Positiviteit op het spoor

Goed verhaal, lekker kort: De NS, altijd blijven lachen

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: positiviteitsgoeroe NS.

Afgelopen week besloot de NS minder treinen te laten rijden. Er werd namelijk sneeuw verwacht. Enkele Facebook-reacties: 'Stelletje hufters de ligt geen vlok sneeuw..Check voortaan alles ff goed!', en: 'Toen mijn man nog bij NS werkte reden de treinen altijd. Ook al lag er een meter sneeuw. Zielig dat dat niet meer kan.'

Velen zouden moedeloos worden van dit soort opmerkingen. De NS niet. Iedereen die reageert op een post van de NS kan rekenen op een immer positief gestemd antwoord van een medewerker. De NS laat zich niet snel op de kast jagen. Altijd blijven lachen, is het motto. Treinen op tijd laten rijden is voor de NS een uitdaging, maar positieve framing, daar is de spoorwegmaatschappij verdraaid goed in.

Neem de naam van de treinen. Tot 2012 heette een trein die bij elk station stopte een 'stoptrein'. Hierdoor lag de nadruk op het stilstaan van de trein. Dat moest anders, besloot de NS. 'Stoptrein' werd 'sprinter'. Nu was duidelijk dat de trein bewoog! En dat doet het beter in de marketing. Ditzelfde geldt voor het vermijden van de term 'vertraging'. Nooit zal je de NS horen omroepen dat een trein te laat is. Je hoort alleen wanneer de trein vertrekt. Dat dit ook vandaag weer later is dan gepland, daar zwijgt de NS liever over.

Het spoorwegbedrijf spreekt ook liever van een 'aangepaste dienstregeling' dan toe te geven dat er minder treinen rijden. 'Aangepast' is namelijk lekker neutraal. Eigenlijk betekent 'aangepast' helemaal niets. Je weet alleen dat er iets is veranderd in de dienstregeling. Wat er is veranderd, is een grote verrassing. Misschien rijden er juist méér treinen! Of misschien is de trein tussen Maastricht en Den Bosch plots afgeschaft en heeft de NS ervoor gekozen hier iedereen per kameel te vervoeren. Of misschien worden er bij een flinke sneeuwval van 1 centimeter voortaan sleehonden ingezet. Misschien is de conducteur vervangen door een dansmarieke, en de machinist door een yogalerares. Je weet het niet. Alles is onzeker.

Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik minder naïef ben dan ik lijk. Ik trap er niet meer in, in de 'aangepaste dienstregeling'. Keer op keer stapte ik vol verwachting het perron op, om er daar achter te komen dat de verrassing van de dag alwéér een kleiner aantal treinen was. Dan gaat de lol er voor mij toch een beetje af. De NS zelf lijkt de 'aangepaste dienstregeling' nog steeds als een zegen voor de mensheid te zien. Zie bijvoorbeeld onderstaand bericht, dat afgelopen week op de site van de NS verscheen:

'Omdat voor morgen, 30 januari, sneeuwval wordt verwacht, nemen NS en ProRail het zekere voor het onzekere en passen de dienstregeling aan. Ondanks deze aanpassing kan het winterse weer leiden tot extra hinder voor treinreizigers.'

Waarom het woord 'Ondanks'? 'Dankzij' of 'Door' had mij hier passender geleken. Nee, ook dit bericht weet de NS positief te framen. Wij, reizigers, moeten de grote weldoener NS op onze blote knieën danken dat de dienstregeling is aangepast. Want het is toch ook puur genieten dat je buiten de coupé, naast de wc, tussen meerdere onbekende medereizigers met zweetoksels, ochtendgeuren en natgeregende jassen ingeklemd mag staan, omdat er minder treinen rijden?

 

 

De ongemakken van het voorstellen

Goed verhaal, lekker kort: De kracht van een naam

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: ongemakken, oplossingen en trucs met de eigennaam.

