Rechten en plichten van een verhuurder

Je goed recht: Uitgemolken door mijn verhuurder

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Deze keer: welke rechten heb je als huurder van een studentenkamer?

Tekst: Evelyn van Oijen

Waarom betaal ik 50 euro per maand meer aan kale huur dan mijn vriend met een even grote kamer? Waarom ontvangt mijn verhuurder van al mijn huisgenoten veel te veel geld aan servicekosten? En waarom moet ik soms nog steeds geld betalen voor het herstel van iets in mijn huis? Als op zichzelf wonende student is de kans zeer groot dat een studentenkamer wordt gehuurd. Er wordt een grote som geld betaald en daar krijgt de huurder vier muren voor terug met een dak boven het hoofd: het is zijn plekje voor de komende jaren. Als huurder wil je voorkomen dat je op straat komt te staan, waardoor de afgesproken huurprijs netjes wordt betaald. Echter wil een huurder waar voor zijn geld en daarvoor is het van belang dat de verhuurder zich aan de wettelijke regels houdt. Deze geven de huurder namelijk veel bescherming. Helaas komen verhuurders vaak hun verplichtingen niet na en weten huurders niet waar zij recht op hebben. Dit artikel zal aandacht besteden aan enkele veelvoorkomende misstanden in het huurrecht.

De huurprijs
Een pijnpunt dat altijd zal blijven spelen betreft de hoogte van de huurprijzen: veel studenten betalen wettelijk gezien te veel huur. In de wet is opgenomen dat studentenkamers, met uitzondering van studio's, een maximale huurprijs hebben. De maximale hoogte ervan wordt berekend via een door de wetgever bepaald puntensysteem. Er worden hierbij aan verschillende onderdelen plus- of minpunten toegekend. Voorbeelden zijn de oppervlakte van de kamer en de gemeenschappelijke voorzieningen, maar er wordt ook rekening gehouden met bijvoorbeeld geluidsoverlast.

Het aantal punten dat uit het puntensysteem voortvloeit, wordt vervolgens gekoppeld aan een bepaalde tabel. Hieruit blijkt hoeveel kale huur je maximaal voor de kamer mag betalen. Blijkt dat je te veel huur betaalt, dan moet je eerst schriftelijk een voorstel tot huurverlaging doen aan de verhuurder. Gaat de verhuurder hiermee niet akkoord, dan staat de optie open om naar de Huurcommissie te stappen. Door deze instantie wordt de hoogte van de huurprijs getoetst en vervolgens een oordeel gegeven: de verhuurder moet wel of geen huurverlaging doorvoeren. Als student kun je hier in ieder geval veel geld op besparen. Een huurverlaging van slechts 10 euro per maand betekent op jaarbasis toch weer 120 euro.

'Een huurder hoeft alleen die kosten te betalen die in de huurovereenkomst staan omschreven.'

De servicekosten
Naast de kale huur die een huurder betaalt, worden elke maand servicekosten afgedragen. Dit is een voorschot dat wordt betaald voor de zaken en diensten die de verhuurder levert. Hieronder vallen bijvoorbeeld gas, water en licht, maar ook internet- en schoonmaakkosten kunnen doorberekend worden. Belastingen daarentegen vallen meestal niet onder de servicekosten. Een voorbeeld hiervan is de onroerendezaakbelasting. Deze dient door de eigenaar van het pand zelf betaald te worden.

Van belang is dat de servicekosten in het contract staan omschreven. Een huurder hoeft namelijk alleen die kosten te betalen die in de huurovereenkomst staan omschreven. De reden hiervoor is dat de huurder alleen verplicht is de servicekosten te vergoeden die de verhuurder daadwerkelijk heeft gemaakt. Helaas gebeurt het vaak dat de huurder meer servicekosten betaalt dan nodig. Wettelijk gezien moet een verhuurder elk jaar, uiterlijk zes maanden na het beëindigen van het jaar waarop de servicekosten betrekking hebben, een specificatie geven. Hieruit kan worden opgemaakt of de huurder een teveel betaald bedrag terug moet krijgen, of juist moet bijbetalen. Indien een verhuurder deze specificatie niet uit zichzelf geeft en de huurder vermoedt te veel te betalen, kan deze eisen dat de verhuurder deze specificatie alsnog geeft. Daarbij is het belangrijk te weten dat een verhuurder de servicekosten niet mag verhogen , zolang hij geen overzicht verschaft. Laat de verhuurder dit na, dan kan wederom de Huurcommissie ingeschakeld worden. Zij kan de hoogte van de servicekosten vaststellen en ook dit kan uiteindelijk leiden tot een grote besparing van de uitgaven.

Mijn kamer toont gebreken
Een laatste vervelend punt dat ook kosten met zich mee kan brengen betreft de reparatie van een gebrek. Het kan zijn dat een huurder de kosten voor de reparatie ervan zelf moet betalen, ondanks dat er al servicekosten worden betaald. Of de huurder hiertoe verplicht is, hangt af van wat er in de huurovereenkomst is besproken. Is hierin niets in opgenomen, dan moet het gebrek zijn opgenomen in het zogenoemde 'Besluit kleine herstellingen'. In dit besluit wordt opgesomd wanneer een huurder zelf de rekening moet betalen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de huurder zijn eigen kamer wil schilderen, maar ook gaten ontstaan door spijkers zal de huurder zelf moeten dichten. Gaat het echter over gebreken waar noemenswaardige kosten mee gepaard gaan, dan zal de verhuurder deze kosten moeten dragen, mits er geen schuld is aan de kant van de huurder. Wil de verhuurder deze kosten niet betalen, dan biedt de wet verschillende opties om dit alsnog af te dwingen. Een daarvan is dat de huurder zelf de reparatie uitvoert waarna deze kosten bij de verhuurder kunnen worden verhaald. Voorwaarde is daarbij wel dat het moet gaan om redelijke kosten.

