vertelt hij. Britt is ook benieuwd naar de gevonden stempas. 'Je hebt mijn stempas gevonden?' vraagt Jesse verbaasd. 'Die was ik kwijt. Ik wilde gaan stemmen op GroenLinks.'

'Wat vond je van mijn kamer?' vraagt Britt. 'Ik was bang om rommel te maken', bekent Jesse, die zijn best heeft gedaan om niks om te stoten. Hij is ook verrast dat Britt minder sportief blijkt te zijn dan haar kamer deed vermoeden. 'Dat had ik verkeerd', grinnikt Jesse. De kamers zijn twee uitersten, maar toch kunnen Jesse en Britt het goed met elkaar vinden. Jesse nodigt Britt zelfs uit om een keer mee te komen met hun gemeenschappelijke vriendin. 'Als je de fietstocht nog een keer aandurft, ten minste.'

Kamervragen ANS 6 portret JesseKamervragen ANS 6 portret Britt
Jesse en Britt

 

Lees meer