Vorige week zaterdag, de verjaardag van een vriendin. Ik kom de huiskamer binnen en kijk om me heen: weinig tot geen bekende gezichten. Het voorstellen kan dus beginnen. 'Hallo, Noor', 'Noor', 'Noor'... Natuurlijk is de gespreksstof onder de aanwezigen net op, dus iedereen is met zijn volle aandacht bij mijn voorsteltafereel. Halverwege heeft iedereen al lang begrepen dat ik Noor heet, maar voorstellen is niet iets dat je voor jezelf doet. Je doet het, omdat je een pure, intrinsieke, hardnekkige motivatie hebt om erachter te komen hoe die andere persoon heet. Ik ploeter me dus stug langs alle handen. 'Noor, Noor, Noor, Noor, Noor.' Einde van de kring. Zestien keer je eigen naam gehoord, en geen enkele andere naam onthouden. Ik plof neer op een vrije stoel. 'Euh, hoe heet je ook alweer?', vraag ik schaapachtig lachend aan mijn buurvrouw.

Er bestaan personen die dit probleem op een amicale wijze weten te tackelen. Het is het type mens dat met een grote zelfverzekerdheid naast de eigen naam 'Dag Noor'/ 'Hallo Noor'/ 'Leuk je te ontmoeten Noor' terugzegt. Een automatisch stemmetje in mijn hoofd reageert dan meteen: 'Oeh, wat een sympathiek persoon', maar in wezen is het gewoon een slimme truc. Diegene vergeet jouw naam zo nooit meer.

Het nog amicalere type mens kan geen genoeg krijgen van het zeggen van je naam. Aan het begin of aan het einde van iedere willekeurige zin wordt plotseling jouw naam geplakt. Net alsof je die zelf niet kan onthouden. Shanne, een enthousiaste deelnemer aan het tv-programma VT Wonen, is zo'n naamzegger. Het begint al bij de eerste kennismaking met presentator Kees Tol (kijk hier het fragment terug vanaf min. 12.50). Wanneer Shanne aan het begin van de aflevering haar deur opendoet, zegt ze meteen: 'Hee Kees!' Ook de rest van de aflevering lijkt ze haar band met de presentator te willen versterken door hem continu bij naam te noemen. Kees – zelf ook hoog scorend op de schaal der amicaliteit – lijkt het allemaal wel best te vinden.

Niet alleen in gezellige contexten komen namen veel voor. Juist in een grimmige setting vallen ze vaker. Ik moet bekennen dat ik zelf de neiging heb om mijn zusjes in een felle discussie bij voor- én achternaam te noemen. Als statement. Het lijkt je argument net wat meer zwaarte te geven, en het bekt gewoon lekker. Daar denken mijn zusjes overigens anders over. 'Ik weet heus wel hoe ik heet hoor!', beet een van hen laatst terug.

Op een familiefeest ontdekte ik laatst dat ik niet de enige ben met deze – toch wat sneue – eigenschap. Mijn achternichtje ging stoeiend over het grasveld met haar nog net wat kleinere en minder gespierde achterneefje, die deze worstelpartij voor peuters met geen mogelijkheid leek te gaan winnen. Plots begon mijn achterneefje te huilen. De moeder van mijn achternichtje, die toch al in hoge staat van paraatheid verkeerde, brulde op dat moment de volledige naam van haar dochter door de tuin. Alleen de tweede en derde naam misten nog. Misschien een idee voor de volgende keer. De meeste doopnamen zijn immers op zichzelf al reden om in janken uit te barsten.

 

Noor de Kort
Vergane glorie

Goed verhaal, lekker kort: Het treurige lot van succesvolle spreekwoorden

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: het treurige lot van succesvolle spreekwoorden en gezegden.

Bij gebrek aan vermaak in het openbaar vervoer luister ik graag gesprekken van medereizigers af. 'Mam! Ik ben aangenomen bij de Aldi!", riep een meisje naast mij laatst in haar telefoon. 'Ik werd net gebeld door een van de bedrijfsleiders. Hij zei: "We gaan de zee in met jou."' Bijzondere cao-voorwaarden hebben ze bij de Aldi, dacht ik, terwijl ik mijn gezicht in de plooi probeerde te houden. Ik zag voor me hoe de bedrijfsleider zijn nieuwe werknemer door het zand bij Bergen aan Zee sleurde, waarna zij kopje onder ging in de golven.