Conclusie
Of het nu gaat om een te hoge huur, servicekosten die niet kloppen of een gebrek in de woning, als huurder zijn er mogelijkheden om deze misstanden aan de kaak te stellen bij de verhuurder of de Huurcommissie. Een huurder wordt in ons Nederlandse recht namelijk extra beschermd tegen de macht van de verhuurder. Heb je zelf een probleem met jouw verhuurder? Ook bij Rechtswinkel Nijmegen-Oost kun je altijd terecht met vragen over je studentenkamer.

 

Redactie
Ben je aansprakelijk na een te harde tackle?

Je goed recht: Schadevergoeding in sport- en spelsituaties

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Deze keer: wanneer ben je aansprakelijk voor toegebrachte schade in een sport- en spelsituatie?

Tekst: Bregt Martens

Waarom mag Badr Hari tijdens een gevecht in de ring Rico Verhoeven wel een gebroken neus slaan, maar tijdens een feestje niet? Is een voetballer aansprakelijk voor de schade wanneer de tegenstander ernstig letsel oploopt door een stevige tackle? Beide vragen zijn niet gemakkelijk te beantwoorden, aangezien er in het Nederlandse recht andere regels gelden voor de aansprakelijkheid tijdens een zogenoemde 'sport- en spelsituatie' dan in normale situaties. Dit artikel gaat in op het verschil tussen strafrecht en civielrecht en legt uit in welke gevallen deelnemers aan sport- en spelsituaties een schadevergoeding kunnen eisen.

Strafrecht vs. civiel recht
Via het civielrecht kan degene die letsel heeft opgelopen schadevergoeding eisen, indien dit onrechtmatig is toegebracht door de dader. Denk hierbij aan een schadevergoeding, omdat iemand nooit meer kan lopen door het opgelopen letsel. Dit kan dus ook tijdens een voetbalwedstrijd gebeuren. Daar tegenover staat de strafrechtelijke aansprakelijkheid, waarbij iemand door het openbaar ministerie vervolgd kan worden voor een begane misdaad of overtreding. In sport- en spelsituaties komt dit alleen in extreme gevallen voor. Zo werd ex-profvoetballer Bouaouzan ooit veroordeeld voor mishandeling toen hij een zware overtreding maakte op zijn tegenstander die daardoor een gecompliceerde open beenbreuk opliep. Daarnaast was hij ook civielrechtelijk aansprakelijk voor de geleden schade van zijn tegenstander. De rest van dit artikel gaat alleen in op de civielrechtelijke aansprakelijkheid.

Verhoogde aansprakelijkheidsdrempel
Als tijdens het uitgaan iemand een gebroken neus wordt geslagen bij een vechtpartij is het niet meer dan logisch dat de dader de opgelopen schade van de ander moet dragen. Gebeurt dit echter tijdens een bokswedstrijd, dan zou het juist onlogisch zijn als de bokser daarvoor schadevergoeding moet betalen. Dit is dan ook niet het geval, omdat door vrijwillig mee te doen aan de sport of het spel men in feite accepteert te worden blootgesteld aan bepaalde risico's en gevaren. Zeker bij contactsporten als voetbal en boksen zijn deze gevaren en risico's een stuk groter dan in het dagelijks leven. Tijdens sport- en spelsituaties geldt daarom een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Dit houdt in dat de schade die is toegebracht minder snel onrechtmatig wordt geacht, waardoor het dus minder snel mogelijk is een schadevergoeding te eisen.

Sport- en spelsituatie
Wat wordt precies verstaan onder een sport- en spelsituatie en wanneer geldt de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel? Deze vraag valt eigenlijk niet concreet en eenduidig te beantwoorden. Zoals vaker in het recht, hangt dat af van alle omstandigheden van het geval. Er zijn veel gevallen waarbij het duidelijk is dat er sprake is van een sport- en spelsituatie, zoals een voetbalwedstrijd waarbij de schade tijdens de speeltijd wordt opgelopen door een tackle. Het wordt al lastiger om te beoordelen wanneer er na de wedstrijd een opstootje ontstaat en daarbij iemand schade oploopt. En wat als een team na hun kampioenswedstrijd besluit uit blijdschap de trainer in de sloot te gooien en hij daarbij hoofdletsel oploopt? Dit is geen sterk verhaal, maar is daadwerkelijk ooit gebeurd. Hierbij oordeelde de rechter uiteindelijk dat er geen sprake meer was van een sport- en spelsituatie, omdat dit geen verband meer had met de wedstrijd en de trainer er niet vanuit hoefde te gaan dat er zoiets zou kunnen gebeuren. Ook in een rechtszaak waarbij een voetballer letsel opliep door natrappen van de tegenstander oordeelde de rechter dat er geen sprake meer was van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Volgens de rechter was hier sprake van een 'abnormale en onvoorzienbare gedraging'. Degene die de schade had toegebracht, was dus gewoon aansprakelijk voor de schade. Of de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt, hangt dus af van veel omstandigheden, maar wordt grofweg beoordeeld door te kijken of de gedraging 'normaal' is en te verwachten valt in de desbetreffende situatie.

