Even denken: Vogelkennis

Redactie
Noem me ornitholoogje

Sanne de Kroon denkt overal veel te lang over na en ontwikkelt graag uitgebreide theorieën. Soms heel slim gevonden, soms wat minder. In deze column deelt ze haar nieuwgevonden wijsheden met de medemens.

Tekst: Sanne de Kroon

Noem me ornitholoogje
Het was een hele normale middag toen ik erachter kwam. Ik zat gewoon op de bank uit het raam te staren bij de ouders van mijn vriend, toen het plots gebeurde. Een roodborstje streek neer op een dun twijgje. 'Kijk', zei mijn vriend, 'datzelfde roodborstje komt hier altijd, nooit een ander.' Ik knikte. 'Ja dat is niet gek', zei ik, 'roodborstjes zijn erg territoriaal.' Hij keek me verward aan. 'Hoe weet jij dat nou?' Ik haalde mijn schouders op en mompelde iets over dat dit hele normale kennis was. Maar was dat wel zo? Al die tijd had ik gedacht een normaal meisje te zijn, maar misschien werd het tijd om te erkennen dat ik een net iets bovengemiddelde kennis heb over vogels. Dat ik een fladderfanaat ben, een ornitholoog in spe, een vogelspotter!

Het was natuurlijk geen geïsoleerd incident, waarop ik mijn theorie baseerde. Eerder al stuitte ik op verbazing bij het vertellen van vogelfeitjes. Zoals bijvoorbeeld toen ik vertelde dat vogels holle botten hebben of dat zwaluwen voor het slapengaan heel hoog de lucht in vliegen en dan gedurende de nacht al slapende naar beneden zweven. Hoe ik aan deze kennis kom weet ik niet, er is vast iets misgegaan in mijn jeugd.

Toen ik in Engeland zat, had ik een Engelsetalige vriendin aan wie ik alles kon vragen. Van de namen van exotische groentes tot aan specifiek bakgereedschap. Alles behalve vogelnamen. En dat terwijl ik in het Nederlands zowat alle vogels kan benoemen die ik tegenkom! Behoren vogelnamen dan niet tot de algemene kennis? Uiteindelijk gaf ze toe dat ze tot een jaar geleden had gedacht dat ooievaars mythologische wezens waren. Dat stelde me gerust. Blijkbaar wist deze persoon gewoon bovengemiddeld weinig over vogels. Maar later begon het toch weer te knagen. Misschien ben ik toch degene die anders is, de vreemde eend in de bijt.

Mijn vriend en ik hadden nog steeds onze aandacht op de achtertuin gericht toen daar plots een nieuwe vogel neerstreek in dezelfde boom. 'Kijk, een Vlaamse gaai!' riep ik enthousiast. 'Een Vlaamse wat?' Oh nee, dacht ik, niet alweer. Gelukkig kwam op dat moment net de moeder van mijn vriend uit de keuken tevoorschijn, die mij bijstond. 'Ja, inderdaad', zei ze, 'dat is een Vlaamse gaai.' Ik zuchtte opgelucht. Eindelijk was er iemand met net zoveel vogelkennis als ik. Misschien was ik zo gek nog niet.