Omdat veel spreekwoorden en gezegden lang geleden zijn ontstaan, is de betekenis niet altijd meer makkelijk uit te leggen. Als gevolg van de onwetendheid over de herkomst van uitdrukkingen ontstaan bijzondere taalvondsten. Ik hoorde een man ooit bloedserieus zeggen: 'Je moet een gegeven paard niet op de bek slaan' en nieuwslezer Rik van de Westelaken meldde eens droogjes tijdens het NOS-journaal: 'Van een kale kut kun je niet plukken.'

Kortom: het leven van een spreekwoord of gezegde in de 21e eeuw gaat niet over rozen. Het is vechten voor een plekje in de vocabulaire van het Nederlandse volk. In deze heuse survival of the fittest wordt de succesvolle uitdrukkingen ook nog het leven zuur gemaakt, weet ik sinds afgelopen week.

Tijdens een van mijn colleges van de master Journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam kregen we een lijst met clichés uitgereikt, een soort zwarte lijst voor taalgebruik in artikelen. De lijst was opgesteld door een aantal redacteuren van NRC, want, zo stond in een korte toelichting: 'Clichés zijn een zwaktebod. Er is altijd een betere formulering te bedenken dan een cliché.' De lijst van drie kantjes bestond uit opvallend veel spreekwoorden en gezegden zoals 'De neuzen dezelfde kant op krijgen', 'Een visitekaartje afgeven' en 'Van het kastje naar de muur gestuurd worden'. De journalistiek had voor deze uitdrukkingen besloten dat ze hun beste tijd hadden gehad. Ze waren 'mainstream' geworden, en 'mainstream' is niet cool.

Ik begrijp dat origineel en concreet taalgebruik de journalistiek ten goede komt. Toch had ik te doen met de spreekwoorden en gezegden op de lijst. Heb je jezelf nét lekker op de kaart gezet, moet je alweer het veld ruimen. Terug bij af. Typisch Nederlands: waag het eens je kop boven het maaiveld uit te steken.

Via deze weg wil ik daarom een lans breken voor spreekwoorden en gezegden. Laten we hen steunen in deze woelige tijden. Ze kunnen dan worden verbannen uit journalistieke artikelen, gesproken taal laat zich niet de les lezen. Gooi af en toe eens een spreekwoord in een gesprek. Wat dacht je van mijn favoriete uitdrukking: 'Dat slaat als een tang op een varken'? Ik gooi de handdoek in ieder geval niet in de ring.

 

 

Noor de Kort
Praatgrage premier

Goed verhaal, lekker kort: Ruttes buitengewoon opvallende stopwoord

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: het buitengewoon opvallende, favoriete woord van Mark Rutte.

In de New York Times verscheen enkele weken geleden een anonieme brief over het functioneren van Trump, waarop een heuse zoektocht naar de auteur volgde. Plots deed het woord 'lodestar' in de brief de verdenkingen in de richting van vicepresident Mike Pence gaan. Pence laat dat blijkbaar vaker vallen, zoals iedereen wel woorden gebruikt die typisch zijn voor die persoon. Mijn zusje zegt 'barfen' in plaats van 'kotsen', een vriendin noemt een prullenbak altijd 'de ton' (schijnbaar iets Twents) en mijn vader gebruikt – god mag weten waarom – het woord 'infuus' voor 'telefoonoplader'. Genoeg over mijn vader, laten we het hebben over een iets invloedrijker persoon op deze aardbol: onze minister-president. Ik wil Mark Rutte via deze weg – niet geschoten, altijd mis - ten zeerste afraden ooit een anonieme brief te sturen naar een Nederlandse krant. Ik zou hem ook in geschreven vorm, zonder die typische lach, namelijk direct herkennen.