Conclusie
Gezien de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel die geldt in sport- en spelsituaties hoeft een sporter niet extra voorzichtig te zijn tijdens een wedstrijd. Alle normale en te verwachten gedragingen en binnen de spelregels vallende gedragingen zullen zeker niet tot aansprakelijkheid leiden binnen een sport- en spelsituatie. Tot op welke hoogte deze drempel geldt, is lastig vast te stellen. Als algemene vuistregel geldt dat 'normale' en te verwachten gedragingen eronder vallen. De tegenstander even een flinke trap na geven valt dus niet onder een sport- en spelsituatie. In dat geval gelden de 'normale' aansprakelijkheidsregels, waarbij geldt dat iedereen verplicht is de schade te vergoeden die is aangericht door een onrechtmatige gedraging.

 

 

Redactie
Rechten en plichten van abonnementshouders

Je goed recht: Hoe kom ik van mijn abonnement af?

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Deze keer: stilzwijgende verlenging en prijsverhoging van abonnementen.

De tijd van de chocoladeletters, champagne, oliebollen en gevulde kalkoenen is voorbij en we staan weer aan de start van een gloednieuw jaar. Om de goede voornemens na te leven, gaat men weer naar de sportschool om de bijgekomen kilo's eraf te sporten. Zoals het vaak gaat bij goede voornemens, lopen de mooie plannen na een paar maanden tot een einde. Iedereen heeft het druk met tentamens, waardoor sporten een bijzaak wordt. Desondanks blijven we wel betalen voor deze abonnementen. Als klap op de vuurpijl voeren sportscholen vaak een prijsverhoging door. Wat nu? Is er nog een manier om van het abonnement af te komen?

Tussentijdse opzegging
De meeste abonnementen worden voor een bepaalde tijd afgesloten. Het contract wordt in dat geval ook wel een duurovereenkomst genoemd. Als een abonnement bijvoorbeeld voor een jaar wordt afgesloten, zitten beide partijen er in principe ook daadwerkelijk een jaar aan vast. Of het abonnement in dat jaar nog tussentijds kan worden opgezegd, is afhankelijk van de algemene voorwaarden van het bedrijf. Deze kunnen bepalen dat het contract tussentijds kan worden opgezegd. Is dit niet het geval, dan is tussentijdse opzegging in principe niet mogelijk. Vaak is de klant bij het ondertekenen van het contract akkoord gegaan met deze algemene voorwaarden. Het moet wel duidelijk zijn voor een klant dat deze van toepassing zijn.

Stilzwijgende verlenging
Nadat de afgesproken duur van het abonnement voorbij is, kan de klant het abonnement opzeggen. Bedrijven willen hun klanten vaak echter niet verliezen en verlengen daarom zonder iets te zeggen de duur van het abonnement. Dit heet een stilzwijgende verlenging. Ook als het abonnement stilzwijgend is verlengd, is opzegging nog mogelijk; een abonnement mag namelijk alleen stilzwijgend worden verlengd als de klant het contract hierna te allen tijde kan opzeggen, waarbij de opzegtermijn niet langer mag zijn dan een maand. Dit betekent dat de sportschool het abonnement niet automatisch met een jaar mag verlengen, zonder de mogelijkheid te bieden het abonnement tussentijds op te zeggen. Als een sportschool van tevoren aan de klant meldt dat het contract voor een bepaalde duur weer wordt verlengd en de klant gaat akkoord, dan is er geen sprake van stilzwijgende verlenging. Tussentijdse opzegging van het contract is in dat geval uitgesloten.

Stilzwijgende prijsverhoging
In veel gevallen zullen klanten voor het betalen van het abonnement toestemming geven voor een automatische incasso. Het kan voorkomen dat een sportschool na een paar maanden een hoger bedrag afschrijft dan in de eerste maanden. In principe mag een prijsverhoging niet, maar omdat er altijd uitzonderingen gelden binnen het recht, is een prijsverhoging toegestaan als het in de algemene voorwaarden van het bedrijf is opgenomen. In de algemene voorwaarden staan vaak vanwege welke redenen de prijs mag worden verhoogd. Deze bepalingen mogen echter niet onredelijk zijn. De wet bepaalt bijvoorbeeld dat het onredelijk is de prijs al te verhogen binnen drie maanden na het afsluiten van het abonnement. Een verhoging in verband met de verhoging van de btw, zou bijvoorbeeld wel redelijk zijn.

Als de sportschool in de algemene voorwaarden niks heeft bepaald over een prijsverhoging of als de prijsverhoging niet redelijk is, geldt de oude prijs van het sportabonnement. Indien de sportschool zich hier niet aan houdt, kan de overeenkomst worden ontbonden. Het abonnement stopt en het resterende bedrag kan worden teruggevraagd.

Conclusie
Ondanks alle goede voornemens, zit de gemiddelde student in de zomer vaak liever op het terras dan in de sportschool. Zonde van het geld, want een duurovereenkomst kan meestal niet tussentijds worden opgezegd. Toch nog maar even een paar maanden volhouden dus. Het stilzwijgend verlengen mag immers alleen als het abonnement te allen tijde kan worden opgezegd. Of een prijsverhoging acceptabel is, hangt af van wat er is bepaald in de algemene voorwaarden van het bedrijf. Een prijsverhoging kan in bepaalde gevallen namelijk onredelijk zijn, waardoor de overeenkomst kan worden ontbonden. Want wie wil er nou twintig euro extra betalen om te zweten en spierpijn te hebben?

 

Redactie
Wat te doen bij onbehoorlijk handelen?

Je goed recht: aansprakelijkheid van bestuursleden

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Dit keer: aansprakelijkheid van bestuurders van verenigingen.