Onze premier is immers ook maar een mens. En net als ieder mens heeft Mark Rutte een flinke batterij aan favoriete woorden, waaronder een opvallend bijwoord. In Marks wereld is alles 'buitengewoon'. De ministerraad verliep 'buitengewoon goed', het terughalen van mensen uit Syrië is 'buitengewoon risicovol' en journalisten moeten 'buitengewoon kritisch' te werk kunnen gaan. Er gaat geen interview of toespraak voorbij zonder dat de term meerdere keren uit de lucht komt vallen. Voor wie het niet gelooft, ga eens lekker een avondje interviews met Rutte bingewatchen. Het YouTubekanaal 'Wekelijkse Persconferentie' telt inmiddels maar liefst 342 afleveringen, met steevast onze premier in de hoofdrol. Ultiem genieten.

Mocht je toch andere prioriteiten hebben dan achterhaalde feiten terugkijken: hieronder een compilatie van Ruttes 'buitengewoontjes'.

Dat Rutte zich van 'buitengewoon' bedient als hij in zijn maatpak rondhuppelt op het Binnenhof, à la. Maar wanneer roept hij dit nog meer? Als hij om vijf uur 's nachts, ladderzat, een bamischijf uit de muur van de Febo trekt, zegt hij dan ook zonder een spier te verrekken 'Wat buitengewoon lekker'? Als hij na een rondje hardlopen met vrienden, rood aangelopen, klotsend van het zweet, een laatste rekoefening doet, zegt hij dan bemoedigend 'We hebben buitengewoon goed gelopen'?

Ik hoop stiekem van wel. En Mark, mocht je ooit een anonieme brief willen schrijven, hou het binnen het gewone.

 

Noor de Kort
Om grijze haren van te krijgen

Goed verhaal, lekker kort: Ouderen, gedraag u/jullie!

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: het aanspreken van oude mensen.

Ik voel me de laatste tijd vaak bedreigd, voornamelijk door ouderen. Aan dit gevoel ligt het volgende ten grondslag: bij een eerste kennismaking zeg ik "u" tegen mensen die veel eerder dan ik ter wereld kwamen, maar dat pikken ouderen van tegenwoordig niet.

Ik ben fatsoenlijk opgevoed. 'Spreek een ouder persoon altijd eerst aan met "u". Als diegene wil dat je "je" gebruikt, zegt hij of zij dat wel', kreeg ik van thuis mee. Deze strategie werkte tot een paar jaar geleden goed. Mijn gesprekspartners accepteerden "u", of zeiden op vriendelijke toon dat ik "je" tegen hen mocht zeggen, waarna ik dat deed.

Die tijd is voorbij. Ik krijg tegenwoordig regelmatig te maken met semi-agressieve benaderingen wanneer ik iemand vousvoyeer. Pas geleden was het weer raak. Ik raakte in gesprek met een vrouw die overduidelijk van de babyboomgeneratie was. Tijdens die kennismaking stelde ik haar een vraag met daarin het blijkbaar zo gevoelig liggende woord. De vijftigplusser in kwestie rolde met haar ogen, keek alsof ik een net ontdekte spatader was en besloot zwaar geërgerd: 'Ik krijg echt heel erg jeuk van "u"!' Mijn gedachte: 'Och, jeetje, kan uw – correctie, jouw - verrimpelde, tere huidje dit niet eens aan?', waarna ik mij natuurlijk keurig herpakte en een krachtige "je" in de conversatie gooide.

Hoewel een studentenblad waarschijnlijk het verkeerde medium is om vijftigplussers te bereiken, moet ik dit toch even kwijt:
Vooropstellend, ik vind het prima als mensen willen worden aangesproken met "je". Ik snap ook de overweging. "U" zou afstandelijk of onpersoonlijk klinken. Maar, er is daarnaast geen enkele reden om mij kwalijk te nemen dat ik in eerste instantie vousvoyeer. Etiquetteregels zijn ooit ontstaan om rekening te houden met de gevoelens van anderen. Ik zeg "u" uit respect. Ik zeg heus geen "u" om te pesten, om u te attenderen op het feit dat u gewoon veel en veel ouder bent, om erin te wrijven dat uw haarlijn gênant ver terugloopt, om u even fijntjes te herinneren aan het einde van uw eisprong of om te benadrukken dat u naar grote waarschijnlijkheid eerder tussen zes planken zal liggen dan ik. Ik zou niet durven.

Een iets volwassenere reactie op mijn uiting van respect zou dus wenselijk zijn. Ik heb immers ook gevoelens. En die moeten nog wél even mee.

 

Noor de Kort
Samen uit, samen thuis

Goed verhaal, lekker kort: Liefde voor de samenstelling

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: samenstellingen.

Zij stond alleen. Hij ook. Tussen hen in een onoverbrugbare spatie. Hoewel de twee woorden voor elkaar bestemd waren, waren ze nu plots toch van elkaar losgerukt. Terwijl de pen onverstoord doorschreef, keken zij elkaar bedremmeld aan. Dit was toch niet de bedoeling?

Bekend met het fenomeen 'samenstelling'? Vast wel. Dit eenvoudige taalverschijnsel wordt al op de basisschool onderwezen. Zoals de term zelf al verraadt, is er een nieuw woord gevormd door het samenvoegen van twee op zichzelf staande woorden. Simpel, zou je zeggen. Niet dus. Mensen houden het in Nederland tegenwoordig niet lang met elkaar uit (een op de drie huwelijken strandt), maar ook veel Nederlandse woorden verkeren in een relatiecrisis. Overal kom ik ze tegen: samenstellingen die zonder goede reden doormidden zijn gescheurd, waarna de overgebleven woorden verspreid over het papier liggen. Vooral bij eet- en drinkbare producten worden de delen van een samenstelling als Romeo en Julia van elkaar losgerukt, zo ook op de website van onze eigen universiteit. Op de pagina over de Refter staat dat er verschillende 'grill maaltijden' verkrijgbaar zijn en het Cultuurcafé heeft volgens de website een rijk assortiment aan 'speciaal bieren'. Waarom die spatie? Waarom die afstand? Hebben de woorden sinds kort een latrelatie? Ik kom er niet uit.

In een restaurant waar ik ooit werkte, schreef een collega op het krijtbord: 'chocolade mousse'. Geweldige collega verder, en normaal gesproken hou ik braaf mijn mond wanneer ik een taalfout zie, maar kapotgescheurde samenstellingen maken mij verdrietig. Dus ik met de stift naar het bord om de woorden met een geforceerd streepje te herenigen. Want: wat is die mousse nu zonder die chocola? Lekker hoor, een paar blokjes Verkade naast een hoopje opgeklopt eiwit. Mij hoef je er niet voor wakker te maken. Voor chocolademousse dan weer wel, graag zelfs.

Dit doormidden hakken, openrijten, splijten (of hoe je het ook wil noemen) van de samenstelling heeft te maken met de invloed van de Engelse taal op het Nederlands. Engelsen zijn gek op afscheiding, en de Engelse taal doet vrolijk mee in deze afzonderingsdrang. Nee, Engelse woorden houden niet van samenwerken. Ze opereren het liefst op hun eigen eilandje, zonder de liefdevolle bemoeienis van het andere deel van de samenstelling. Een spatie ter breedte van het Kanaal houdt de woorden uit elkaar. 'Buschauffeur' is 'bus driver' en 'weersvoorspelling' 'weather forecast'.

Goed, voordat ik alle studenten Engels over me heen krijg: er bestaan inderdaad samenstellingen in het Engels die wel aan elkaar worden geschreven. Vooral bij veelvuldig gebruikte samenstellingen trekken de woorden in de loop van de tijd naar elkaar toe. Zo was 'deadline' in het Engels eerst 'dead line', toen 'dead-line’ en tegenwoordig 'deadline'. Toch blijft het uitgangspunt in de Engelse taal dat delen van een samenstelling single door het leven moeten. Dat gebeurt nu dus ook in het Nederlands. Ik pleit voor meer liefde in de Nederlandse taal. Gun de delen van een samenstelling hun innige omhelzing en laat ze weer lekker dicht tegen elkaar aan kruipen.