Menig student staat te springen om een bestuursjaar bij een vereniging te doen. Oude bestuurders vertrekken, kersverse bestuurders beginnen met goede moed aan hun taak en doen een veelheid aan nieuwe vaardigheden op. Een bestuursfunctie brengt echter ook verantwoordelijkheden met zich mee waar niet iedere student bij stil staat. Wat als de penningmeester een greep uit de kas doet, of de vereniging afstevent op een faillissement? Wat zijn de gevolgen als het bestuur de vereniging bindt aan verplichtingen die ze niet kan nakomen, of als de statuten niet worden nageleefd? In dit artikel zal de bestuurdersaansprakelijkheid aan een nader licht worden onderworpen.

Externe aansprakelijkheid
Stel dat de vicevoorzitter van een studievereniging het nodig vindt om stickers met het logo van de vereniging aan te schaffen om daarmee meer bekendheid te genereren voor de vereniging. Indien de vicevoorzitter deze stickers bestelt, ontstaat de vraag wie nu gebonden is door de koopovereenkomst met de leverancier van de stickers, oftewel: wie moet er betalen?

Het bestuur is slechts een orgaan van een vereniging, net zoals de algemene ledenvergadering (ALV) ook een orgaan is. De vereniging zelf is een zogenaamde 'rechtspersoon' en is zelf partij bij juridische overeenkomsten. Zolang de vereniging haar statuten bij de notaris heeft vastgelegd, betekent dit dat het bestuur niet meer is dan het orgaan dat verantwoordelijk is voor het binden van de vereniging aan overeenkomsten. De vereniging draagt in principe zelf de aansprakelijkheid tegenover anderen. De vicevoorzitter uit het voorbeeld hoeft dus niet zelf te betalen voor de stickers; dat moet de vereniging doen.

In het geval dat de vereniging haar statuten niet bij een notaris heeft vastgelegd, is er sprake van een zogenaamde informele vereniging. De bestuurders van dergelijke verenigingen zijn 'hoofdelijk aansprakelijk' voor de handelingen van de vereniging. Dat wil zeggen dat ieder bestuurslid aansprakelijk kan worden gesteld voor het gehele bedrag, indien de vereniging een verplichting niet nakomt. De vicevoorzitter die de stickers heeft gekocht kan in dat geval dus door de leverancier gedwongen worden uit eigen zak te betalen, als de vereniging zelf niet betaalt. In de praktijk zullen echter vrijwel alle studie- en studentenverenigingen hun statuten bij de notaris vastgelegd hebben. In dat geval zijn de bestuurders in principe niet aansprakelijk voor de gedragingen van de vereniging.

Interne aansprakelijkheid
Het kan echter voorkomen dat de vereniging schade lijdt als gevolg van bestuurlijk handelen. Wat bijvoorbeeld als de vicevoorzitter een zeer dure partij stickers aanschaft, terwijl hij weet dat de vereniging de prijs met geen mogelijkheid kan betalen? De vereniging heeft in bepaalde gevallen de mogelijkheid bestuurders intern aansprakelijk te stellen bij de rechter.

Bestuurders van verenigingen kunnen aansprakelijk gesteld worden, indien zij hun bestuurstaak 'onbehoorlijk uitvoeren'. Een deel van de bestuurstaak is specifiek omschreven in de statuten van de vereniging. Een ander deel van de bestuurstaak blijkt uit het Burgerlijk Wetboek. Zo is het bestuur wettelijk verplicht na ieder boekjaar een financiële balans op te maken. Het bestuur handelt onbehoorlijk, indien het deze wettelijke plicht niet nakomt. Ook algemenere taken die nodig zijn voor een behoorlijke gang van zaken binnen de vereniging worden in het algemeen tot de taak van het bestuur gerekend. Er is sprake van onbehoorlijk bestuurshandelen als het bestuur bijvoorbeeld in het jaarverslag misleidende gegevens over de financiële positie van de vereniging opneemt, of als de penningmeester een greep uit de kas doet. Ook als de vicevoorzitter veel te dure stickers koopt, terwijl hij weet dat dit de vereniging in financiële problemen brengt, handelt hij onbehoorlijk.

Alle schade die het 'onbehoorlijk handelen' de vereniging oplevert, kan op de bestuurders verhaald worden. Indien twee of meer bestuurders verantwoordelijk zijn voor een bepaalde aangelegenheid, wordt aangenomen dat dit een taak voor het bestuur als geheel is en geldt een hoofdelijke aansprakelijkheid; elk bestuurslid is dus wederom voor de gehele schade aansprakelijk. De totale schade hoeft dus niet over de bestuurders verdeeld te worden.

Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat financiële aangelegenheden vaak als collectieve bestuurstaak worden beschouwd en dus niet alleen de penningmeester aansprakelijk gesteld kan worden, indien hij zijn bestuurstaak onbehoorlijk uitvoert. Bovendien wordt van het bestuur van een vereniging over het algemeen een bepaalde mate van deskundigheid verondersteld. Als de vereniging bijvoorbeeld overduidelijk failliet dreigt te gaan, moet het bestuur tijdig faillissement aanvragen. Doet het dit niet, dan kunnen de bestuursleden hiervoor aansprakelijk gesteld worden.

Decharge
Na een bestuurstermijn moet aan de oud-bestuurders standaard de zogenaamde decharge worden verleend. Door middel van de decharge laat de vereniging aan de oud-bestuurders weten dat deze niet langer intern aansprakelijk zijn voor hun bestuurshandelen. Heeft de vicevoorzitter erg dure stickers gekocht, maar heeft de ALV dit door de vingers gezien en decharge verleend, dan kan de vicevoorzitter niet meer aansprakelijk gesteld worden als de vereniging door de dure aankoop alsnog in de problemen komt. De decharge geldt echter alleen voor het handelen dat tijdens de verlening van de decharge bekend was. De feiten moeten blijken uit het jaarverslag of expliciet vermeld zijn tijdens de ALV. Zou de vicevoorzitter voor de ALV hebben verzwegen dat hij door de aankoop van de stickers de vereniging op het randje van een faillissement heeft gebracht, dan is het bestuur nog altijd intern aansprakelijk.

Conclusie
We kunnen concluderen dat een bestuursfunctie de nodige verantwoordelijkheid met zich meebrengt en niet vrijblijvend is. Het is niet ondenkbaar dat door onwetendheid onbehoorlijk gehandeld wordt en de vereniging de bestuursleden de schade laat vergoeden. Wegens de hoofdelijke aansprakelijkheid kan voor aangelegenheden die meerdere bestuursleden aangaan zelfs aansprakelijkstelling van een bestuurslid plaatsvinden, terwijl deze bestuurder niet direct met het onbehoorlijk handelen te maken heeft gehad. Gelukkig is het vrij uitzonderlijk dat bestuurders aansprakelijk worden gesteld. De gang naar de rechter is voor veel verenigingen uit het studentenwezen nogal hoog gegrepen en het is niet altijd gemakkelijk te bewijzen of het bestuur onbehoorlijk heeft gehandeld. Bovenal is het gebruikelijk dat de bestuursleden elkaar controleren en zich op behoorlijke wijze van hun bestuurstaak kwijten zonder in de problemen te geraken. Beginnende bestuurders doen er dus goed aan zich te verdiepen in hun verplichtingen en elkaar goed op de hoogte te houden van hun bestuurshandelingen.

 

Redactie
Het recht tijdens de wintersportvakantie

Je goed recht: aansprakelijkheid bij ski-ongevallen

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Deze keer: aansprakelijkheid bij ski-ongevallen.

Voor de echte fanatieke wintersporter is de wintersport dé vakantie van het jaar. Een aantal dagen heerlijk skiën of snowboarden op de (hopelijk) witte pistes en daarna nog even de kroeg in voor de après-ski. Helaas eindigt een wintersportvakantie niet voor iedereen altijd even goed, want ongevallen op de skipistes komen regelmatig voor. In de meeste gevallen komt een wintersporter ongelukkig ten val door zelf een verkeerde manoeuvre te maken, maar hoe zit het met de aansprakelijkheid als je door een andere wintersporter omver wordt geskied?

Pisteregels
Dat ongevallen op de piste nogal eens voorkomen is niet zo verwonderlijk. Vaak zijn er veel skiërs en snowboarders tegelijkertijd op de piste te vinden. Daar komt nog bij dat niet iedere wintersporter evenveel controle heeft over zijn ski's of snowboard. Denk eens aan de beginnende skiër die in een pizzapunt de berg af sjeest, of de après-skiër die het met een paar biertjes op een goed idee vindt om toch nog een keer de piste af te gaan. De drukte in combinatie met het grote niveauverschil tussen de verschillende wintersporters kan snel tot een botsing leiden.

Om het risico op ongevallen zoveel mogelijk te beperken heeft de Internationale Ski Federatie (FIS) tien algemene verkeersregels opgesteld. Iedere skiër of snowboarder is verplicht om zich aan deze regels te houden zodra hij de piste opgaat. Zo dien je rekening te houden met anderen en je snelheid en skistijl te beheersen, maar ook het juiste spoor te kiezen en voldoende afstand van mede-wintersporters te houden. Daarnaast ben je verplicht om zonder gevaar te stoppen en te vertrekken, en de piste zo snel mogelijk vrij te maken na een val of een tussentijdse stop. Lopen over de piste mag alleen aan de zijkant en iedereen die de piste betreedt dient de verkeersborden in acht te nemen. Ten slotte is hulpverlenen bij een ongeval verplicht en moet iedereen zich op de piste kunnen legitimeren. Niet-naleving van deze verkeersregels kan ervoor zorgen dat je in sommige situaties aansprakelijk wordt gesteld voor een ongeval.

Welk recht is van toepassing op het ongeval?
Ski-ongevallen hebben veelal een internationaal karakter. Dit komt doordat ski-ongevallen vaak plaatsvinden tijdens de wintersportvakantie in het buitenland. Bovendien zijn er op de piste veel mensen met verschillende nationaliteiten te vinden. Als een Nederlander en een Duitser een ski-ongeval hebben op de skipiste in Zwitserland, rijst al snel de vraag welk recht er precies van toepassing is. Als hoofdregel geldt dat het ongeval zal worden beheerst door het recht van het land op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden. Maar als de betrokken partijen beide hun woonplaats hebben in hetzelfde land, is het recht van dát land van toepassing. Dit betekent dat twee botsende Nederlanders op de skipiste in Oostenrijk hun gelijk kunnen halen in eigen land en het Oostenrijkse recht mogen laten voor wat het is.

Doordat het toepasselijke recht per incident kan verschillen, bestaan er ook uiteenlopende regels voor het vaststellen van de schuld en de schade. Behalve de internationale regels van de Internationale Ski Federatie, kunnen landen immers ook eigen regels opstellen. Zo geldt in sommige Zwitserse regio's een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur en kent Oostenrijk een helmplicht voor kinderen. Het niet-naleven van zulke regels kan je als slachtoffer al snel duur komen te staan.