 

Noor de Kort
Stoute karakters en zware meiden

Goed verhaal, lekker kort: Speciaalbiertaal

In 'Goed verhaal, lekker kort' krijgen taalverschijnselen hun welverdiende portie aandacht in een goed, maar lekker kort verhaal. Deze keer: speciaalbiertaal.

Ik beken het maar direct: ik ben geen speciaalbierkenner. Dit betekent niet dat ik bier niet lekker vind, integendeel. Mijn probleem met speciaalbier is dat het minder speciaal is dan de naam doet vermoeden. De 'speciale' bieren zijn met zó veel dat ik langer doe over het kiezen van een biertje dan over het drinken van de uiteindelijke keuze. Ik was pas in een Amsterdams café waar ze de bierkaart de naam 'Bierbijbel' hadden gegeven. Mocht je nog nooit een Bijbel hebben gezien, dat ding is dik. In een café laat ik dus liefst iemand anders de knoop doorhakken, of ik neem lekker veilig, alweer een Tripel Karmeliet.

De gemiddelde bierkaart is niet alleen uitgebreid vanwege het aantal brouwsels. De tweede, veel belangrijkere reden is dat ieder bier een uitleg van minstens vier regels nodig heeft. 'Uitleg! Nu kan ik een weloverwogen keuze maken', denkt de eeuwige twijfelaar. Vrijblijvend advies: trap er niet in. Ik heb het voor de zekerheid nog even opgezocht, maar 'uitleg' betekent toch echt: 'woorden waarmee je iets begrijpelijk maakt'. Als er iets is wat die aanvullende tekst niet doet, is dat het. Steeds nadat ik heb besloten me toch aan het lezen te wagen en het menu ter grootte van een pamflet heb ontvouwd, worstel ik me door een dikke stront aan speciaalbierjargon. Zoekend naar een heldere omschrijving raak ik verstrikt in termen als 'gebalanceerd', 'tonen', 'complex' en 'afdronk'. Terwijl mijn hersenen verwoede pogingen doen om 'gebalanceerd' te duiden in de context van bier, ben ik de ingrediënten alweer vergeten.

De ingrediënten vormen een punt van aandacht op zichzelf. Op de bierkaart van café In de Blaauwe Hand las ik: 'Tonen van onder meer denne en citrus'. Ho. Momentje, 'denne'? Excuses voor de onwetendheid, maar ik voel zelden de behoefte om aan mijn kerstboom te knagen. Op dezelfde kaart stond: 'Met ijzertonen en subtiele hopbitters in de afdronk.' De trend 'likken aan je regenpijp' is blijkbaar aan mij voorbijgegaan.

De bieren zijn zelfs zo speciaal dat ze als heuse personen worden omschreven. De Leffe Dubbel heeft volgens het menu van Café Jos een 'stout karakter'. Fout figuur, was mijn eerste associatie. Toch maar even Wikipedia erbij gepakt, want ik laat me inmiddels niet meer gek maken. Bleek het donker bier met een verbrande smaak te zijn. Schrijf dat dan op.

Het toppunt van personificatie is de beschrijving van een Westmalle Tripel die ik aantrof in de eerder genoemde Bierbijbel. Ik citeer: 'De moeder aller tripels. Een echte zware meid.' Dit biertje is blijkbaar een vrouw. Nooit geweten dat de bierbrouwer het geslacht kan vaststellen bij kleine biertjes. De Westmalle Tripel is daarnaast een moeder, met obesitas. Terwijl ik me afvroeg wat dit laatste betekende voor de ingrediënten (was de brouwer met Happy Meals in de weer geweest?), pulkte de serveerster ongeduldig aan haar opschrijfboekje. Ik bestelde een Tripel Karmeliet.

 

Noor de Kort