Aansprakelijkheid naar Nederlands recht
In de Nederlandse wet is geen specifieke regeling opgenomen voor wintersportongelukken. Voor de vraag wie voor het ongeval aansprakelijk is, dient daarom te worden gekeken naar de zorgvuldigheid van de betrokken wintersporters. Hierbij vindt een beoordeling plaats aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Zo kunnen het weer, het zicht op de piste, de drukte, de sneeuw- en pisteconditie en de ervaringsgraad van de betrokkenen worden meegewogen. Daarnaast zal worden gekeken of de eerdergenoemde pisteregels zijn nageleefd. Of iemand aansprakelijk is voor een ski-ongeval, is dus afhankelijk van veel factoren en zal per incident verschillen. Het is dan ook niet zo dat niet-naleving van de pisteregels automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Bovendien is er op de skipiste sprake van een zogeheten 'sport- en spelsituatie', waardoor een ongeval minder snel zal leiden tot aansprakelijkheid. De Nederlandse rechter is namelijk van mening dat deelnemers in zo'n situatie tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde of onvoldoende doordachte gedragingen van elkaar mogen verwachten.

Conclusie
Het is dus wel degelijk mogelijk om op de skipiste aansprakelijk te worden gesteld. Hoewel wintersporters over het algemeen het liefst met volle vaart de berg af sjezen, is het van groot belang om je te allen tijde aan de regels te houden. Doe je dit niet, dan kun je mogelijk aansprakelijk worden gesteld voor een ongeval. Welk recht er in dat geval van toepassing is, is afhankelijk van het grondgebied waarop het ongeval plaatsvindt en de nationaliteit van de betrokken wintersporters. Het recht is dus overal, óok op de wintersportvakantie.

 

 

Redactie
Gratis geld of eindeloze schulden?

Je goed recht: ome DUO

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost maandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Dit keer: DUO.

De 24e van de maand: het is voor veel studenten een hoogtepunt. De bankrekening schiet weer fijn in de plus met het 'gratis geld' dat DUO te bieden heeft. Stappen, lunchen, shoppen, je kunt weer zorgeloos geld uitgeven. Zelfs in een andere stad als je dit wil, want ook daar heeft DUO een fijne regeling voor: het gratis reizen met het OV door heel Nederland. Deze regelingen klinken in eerste instantie te mooi om waar te zijn, maar is dat het ook? In dit artikel leggen we uit welke haken en ogen aan de diensten van DUO kleven.

Gratis reizen! Of toch niet?
We beginnen bij misschien wel het fijnste wat de DUO studenten te bieden heeft: het gratis reizen. Wie staat ingeschreven voor een voltijdstudie en het studentenreisproduct heeft aangevraagd, kan naar hartenlust door Nederland toeren met het openbaar vervoer zonder dat het een cent kost. Het 'studenten-ov' is in ieder geval geldig gedurende de officiële duur die voor de studie staat. Dit is meestal vier jaar. Als een student langer studeert, mag daar maximaal één jaar bij worden opgeteld. Na die vijf jaar wordt het echter opletten geblazen.

In eerste instantie is het studenten-ov namelijk niet gratis. Dat is pas het geval wanneer men binnen tien jaar een diploma behaalt. Tot die tijd wordt het studenten-ov gezien als een lening tegen een bepaald maandelijks bedrag, dat jaarlijks varieert. Op dit moment wordt voor het gebruik van het studentenreisproduct elke maand €91,62 aan de studieschuld bijgeschreven. Als je niet op tijd een diploma hebt behaald, wordt de schuld niet kwijtgescholden en blijken al die ritjes in de Heyendaalshuttle toch niet gratis te zijn.

Daarnaast is DUO, ondanks de vergevorderde staat van de technologie, niet in staat het studenten-ov automatisch stop te zetten. Studenten worden geacht zelf bij een automaat op het station het product van hun OV-kaart af te halen, zodra ze geen recht meer hebt op het reisproduct. Als zij dit niet doen, kunnen ze na de studie nog steeds genieten van de tekst "Ingecheckt student week/weekend vrij" op het schermpje van het poortje op het station, maar dat feestje is snel over. Voor iedere halve maand die je als niet-gerechtigde het studentenreisproduct niet hebt stopgezet, wordt een boete van €97 gerekend. Het maakt hierbij niet uit of er daadwerkelijk gebruik van is gemaakt of niet, ome DUO wil knaken zien. Het is mogelijk om bezwaar te maken tegen de boete, maar dan moet de student wel bewijzen dat het stopzetten van het reisproduct buiten zijn schuld om is mislukt en deze niet met het ongeldige reisproduct heeft gereisd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de automaten op het station dienst weigeren en men als gevolg daarvan niet op tijd het product van de OV-kaart heeft kunnen verwijderen.

Tot slot zit er nog een addertje onder het gras als een student in het buitenland gaat studeren. Indien een student een tijd in het buitenland verblijft in het kader van de studie, kan hij van DUO een 'OV-vergoeding buitenland' ontvangen, omdat het studentenreisproduct niet geldig is in het buitenland. Als een student deze vergoeding ontvangt, heeft hij gedurende het buitenlandverblijf geen recht op het studentenreisproduct en moet hij handmatig het studentenreisproduct tijdelijk stopzetten om te voorkomen dat ome DUO hem nadien met opgehouden hand tegemoet treedt. Voor de duur dat studenten de OV-vergoeding voor het buitenlandverblijf krijgen, mogen zij namelijk niet het standaard studentenreisproduct op hun OV-kaart hebben staan, op straffe van de eerdergenoemde boete van €97 per halve maand.

Goedkoop lenen?
Naast de OV-chipkaart, ontvangen studenten van DUO maandelijks geld. Zoals iedereen waarschijnlijk wel weet, valt iedereen die na 2015 aan zijn of haar bachelor is begonnen onder het nieuwe leenstelsel. In dit leenstelsel krijg je de mogelijkheid je studieschuld binnen maximaal 35 jaar terug te betalen. Tevens hoef je in de zogenaamde 'aanloopfase', de eerste twee jaar nadat je afgestudeerd bent, niets af te lossen. Prima voorwaarden toch? Als je dan uiteindelijk toch moet gaan aflossen, dan hangt de hoogte van de maandelijkse aflossing af van twee omstandigheden. Dit zijn de hoogte van je studieschuld en de hoogte van je verzamelinkomen (dit is het gezamenlijke inkomen van jou en je eventuele partner) van twee jaar geleden. Daarnaast betaal je iedere maand rente bovenop de aflossing. Velen denken dat die rente toch niets voorstelt. Enerzijds is dat waar, zo is de rente voor mensen die in 2016 zijn begonnen met aflossen vastgesteld op 0,00%. Wat veel mensen echter niet weten is dat dit percentage dus alleen geldt voor mensen die op dat moment zijn begonnen met aflossen. De hoogte van de rente die je daadwerkelijk zal moeten betalen als je nog moet beginnen met aflossen, is nog helemaal niet bekend. De enige zekerheid die je hebt, is dat het rentepercentage dat wordt vastgesteld wanneer je begint met aflossen, vaststaat voor vijf jaar. Na die vijf jaar wordt er weer een percentage voor vijf jaar vastgesteld enz. enz. De kans dat het rentepercentage de komende 35 jaar 0,00% blijft, is volledig onzeker. Ook al zou het 'maar' 1% worden, over 35 jaar en een schuld van bijvoorbeeld 30.000 euro maakt dat zeker wel wat uit.

Gevolgen voor een hypotheek en BKR-registratie
Waarschijnlijk zijn studenten met de gevolgen van hun lening helemaal niet bezig. Toch is het iets om over na te denken. De lening heeft namelijk wel degelijk invloed op de hoogte van het mogelijke hypotheekbedrag dat je in de toekomst zal kunnen krijgen, ondanks het feit dat onze lening niet BKR-geregistreerd wordt. Een BKR-registratie houdt in dat een schuld wordt geregistreerd, zodat banken en andere kredietverstrekkers dit kunnen inzien. Op dit moment mag dit niet bij de studielening, maar bij een gesprek over een hypotheek zal de hypotheekverstrekker wel vragen naar de hoogte van je studieschuld. De hoogte hiervan mag je verzwijgen, maar dit levert je waarschijnlijk alleen maar een moeilijke financiële situatie op, omdat je maandelijkse lasten dan hoger uitvallen dan je eigenlijk aan kan. Om een goede berekening te kunnen maken van de mogelijke hoogte van je hypotheek moet namelijk rekening worden gehouden met al je maandelijkse lasten, waarvan de aflossing van je studielening er dus eentje is. Volgens het Nibud rekenen hypotheekverstrekkers 0,45% van je totale schuld als maandelijkse last voor het aflossen van je studielening. Bij een studieschuld van 35.000 euro komt dit dus al neer op 157,50 euro per maand. Dit is dus niet per se het bedrag dat je dan per maand aflost, maar dit wordt als fictie genomen. Iets concreter uitgedrukt betekent die (fictieve) maandelijkse last dat je al snel tienduizenden euro's minder aan hypotheek zal kunnen krijgen indien de schuld wordt meegenomen bij de hypotheekberekening.

Conclusie
In eerste instantie lijkt hetgeen DUO studenten te bieden heeft zeer redelijk. Toch moeten studenten zich ervan bewust zijn dat de OV-chipkaart niet gratis is. Je kunt een boete krijgen voor het niet-tijdig stopzetten van het product, en als je niet binnen tien jaar een diploma haalt, moet je de OV-kosten helemaal terugbetalen. Wat ook terugbetaald moet worden, is de lening. Deze lening kan van invloed zijn op jouw toekomstige hypotheek. Tot slot moet in gedachten worden gehouden dat de aflossingsrente kan gaan stijgen, want de 0% die de overheid ons heeft beloofd, staat niet zo vast als gedacht. Desalniettemin is het lenen nog erg goedkoop, dus wat ons betreft hebben studenten weinig excuses om dat éne biertje toch niet te gaan drinken.

 

Redactie
Welke rechten hebben werknemers precies?

Je goed recht: nulurencontracten

Van huisjesmelkers tot illegaal downloaden en van stagevergoedingen tot DUO. Studenten komen het recht overal tegen. Op ANS-Online geeft Rechtswinkel Nijmegen-Oost tweemaandelijks uitleg over juridische zaken waar studenten mee te maken krijgen. Deze keer: nulurencontracten.

Veel studenten hebben naast hun studie een bijbaantje op basis van een nulurencontract. Een nulurencontract is een arbeidsovereenkomst waarin geen afspraken worden gemaakt over de te werken uren. De werkgever kan de werknemer flexibel oproepen en hoeft in beginsel alleen loon te betalen voor de uren die de werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat het nulurencontract onder de werkgevers razend populair is. Hoewel het een veelvoorkomend fenomeen betreft, roept het nulurencontract nog vaak vraagtekens op. Ben je verplicht om gehoor te geven aan de oproepen van je werkgever? Heb je recht op doorbetaling van loon bij ziekte? En wat als de ingeroosterde uren achteraf komen te vervallen?

Vrijheid blijheid
Dat oproepkrachten flexibel zijn, wil niet zonder meer zeggen dat het altijd vrijheid blijheid blijft. Op grond van het zogeheten 'goed werknemerschap' is een werknemer verplicht om zoveel mogelijk gehoor te geven aan oproepen van zijn werkgever. Hij mag een oproep slechts afwijzen als daar zwaarwegende redenen voor zijn. Denk bijvoorbeeld aan een geplande vakantie, ziekte of het hebben van colleges. Daar staat tegenover dat de werkgever op grond van het 'goed werkgeverschap' verplicht is zijn werknemer op te roepen als er werk beschikbaar is. Hierbij geldt dat het beschikbare werk eerlijk moet worden verdeeld over de verschillende oproepkrachten.

Hoewel deze verplichtingen over en weer enige zekerheid met zich mee lijken te brengen, is grote wisselvalligheid kenmerkend voor het nulurencontract. In principe hoeft de werkgever in de eerste zes maanden van het nulurencontract namelijk alleen loon te betalen voor de uren die de werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt. Als de werknemer niet wordt opgeroepen, heeft hij geen recht op loon. Daarbij geldt dat het zeker niet ondenkbaar is dat een werknemer de ene week fulltime werkt en de andere week na zijn colleges thuis op de bank zit. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat grote verschillen in het loon kunnen ontstaan. Voor veel studenten is dit onwenselijk gelet op onder meer de maandelijks te betalen kamerhuur, het sportabonnement en de vaste stapavonden. De wetgever heeft deze grote onzekerheid onwenselijk gevonden en daarom enkele gunstige maatregelen getroffen.

Eén uur werken, toch drie uur loon
De flexibiliteit van het nulurencontract kan ertoe leiden dat een werknemer te pas en te onpas wordt opgeroepen om een paar uurtjes te werken. Daarnaast is het goed mogelijk dat een werknemer eerder naar huis wordt gestuurd dan de eindtijd op het rooster. Zo is het voor een horecamedewerker op een regenachtige dag niet onwaarschijnlijk is dat hij al snel weer naar huis wordt gestuurd omdat het te rustig is. De werknemer die misschien wel afspraken heeft afgezegd om te kunnen werken, was natuurlijk liever afgebeld. Om deze situatie zoveel mogelijk te voorkomen heeft de wetgever bepaald dat bij iedere oproep het recht ontstaat op ten minste drie uur loon. Op deze manier heeft de horecamedewerker die slechts één uur heeft gewerkt, toch recht op loon voor drie uur. Deze regeling geldt ook als de werknemer meerdere keren per dag wordt opgeroepen. In dat geval heeft hij voor iedere afzonderlijke oproep recht op drie uur loon. Hoewel deze regeling beoogt te voorkomen dat werkgevers hun werknemers zomaar oproepen, is het uiteraard fijn voor de werknemers dat zij op deze manier sneller aanspraak kunnen maken op meer loon.

Gemiddeld meer werken, altijd meer loon
De werknemer kan door het nulurencontract de ene week veel meer werken dan de andere. Om grote verschillen in de arbeidsuren te voorkomen, is het zogeheten rechtsvermoeden van arbeidsomvang in het leven geroepen. De werknemer kan zich er na het verstrijken van zes maanden op beroepen dat een arbeidsovereenkomst met een vast aantal arbeidsuren is ontstaan. Vanaf dat moment heeft de werknemer recht op doorbetaling van loon bij ziekte en bij ingeroosterde uren die naderhand zijn komen te vervallen. Bij het bepalen van de hoogte van het loon wordt dan gekeken naar het aantal uren dat uit het rechtsvermoeden van arbeidsomvang voortvloeit.

Voor het vaststellen van het rechtsvermoeden van arbeidsomvang geldt als voorwaarde dat gedurende een periode van minimaal drie maanden ten minste twintig uur per maand is gewerkt. De werknemer kan vanaf dat moment aanspraak maken op een arbeidsovereenkomst voor het aantal uren dat hij in de laatste drie maanden gemiddeld heeft gewerkt. Hiertegen kan de werkgever zich slechts verweren als hij kan aantonen dat bijvoorbeeld sprake is van seizoensarbeid of piekdrukte. Zo zal de student die tijdens de zomervakantie op een terras werkt gemiddeld veel meer uren maken dan gedurende de rest van het jaar. Het is in zo'n geval niet eerlijk om een arbeidsovereenkomst op basis van dat aantal uren aan te houden.

Conclusie
Met name in de beginfase gaat het nulurencontract gepaard met grote onzekerheid voor de werknemer. De werkgever hoeft immers slechts loon te betalen voor de uren die de werknemer feitelijk heeft gewerkt. Bovendien heeft de werknemer geen zekerheid over de te werken uren. Om hier enigszins aan tegemoet te komen heeft de werknemer voor iedere oproep recht op ten minste drie uur loon. Na een half jaar komt hier nog eens bij dat het rechtsvermoeden van een vaste arbeidsomvang kan ontstaan. De werknemer krijgt vanaf dat moment ook loon als hij bijvoorbeeld ziek is of als achteraf ingeroosterde uren komen te vervallen. Als je een bijbaantje hebt op basis van een nulurencontract is het dus zeker de moeite waard om in de gaten te houden of je wel krijgt waar je recht op hebt.

 

 

Redactie